Выбрать главу

‘Natuurlijk. Het was me een eer om jullie te leiden.’

‘Denkt u... dat u zich misschien bij ons aansluit?’ De stem van de jongeman klonk hoopvol.

Gawein schudde zijn hoofd. ‘Ik moet een ander pad volgen. Maar als het Licht het wil, dan zal ik dicht genoeg in de buurt blijven om een oogje op jullie te houden.’ Hij knikte de kamer in. ‘Ga terug naar je spelletjes. Ik zal ook voor jullie met Makzim praten.’ Makzim was de strenge, gespierde Zwaardhand die op het ogenblik de oefeningen overzag.

Celark knikte dankbaar en liep terug naar de anderen. Gawein vervolgde zijn weg door de gang en wenste dat zijn keuzes net zo gemakkelijk waren als die van zijn mannen. In gedachten verzonken was hij al halverwege naar Egwenes vertrekken voordat hij besefte wat hij deed. Ik heb afleiding nodig, dacht hij. Het was nog niet al te laat. Misschien kon hij even met Brin kletsen. Gawein liep naar Brins vertrekken. Als Gaweins plek onder de Aes Sedai vreemd was, dan gold dat evengoed voor die van Brin: Zwaardhand van de voormalige Amyrlin, generaal van Egwenes veroveringsleger en beroemde kapitein. Brins deur stond op een kier en er viel wat licht op de blauwe tegels van de gang. Dat was zijn gewoonte als hij binnen en wakker was, voor het geval een van zijn officiers hem nodig had. Brin was vaak ’s nachts weg, naar een van zijn commandoposten op het eiland of in een naburig dorp. Gawein klopte zachtjes aan.

‘Binnen.’ Brins stem klonk ferm en vertrouwd. Gawein glipte naar binnen en zette de deur weer op een kier. Brin zat aan een gammel ogende tafel een brief te schrijven. Hij keek op. ‘Ogenblikje.’ Gawein wachtte. De muren waren behangen met kaarten van Tar Valon, Andor, Cairhien en omliggende gebieden. Veel ervan waren voorzien van aantekeningen in rood krijt. Brin bereidde zich voor op een oorlog. De aantekeningen maakten duidelijk dat hij vermoedde dat hij uiteindelijk Tar Valon zelf tegen Trolloks zou moeten verdedigen. Op meerdere kaarten waren dorpen in het noordelijke deel van het land te zien, met vermelding van hun verdedigingswerken -als ze die al hadden – en hun trouw aan Tar Valon. Die zouden worden gebruikt voor de bevoorrading en als vooruitgeschoven posten. Op een andere kaart stonden kringen getekend om oude uitkijktorens, forten en ruïnes.

Brins berekeningen straalden een methodische onvermijdelijkheid en een gevoel van haast uit. Hij wilde geen forten bouwen, maar gebruikmaken van wat er al bestond. Hij verplaatste troepen naar dorpen die hem het nuttigst leken; op een andere kaart stond de voortgang van de huidige rekrutering af te lezen.

Pas nu Gawein hier stond – te midden van de bedompte geur van oud papier en brandende kaarsen – voelde hij de realiteit van de naderende oorlog. Die zou niet meer lang op zich laten wachten. De Draak wilde de zegels op de kerker van de Duistere breken. De plek waar hij wilde dat Egwene hem ontmoette, de Akker van Merrilor, was met helrood krijt op de kaarten aangegeven. Hij lag in het noorden, aan de grens van Shienar.

De Duistere. Op vrije voeten in de wereld. Licht! Gaweins eigen problemen waren daarbij onbeduidend.

Brin voltooide zijn brief, strooide zand over het papier, vouwde het op en reikte naar zijn was en zegel. ‘Het is een beetje laat voor bezoekjes, jongen.’

‘Weet ik, maar ik dacht dat jij misschien nog wakker zou zijn.’

‘En dat ben ik.’ Brin goot wat was op de brief. ‘Wat heb je nodig?’

‘Goede raad,’ zei Gawein, die op een kruk ging zitten.

‘Behalve als het gaat om de beste manier om een groep mannen in te kwartieren of een heuvel te versterken, zul je aan mijn raad niet zoveel hebben. Maar waar wilde je het over hebben?’

‘Egwene heeft me verboden haar te beschermen.’

‘De Amyrlin heeft ongetwijfeld haar redenen,’ zei Brin, terwijl hij rustig de brief verzegelde.

‘Domme redenen,’ zei Gawein. ‘Ze heeft geen Zwaardhand, en er is een moordenaar in de Toren.’ Een Verzaker nog wel, dacht hij erachteraan.

‘Allebei waar,’ zei Brin. ‘Maar wat heeft dat met jou te maken?’

‘Ze heeft mijn bescherming nodig.’

‘Heeft ze om je bescherming gevraagd?’

‘Nee.’

‘Juist. Als ik het me goed herinner, heeft ze je ook niet gevraagd om met haar mee te komen naar de Toren, en ook niet dat je haar moest volgen als een hond die zijn baasje kwijt is.’

‘Maar ze heeft me nodig!’ zei Gawein.

‘O ja? De laatste keer dat je dat dacht, heb je – met mijn hulp – weken van werk verstoord dat ze had verricht om de Witte Toren te herenigen. Soms, jongen, is onze hulp niet nodig. Hoe vrijelijk het ook wordt aangeboden, of hoe dringend die hulp ook kan lijken.’ Gawein sloeg zijn armen over elkaar. Hij kon niet met zijn rug tegen de muur leunen, omdat daar een kaart hing met boomgaarden in het omringende platteland. Eén dorp nabij de Drakenberg was om een of andere reden vier keer omcirkeld. ‘Dus je raadt me aan om haar onbeschermd te laten, waardoor ze misschien wel een mes in haar rug krijgt.’

‘Ik heb je geen raad gegeven,’ zei Brin, bladerend door enkele verslagen op zijn tafel terwijl zijn gezicht werd verlicht door flakkerend kaarslicht. ‘Ik doe alleen maar observaties, hoewel ik het vreemd vind dat je daaruit opmaakt dat je haar in de steek moet laten.’

‘Ik... Brin, ze is niet redelijk!’

Brins mondhoek kwam omhoog in een droge glimlach. Hij liet zijn papieren zakken en keek Gawein aan. ‘Ik had je gewaarschuwd dat je weinig aan mijn raad zou hebben. Ik weet niet of er wel antwoorden bestaan die jou passen. Maar laat me je dit vragen: Wat wil jij, Gawein Trakand?’

‘Egwene,’ zei hij meteen. ‘Ik wil haar Zwaardhand zijn.’

‘Ja, wat moet het nou worden?’

Gawein fronste zijn voorhoofd.

‘Wil je Egwene, of wil je haar Zwaardhand zijn?’

‘Haar Zwaardhand zijn, natuurlijk. En... en met haar trouwen. Ik hou van haar, Brin.’

‘Volgens mij zijn dat twee verschillende dingen. Gelijksoortig, maar gescheiden. Maar wat wil je nog meer, behalve dingen die met Egwene te maken hebben?’

‘Niets,’ zei Gawein. ‘Zij is alles.’

‘Kijk, en daar zit je probleem.’

‘Hoe kan dat nou een probleem zijn? Ik hou van haar.’

‘Dat zei je al.’ Brin keek Gawein aan, met zijn ene arm op tafel en de andere op zijn been. Gawein weerstond de neiging te verschuiven onder die blik. ‘Je bent altijd hartstochtelijk geweest, Gawein. Net als je moeder en je zus. Impulsief, nooit zo berekenend als je broer.’

‘Galad is niet berekenend,’ zei Gawein. ‘Hij is besluitvaardig.’

‘Nee,’ zei Brin. ‘Misschien heb ik me verkeerd uitgedrukt; Galad is misschien niet berekenend, maar hij is ook niet impulsief. Als je impulsief bent, handel je zonder zorgvuldig na te denken; Galad heeft overal heel goed over nagedacht. Zo heeft hij zijn eigen erecode bepaald. Hij kan snel en besluitvaardig handelen omdat hij al van tevoren heeft besloten wat hij zal doen.

Jij handelt vanuit je hartstocht. Je handelt niet naar hoe je denkt, maar vanuit je gevoel. Halsoverkop. Dat geeft je kracht. Je kunt optreden als het nodig is, en dan later in het reine komen met de gevolgen. Je intuïtie is meestal goed, net als die van je moeder. Maar daarom heb je nooit hoeven omgaan met wat je moet doen wanneer je intuïtie je de verkeerde kant uit leidt.’ Gawein merkte dat hij knikte.

‘Maar jongen,’ zei Brin, en hij boog zich naar voren. ‘Een man is meer dan één drift, één doel. Geen enkele vrouw wil dat in een man. Het lijkt mij dat mannen die proberen om iets van zichzelf te maken – in plaats van hun toewijding uit te spreken – degenen zijn die ergens komen. Zowel bij vrouwen als in het leven zelf.’ Brin wreef over zijn kin. ‘Dus als ik al raad voor je heb, dan is het dit: zoek uit wie je zou zijn zonder Egwene, en daarna hoe je haar daar in kunt passen. Volgens mij is dat wat een vrouw...’