Выбрать главу

Faile begroette hen met een glimlach en bracht hun geen schande door hen bij naam te noemen of de handtaal van de Speervrouwen te gebruiken. Maar ze kon zich er niet van weerhouden te vragen: ‘Gaat het goed met jullie?’ toen ze een klein bundeltje van Chiad aannam.

Chiad was een mooie vrouw met grijze ogen en kort, rossig blond haar dat verborgen ging onder de kap van haar gai’shainmantel. Ze trok een grimas bij de vraag. ‘Gaul heeft het hele Shaidokamp naar me afgespeurd, en volgens de verslagen heeft hij twaalf algai’d’siswai gedood met zijn speer. Misschien moet ik toch een bruidskrans voor hem maken als dit allemaal voorbij is.’ Faile glimlachte.

Chiad lachte terug. ‘Hij had niet verwacht dat een van de mannen die hij doodde degene zou blijken te zijn bij wie Bain gai’shain was. Ik denk niet dat Gaul blij is dat wij hem allebei dienen.’

‘Dwaze man,’ zei Bain; de langste van de twee. ‘Het is net iets voor hem om niet te kijken waar hij zijn speer stak. Hij kon de juiste man niet doden zonder per ongeluk nog een paar anderen om te brengen.’ Beide vrouwen grinnikten.

Faile glimlachte en knikte; de humor van de Aiel ontging haar. ‘Dank jullie wel dat je deze hebt gehaald,’ zei ze, terwijl ze het in stof gewikkelde bundeltje opstak.

‘Het was niets,’ zei Chiad. ‘Er werkten die dag veel handen, dus het was een koud kunstje. Alliandre Maritha Kigarin wacht al op je bij de bomen. Wij kunnen beter teruggaan naar het kamp.’

‘Ja,’ voegde Bain eraan toe. ‘Misschien wil Gaul zijn rug weer gewreven hebben, of moet er water voor hem worden gehaald. Hij wordt zo boos als we het vragen, maar gai’shain winnen alleen eer door te dienen. Wat moeten we anders?’

De vrouwen lachten weer, en Faile schudde haar hoofd terwijl ze met ruisende witte mantels terugrenden naar het kamp. Ze huiverde bij de gedachte om dergelijke kleding weer te moeten dragen, al was het maar omdat het haar deed denken aan haar dienst bij Sevanna.

De slungelige Arella en de sierlijke Lacile sloten zich bij de twee wilgen bij haar aan. De Speervrouwen die als wachters dienstdeden, bleven achter en keken van een afstand toe. Een derde Speervrouwe sloot zich bij die twee aan, komend vanuit de schaduwen, waarschijnlijk door Bain en Chiad gestuurd om Alliandre te beschermen. Faile ontmoette de donkerharige koningin onder de bomen, die er weer uitzag als een adellijke vrouwe in een dieprood gewaad met gouden kettinkjes in haar haren. Het was een buitenissig vertoon, alsof ze vastbesloten was om de dagen die ze als dienares had doorgebracht te ontkennen. Alliandres gewaad maakte Faile nog bewuster van haar eenvoudige kleding. Maar ze had niet veel anders kunnen aantrekken, anders had ze Perijn gewekt. Arella en Lacile droegen alleen de geborduurde broeken en hemden die gebruikelijk waren bij Cha Faile.

Alliandre had een lantaarntje bij zich, met de luikjes bijna gesloten, waar een lichtbundel uitkwam die alleen haar jeugdige gelaat en haar donkere haar verlichtte. ‘Hebben ze iets gevonden?’ vroeg ze. ‘Zeg alsjeblieft van wel.’

Ze was altijd indrukwekkend nuchter geweest, voor een koningin, al was ze wat veeleisend. Haar tijd in Malden scheen die laatste eigenschap te hebben getemperd.

‘Ja.’ Faile tilde de bundel op. De vier vrouwen schaarden zich om haar heen toen ze op de grond neerknielde, de punten van het korte gras verlicht door de lantaarn en glanzend als tongen van vuur. Faile pakte de bundel uit. De inhoud was niets bijzonders. Een geelzijden zakdoekje. Een riem van bewerkt leer met een patroon van vogelveren erin geperst. Een zwarte sluier. En een dun leren koord met een steen in het midden gebonden.

‘Die riem was van Kinhuin,’ wees Alliandre. ‘Ik heb hem die zien dragen voordat...’ Ze liet haar stem wegsterven, knielde neer en raapte hem op.

‘De sluier is die van een Speervrouwe,’ zei Arella. ‘Zijn die dan anders?’ vroeg Alliandre verbaasd. ‘Natuurlijk,’ antwoordde Arella, die de sluier oppakte. Faile had de Speervrouwe die Arella’s beschermer was geworden nooit ontmoet, maar de vrouw was gesneuveld in de strijd, hoewel niet zo dramatisch als Rolan en de anderen.

Het stukje zijde was van Jhoradin; Lacile aarzelde en nam het toen in haar handen, draaide het om en onthulde dat er een bloedvlekje op zat.

Dan bleef alleen het leren koord over. Rolan had het af en toe om zijn hals gedragen, onder zijn cadin’sor. Faile vroeg zich af wat het voor hem had betekend, en of er een betekenis zat aan de enkele steen, een ruw brokje turkoois. Ze pakte het op en wierp een blik op Lacile. Verrassend genoeg leek de slanke vrouw te huilen. Omdat Lacile zo snel naar het bed van de potige Broederloze was gegaan, had Faile aangenomen dat haar verhouding met hem was voortgekomen uit noodzaak, niet uit genegenheid. ‘Vier mensen zijn dood,’ zei Faile met een plotseling droge mond. Ze sprak vormelijk, want dat was de beste manier om het gevoel uit haar stem te weren. ‘Ze hebben ons beschermd, zelfs om ons gegeven. Hoewel zij de vijand waren, rouwen we om hen. Vergeet echter niet dat ze Aiel waren. Voor een Aiel zijn er veel ergere einden aan het leven mogelijk dan in de strijd te sneuvelen.’ De anderen knikten, maar Lacile keek Faile in de ogen. Voor hen twee was het anders. Toen Perijn die steeg uit was komen stormen – brullend van woede omdat hij zag hoe Faile en Lacile schijnbaar werden meegesleurd door Shaido – waren er vele dingen heel snel gebeurd. In de drukte had Faile Rolan net op het juiste ogenblik afgeleid en hem doen aarzelen. Hij had dat gedaan omdat hij bezorgd om haar was, maar door die aarzeling had Perijn hem kunnen doden.

Had Faile het met opzet gedaan? Ze wist het nog steeds niet. Er was zoveel door haar hoofd geschoten, zoveel verschillende gevoelens toen ze Perijn zag. Ze had geroepen, en... ze kon niet besluiten of ze had geprobeerd Rolan af te leiden, zodat hij door toedoen van Perijn zou sterven.

Voor Lacile bestond die twijfel niet. Jhoradin was voor haar gesprongen, had haar achter zich geduwd en zijn wapen geheven tegen de indringer. Ze had een mes in zijn rug gestoken en voor het eerst van haar leven iemand gedood. En die iemand was een man met wie ze het bed had gedeeld.

Faile had Kinhuin gedood, de andere Broederloze die hen had beschermd. Hij was niet de eerste man wiens leven ze had genomen, en ook niet de eerste die ze in de rug had aangevallen. Maar hij was de eerste man die haar als vriendin had beschouwd en die ze desondanks had gedood.

Maar het had niet anders kunnen gaan. Perijn had alleen maar Shaido gezien, en de Broederlozen hadden alleen maar een aanvallende vijand gezien. Dat conflict had niet anders kunnen aflopen dan met de dood van Perijn of de Broederlozen. Zelfs al had Faile de longen uit haar lijf geschreeuwd, het zou geen van die mannen hebben tegengehouden.

Maar dat maakte het alleen maar tragischer. Faile vermande zich, zodat haar ogen niet zouden gaan tranen net als die van Lacile. Ze had niet van Rolan gehouden, en ze was blij dat Perijn degene was die het conflict had overleefd. Maar Rolan was een eerzaam man geweest, en ze voelde zich... besmeurd omdat zijn dood haar schuld was.

Dit had niet zo moeten zijn. Maar het was zo. Haar vader had vaak over dit soort omstandigheden gesproken, als je mensen moest doden die je mocht, alleen omdat je ze aan de verkeerde kant van het slagveld tegenkwam. Ze had het nooit begrepen. Als ze het allemaal opnieuw zou moeten doen, zou ze exact hetzelfde doen. Ze zou nooit in staat zijn Perijns leven op het spel te zetten. Rolans dood was noodzakelijk geweest. Alleen leek de wereld door die noodzaak wel een droeviger plek.

Lacile wendde zich af, zachtjes snuffend. Faile knielde neer en pakte een klein kruikje olie uit het bundeltje dat Chiad had achtergelaten. Ze pakte het leren koord en trok de steen eruit, en vervolgens legde ze het koord midden op het stoffen bundeltje. Ze goot de olie erop en gebruikte toen een tondel, die ze bij de lantaarn aanstak, om het koord in brand te steken.