Ze keek ernaar terwijl het brandde, met kleine blauwe en groene vlammetjes voorzien van oranje punten. De geur van brandend leer leek schokkend veel op die van brandend mensenvlees. De nacht was heel stil, er was geen wind om de vlammen in beroering te brengen, en dus dansten ze vrij omhoog.
Alliandre overgoot de riem met olie en voegde hem aan het vuurtje toe. Arella deed hetzelfde met de sluier. Uiteindelijk legde Lacile de zakdoek erbij. Ze huilde nog altijd.
Dit was alles wat ze konden doen. Ze hadden niet voor de lichamen kunnen zorgen in de chaos van hun vertrek uit Malden. Chiad had gezegd dat het geen oneer was om ze achter te laten, maar Faile had toch iets willen doen. Een klein teken van eer voor Rolan en de anderen.
‘Gedood door ons,’ zei Faile, ‘of gewoonweg in de strijd, deze vier hebben ons eer betoond. Zoals de Aiel zouden zeggen, we hebben veel toh aan hen. Ik denk niet dat die kan worden vergoed. Maar we kunnen hen gedenken. De Broederlozen en de Speervrouwe, die ons vriendelijkheid betoonden toen ze dat niet hoefden. Ze hielden vast aan hun eer toen anderen die hadden verlaten. Als er verlossing voor hen te vinden is, en voor ons, dan moet dit het zijn.’
‘Er is een Broederloze in Perijns kamp,’ zei Lacile, en haar ogen weerspiegelden het vuur van de brandstapel. ‘Hij heet Niagen en hij is gai’shain van Sulin, de Speervrouwe. Ik heb hem verteld wat de anderen voor ons hebben gedaan. Hij is een goedaardig man.’ Faile sloot haar ogen. Lacile bedoelde waarschijnlijk dat ze naar het bed van die Niagen was gegaan. Dat was niet verboden voor gai’shain. ‘Zo kun je Jhoradin niet vervangen,’ zei ze toen ze haar ogen opende. ‘Of ongedaan maken wat je hebt gedaan.’
‘Dat weet ik,’ zei Lacile verdedigend. ‘Maar ze waren zo vol humor, ondanks de verschrikkelijke situatie. Er was iets met hen. Jhoradin wilde me terugbrengen naar het Drievoudige Land, me tot zijn vrouw maken.’
En dat zou je nooit hebben gedaan, dacht Faile. Ik weet het zeker. Maar nu hij dood is besef je welke kans je kwijt bent. Ach, wie was zij om een ander te berispen? Laat Lacile doen wat ze wilde. Als die Niagen maar half de man was die Rolan of de anderen waren geweest, dan had Lacile het misschien wel goed bij hem. ‘Kinhuin was nog maar pas begonnen op me te passen,’ zei Alliandre. ‘Ik weet wat hij wenste, maar hij eiste het nooit. Ik denk dat hij het voornemen had de Shaido te verlaten en ons te helpen ontsnappen. Zelfs als ik hem had geweigerd, dan nog zou hij ons hebben geholpen.’
‘Marthea haatte wat de andere Shaido deden,’ zei Arella. ‘Maar ze bleef bij hen voor haar stam. Ze is gestorven voor die trouw. Er zijn ergere dingen om voor te sterven.’
Faile zag dat de laatste vlammen van de kleine brandstapel doofden. ‘Ik denk dat Rolan oprecht van me hield,’ zei ze. En dat was alles. De vier stonden op en keerden terug naar het kamp. Het verleden was een veld vol sintels en as, zei een oud Saldeaans gezegde; de resten van het vuur dat het heden was. Die sintels bliezen achter haar weg. Maar ze hield Rolans steen van turkoois. Niet uit spijt, maar als aandenken.
Perijn lag wakker in de stille nacht, en hij rook het canvas van de tent en de onvergelijkelijke geur van Faile. Ze was er niet, hoewel ze nog niet lang weg was. Hij was ingedommeld, en nu was ze vertrokken. Misschien naar het privaat.
Hij staarde op in de duisternis en dacht na over Springer en de wolfsdroom. Hoe meer hij erover nadacht, hoe vastberadener hij werd. Hij zou naar de Laatste Slag gaan, en als hij dat deed wilde hij in staat zijn de wolf in hem te beheersen. Hij wilde ofwel vrij zijn van al die mensen die hem volgden, of leren hoe hij hun trouw moest aanvaarden.
Hij had enkele beslissingen te nemen. Ze zouden niet gemakkelijk zijn, maar hij zou ze nemen. Een man moest soms moeilijke dingen doen. Zo was het leven. Dat was ook wat er was misgegaan met zijn aanpak na Failes gevangenneming. In plaats van besluiten te nemen, had hij die ontlopen. Meester Lohan zou teleurgesteld in hem zijn geweest.
En dat leidde Perijn tot een volgend besluit, het moeilijkste van alle. Hij zou Faile naar het gevaar moeten laten rijden, misschien weer de kans lopen haar te verliezen. Was dat een besluit? Kon hij wel zo’n besluit nemen? Alleen al de gedachte dat ze in gevaar zou zijn maakte hem misselijk. Maar hij moest iets doen.
Drie problemen. Hij zou ze het hoofd bieden en beslissen. Maar hij zou er eerst over nadenken, want dat deed hij nu eenmaal. Een man was dwaas als hij besluiten nam zonder eerst na te denken. Maar het besluit om zijn problemen onder ogen te zien gaf hem enige mate van rust, en hij draaide zich om en dommelde weer in.
22
Het laatste dat kon gebeuren
Semirhage zat alleen in het kamertje. Ze hadden haar stoel meegenomen en haar geen lantaarn of kaars gegeven. Deze vervloekte Eeuw met dat vervloekte volk! Ze zou een lief ding overhebben voor gloeibollen aan de muur. In haar tijd werden gevangenen geen licht ontzegd. Ze had natuurlijk enkele van haar proefpersonen opgesloten in volslagen duisternis, maar dat was anders. Het was belangrijk te ontdekken wat een gebrek aan licht met hen zou doen. Die zogenaamde Aes Sedai die haar vasthielden, hadden geen zinnige reden om haar in het donker te laten zitten. Ze deden het alleen maar om haar te vernederen.
Ze trok haar armen tegen haar lichaam en dook ineen tegen de houten wand. Ze huilde niet. Ze was een Uitverkorene! Wat maakte het uit dat ze was gedwongen zich te verlagen? Ze was niet gebroken. Maar... die dwaze Aes Sedai bezagen haar niet meer zoals voorheen. Semirhage was niet veranderd, maar zij wel. Op de een of andere manier, in één klap, had die vervloekte vrouw met dat net in haar haren Semirhages gezag bij het hele stel om zeep geholpen. Hoe? Hoe waren de touwtjes zo snel uit haar handen gerukt? Ze huiverde toen ze terugdacht aan het ogenblik dat de vrouw haar over haar knieën had getrokken en een pak slaag had gegeven. En de achteloosheid ervan. Het enige wat in de stem van de vrouw had doorgeklonken was lichte ergernis geweest. Ze had Semirhage – een Uitverkorene! – behandeld alsof ze amper het opmerken waard was. Dat had erger gestoken dan de klappen.
Het zou niet nog eens gebeuren. Semirhage zou de volgende keer klaar zijn voor de klappen, en ze zou er geen waarde aan hechten. Ja, dat zou werken. Toch?
Ze huiverde opnieuw. Ze had honderden, misschien wel duizenden mensen gefolterd in naam van het begrip en de rede. Folteren was verstandig. Je zag werkelijk hoe iemand was, in meerdere opzichten, als je hun vlees begon te kerven. Dat was een frase die ze bij talloze gelegenheden had gebruikt. Meestal glimlachte ze erom. Deze keer niet.
Waarom hadden ze haar geen pijn gedaan? Gebroken vingers, messen in haar vlees, gloeiende kooltjes in de holten van haar ellebogen. Ze had zich in gedachten voorbereid op elk van die dingen, zich ertegen gewapend. Een klein, gretig stukje van haar had ernaar uitgekeken.
Maar dit? Gedwongen worden om van de vloer te eten? Worden behandeld als een kind in het bijzijn van vrouwen die haar voorheen met zoveel ontzag bezagen?
Ik vermoord haar, dacht ze niet voor het eerst. Ik verwijder haar pezen, een voor een, en ik gebruik de Kracht om haar te Helen zodat ze blijft leven om de pijn te ondergaan. Nee. Nee, ik ga iets nieuws bij haar doen. Ik zal haar pijn laten beleven die niemand in wat voor Eeuw dan ook ooit heeft gekend! ‘Semirhage.’ Een fluistering.
Ze verstijfde en keek op in de duisternis. Die stem was zacht geweest, als een kille wind, maar toch scherp en bijtend. Had ze het zich ingebeeld? Hij kon toch niet hier zijn?
‘Je hebt verschrikkelijk gefaald, Semirhage,’ vervolgde de stem, heel zacht. Een vaag licht scheen onder de deur door, maar de stem kwam uit haar cel. Het licht leek helderder te worden, verkleurde naar dieprood en bescheen de zoom van de zwarte mantel van de gestalte die voor haar stond. Ze keek op. Het rossige licht onthulde een bleek gezicht, met de kleur van dode huid. Het gezicht had geen ogen. Ze knielde onmiddellijk neer, drukte zich op het oude hout. Hoewel de gestalte voor haar op een Myrddraal leek, was hij veel langer en veel, veel belangrijker. Ze huiverde terwijl ze terugdacht aan de stem van de Grote Heer zelf die tot haar sprak. Als je Shaidar Haran gehoorzaamt, gehoorzaam je mij. Als je ongehoorzaam bent... ‘Je moest die jongen gevangennemen, niet doden,’ fluisterde de gestalte sissend, als stoom die ontsnapte door een spleet tussen pan en deksel. ‘Je hebt zijn hand genomen, en bijna zijn leven. Je hebt je onthuld en waardevolle pionnen verspeeld. Je bent gevangen door onze vijanden, en nu hebben ze je gebroken.’ Ze hoorde de glimlach om zijn lippen. Shaidar Haran was de enige Myrddraal die ze ooit had zien glimlachen. Maar aan de andere kant, ze dacht niet dat dit wezen echt een Myrddraal was.