‘En daarom,’ zei hij, ‘moet ik weg. Jij bent nu veilig, en dat is alles wat ertoe doet. Het Licht sta me bij, maar dat is nog steeds alles waar ik om geef!’ Hij liep weg, zijn voeten knerpend op twijgjes.
‘Gaebril was een Verzaker,’ zei ze. De krakende takjes vielen stil.
‘Zijn echte naam was Rahvin,’ vervolgde ze. ‘Hij nam Andor over met gebruikmaking van de Ene Kracht en dwong de mensen te doen wat hij wilde.’
Tallanvor siste en twijgjes kraakten toen hij zich naar haar terug haastte. ‘Weet je dat zeker?’
‘Zeker? Nee. Maar het is wel logisch.
We kunnen niet negeren wat er in de wereld gebeurt, Tallanvor. Het weer, het eten dat zo snel bederft, de bewegingen van die Rhand Altor. Hij is geen valse Draak. Het moet haast wel zo zijn dat de Verzakers weer op vrije voeten zijn.
Wat zou jij doen als jij een van hen was? Een leger verzamelen en een land veroveren? Of gewoonweg een paleis binnenwandelen en de koningin inpalmen? Haar geest verwringen zodat ze je alles laat doen wat je wilt. Je zou toegang krijgen tot de middelen van een hele natie, allemaal met minimale inspanning. Je zou er amper een vinger voor hoeven uit te steken...’
Ze keek op en staarde in de verte. Naar het noorden. Naar Andor. ‘Ze noemen het Wilsdwang. Een duistere, smerige weving die de wil van het slachtoffer wegneemt. Ik hoor niet eens te weten dat het bestaat.
Je zegt dat ik aan hem denk. Dat is waar. Ik denk aan hem en haat hem. Ik minacht mezelf om wat ik hem heb laten doen. En een deel van mijn hart weet dat als hij hier zou opduiken en iets van me zou eisen, ik het hem zou geven. Ik zou er niets aan kunnen doen. Maar wat ik voor hem voel – dat wat mijn verlangen en mijn haat verstrengelt als twee haarlokken in een vlecht – is geen liefde.’ Ze draaide zich om en keek Tallanvor aan. ‘Ik ken liefde, Tallanvor, en Gaebril heeft dat nooit van me gekregen. Ik denk niet eens dat een schepsel zoals hij liefde kan begrijpen.’
Tallanvor keek in haar ogen. Die van hem waren donkergrijs, zacht en eerlijk. ‘Vrouw, je geeft me dat monster van de hoop weer terug. Pas op voor wat er aan je voeten ligt.’
‘Ik heb tijd nodig om na te denken. Zou je, voorlopig, nog niet naar Tyr willen gaan?’
Hij maakte een buiging. ‘Morgase, als jij iets van me wilt – wat dan ook – dan hoef je het alleen maar te vragen, zoals altijd. Ik dacht dat ik dat duidelijk had gemaakt. Ik zal mijn naam van de lijst laten halen.’
Hij trok zich terug. Morgase keek hem na en haar hoofd liep om, ondanks de stilte van de bomen en de poel waar ze bij zat.
22
Het einde van een legende
‘s Nachts kon Gawein de wonden van de Witte Toren niet.
In de duisternis kon je het verschil niet zien tussen een schitterend, tot in de bijzonderheden uitgewerkt mozaïek en een wand vol slecht bij elkaar passende tegels, ’s Nachts werd het mooiste gebouw in Tar Valon gewoon een donkere vorm. En ’s nachts werden de gaten en littekens op de Witte Toren dichtgestopt met een pleister van duisternis. Al kon je in een nacht zo duister als deze wolken hem maakten ook de kleur van de Toren niet zien. Wit of zwart; ’s nachts maakte het niet veel uit.
Gawein wandelde over het terrein van de Witte Toren, gekleed in een stijve broek en een jas in rood en goud. Het leek op een uniform, maar niet van een specifieke groepering. Hij scheen tegenwoordig niet meer bij een specifieke groepering te hóren. Bijna onbewust merkte hij dat hij naar de oostelijke toreningang liep, alsof hij naar Egwenes slaapkamer wilde gaan. Hij klemde zijn kaken op elkaar en ging de andere kant op.
Hij had eigenlijk moeten slapen. Maar nadat hij bijna een week lang ’s nachts Egwenes deur had bewaakt, was hij bezig met een – zoals de soldaten dat noemden – middernachtelijk middagmaal. Misschien had hij in zijn kamers kunnen blijven om te rusten, maar zijn vertrekken in de barakken van de Witte Toren benauwden hem. Vlakbij slopen twee verwilderde katten door pollen gras, en hun ogen weerspiegelden het fakkellicht van een wachtpost. De katten zaten diep ineengedoken en keken naar hem alsof ze heel even overwogen of hij de moeite van het aanvallen waard was. Een ongeziene uil vloog boven hem door de lucht, en het enige bewijs van de aanwezigheid van het dier was een eenzame veer die omlaag dwarrelde. ’s Nachts kon je gemakkelijker doen alsof. Sommige mensen gingen hun hele leven zo door, gaven de voorkeur aan de gordijnen van duisternis in plaats van de open vensters van het daglicht, omdat ze dan de wereld in schaduwen gehuld zagen.
Het was nu zomer, maar hoewel het een warme dag was geweest, was de nacht merkwaardig kil. Hij huiverde toen een windvlaag hem raakte. Er waren geen moorden geweest sinds de dood van de ongelukkige Witte zuster. Wanneer zou de moordenaar weer toeslaan? Hij – of zij – kon nu wel door de gangen sluipen, op zoek naar een eenzame Aes Sedai zoals die katten zochten naar muizen. Egwene had hem bij haar deur weggestuurd, maar dat betekende nog niet dat hij niet de wacht kon houden. Wat had het voor zin om over het terrein te lopen? Hij zou binnen moeten zijn, waar hij zich mogelijk nuttig kon maken. Gawein liep naar een van de bediende-ingangen.
De lage gang binnen was schoon en goed verlicht, net als de rest van de Toren, hoewel de vloer was bedekt met matgrijs leisteen in plaats van geglazuurde tegels. In een open ruimte rechts van hem klonk gelach en geklets van wachters die geen dienst hadden en zich vermaakten met hun kameraden. Gawein wierp niet meer dan een terloopse blik naar binnen, maar toen verstijfde hij.
Hij keek opnieuw en herkende enkele mannen. ‘Mazone? Celark? Zang? Wat doen jullie hier?’
De drie keken geschrokken op, en toen met ergernis. Ze bevonden zich tussen een twaalftal Jongelingen die dobbelden en pijp rookten met de Torenwachters. De Jongelingen kwamen onhandig overeind en brachten hem een saluut, hoewel hij niet langer hun bevelvoerder was. Dat schenen ze niet te beseffen.
Celark, de hoogste onder hen, haastte zich naar Gawein toe. Hij was een slanke man met lichtbruin haar en dikke vingers. ‘Heer,’ zei hij. ‘Niets belangrijks, heer. Alleen wat onschadelijk plezier.’
‘De Zwaardhanden houden niet van dit soort gedrag,’ zei Gawein. ‘Dat weet je, Celark. Als bekend wordt dat jullie zo laat opblijven om te dobbelen, overtuigen jullie nooit een Aes Sedai om jullie te kiezen.’
Celark trok een grimas. ‘Ja, heer.’
Er was iets van weerzin in die grimas te zien. ‘Wat is er?’ vroeg Gawein. ‘Zeg op, man.’
‘Wel, heer,’ antwoordde Celark. ‘Sommigen van ons, weet u, zijn er niet zo zeker van of we wel Zwaardhand willen worden. We zijn daar niet allemaal voor gekomen, begrijpt u. Sommigen waren net als u en wilden alleen maar oefenen met de besten. En de rest... nou, de zaken zijn veranderd.’
‘Wat voor zaken?’ vroeg Gawein.
‘Domme zaken, heer,’ zei de man, en hij sloeg zijn blik neer. ‘U hebt natuurlijk gelijk. Er is morgen een vroege schermoefening. Maar, nou, we hebben oorlogen gezien. We zijn nu soldaten. Zwaardhand worden is alles waar een man naar zou moeten verlangen. Maar sommigen van ons willen liever niet dat het ophoudt, wat we nu hebben. Begrijpt u?’ Gawein knikte langzaam.
‘Toen ik pas in de Toren was,’ zei Celark, ‘wilde ik niets liever dan Zwaardhand worden. Nu weet ik zo net nog niet of ik heel mijn leven één vrouw wil beschermen en in mijn eentje door het land wil zwerven.’
‘Je kunt ook Zwaardhand worden van een Bruine of Witte,’ zei Gawein. ‘Die blijven in de Toren.’
Celark fronste zijn voorhoofd. ‘Met alle eerbied, heer, dat lijkt me net zo erg. Zwaardhanden... die leven niet zoals andere mannen.’
‘Dat staat vast,’ zei Gawein, en zijn blik ging naar boven, naar Egwenes verre vertrekken. Hij zou niét naar die deur gaan. Hij dwong zijn blik weer naar Celark. ‘Het is geen schande om een ander pad te kiezen.’
‘De anderen laten het wel zo klinken.’
‘De anderen hebben het mis,’ zei Gawein. ‘Verzamel je kameraden die ook bij de Jongelingen willen blijven en meld je morgen bij kapitein Chubain. Ik zal met hem praten. Ik durf te wedden dat hij jullie wel kan gebruiken als onderdeel van de Torenwacht. Hij heeft een hoop mannen verloren bij de Seanchaanse aanval.’ Celark ontspande zich zichtbaar. ‘Zou u dat willen doen, heer?’