Выбрать главу

‘Ben je nu ineens een deskundige op het gebied van vrouwen?’ vroeg een nieuwe stem.

Gawein draaide zich verbaasd om en zag dat Siuan Sanche de deur openduwde.

Brin was niet van zijn stuk gebracht. ‘Je staat al lang genoeg te luisteren om te weten dat het gesprek daar niet over ging, Siuan.’ Siuan snoof en kwam de kamer in met een pot thee. ‘Je hoort in bed te liggen,’ zei ze, en na een vluchtige blik negeerde ze Gawein verder.

‘Dat is waar,’ zei Brin achteloos. ‘Vreemd genoeg onderwerpen de behoeften van het land zich niet aan mijn grillen.’

‘Kaarten kun je ook ’s ochtends bestuderen.’

‘En ook ’s nachts. En ’s middags. Elk uur dat ik eraan besteed, kan roeden van terrein opleveren als de Trolloks doorbreken.’ Siuan zuchtte luid, gaf hem een kom aan en schonk thee voor hem in, die rook naar wolkbessen. Het was bepaald vreemd om Siuan – die er vanwege haar stilling uitzag als een vrouw van Gaweins leeftijd – de grijze generaal Brin te zien bemoederen. Siuan wendde zich tot Gawein toen Brin de thee aanpakte. ‘En jij, Gawein Trakand,’ zei ze. ‘Jou wilde ik al spreken. Bevelen geven aan de Amyrlin, haar vertellen wat ze moet doen? Eerlijk. Mannen schijnen soms te denken dat vrouwen niets meer zijn dan hun persoonlijke boodschappers. Jullie verzinnen allerlei belachelijke voornemens en verwachten dan van ons dat wij die uitvoeren.’ Ze keek hem aan, maar ze scheen geen andere reactie van hem te verwachten dan dat hij beschaamd zijn ogen neersloeg. Gawein gaf haar haar zin en blies haastig de aftocht om verdere standjes voor te zijn.

Hij was niet verbaasd om wat Brin had gezegd. Die man was altijd stelselmatig, en hij had dezelfde dingen al eerder tegen Gawein gezegd. Nadenken in plaats van impulsief zijn; weloverwogen handelen. Maar hij had wéken nagedacht en zijn gedachten waren in kringetjes gegaan als vliegen die opgesloten zaten in een pot. Hij was nergens gekomen.

Gawein liep door de gangen en zag Chubains wachters op regelmatige afstanden van elkaar staan. Hij hield zich voor dat hij mét op weg was naar Egwene; hij deed alleen een ronde langs de wachters. En toch bevond hij zich al snel in een gang vlak bij de vertrekken van de Amyrlin. Nog maar één gang verder. Hij zou even snel bij haar gaan kijken en...

Gawein verstijfde. Waar ben ik mee bezig? dacht hij. Veel van zijn zenuwen van vannacht werden veroorzaakt doordat hij niet wist of Egwene wel fatsoenlijk werd bewaakt. Hij zou pas kunnen slapen als...

Nee, berispte hij zichzelf. Deze keer zal ik doen wat ze vraagt. Hij draaide zich om en wilde vertrekken.

Een geluid deed hem aarzelen en achteromkijken. Voetstappen en ruisende kleding. Het was te laat voor Novices, maar er waren misschien bedienden op pad met late maaltijden. Brin en Gawein waren niet de enigen in de Witte Toren die er ongebruikelijke uren op na hielden.

Hij hoorde het weer. Heel zacht, nauwelijks hoorbaar. Fronsend trok Gawein zijn laarzen uit en sloop naar de hoek om eromheen te gluren. Er was niets te zien. Egwenes deur – met gouden inlegsel in de vorm van Avendesora – was gesloten en de gang verlaten. Zuchtend schudde Gawein zijn hoofd en leunde tegen de muur om zijn laarzen weer aan te trekken. Hij wenste dat Egwene in ieder geval Chubains wachters bij haar deur toeliet. Dat ze die onbewaakt liet, was... Er bewoog iets in de schaduw net voorbij Egwenes deur. Gawein verstarde. Er was daar niet veel duisternis, alleen maar een schaduw van een paar duim breed, geworpen door een nis. Maar terwijl hij naar die plek keek, had hij moeite zijn ogen erop gericht te houden. Zijn blik gleed ervan af als een klontje boter op een hete knolraap. Het leek wel... het leek wel alsof die donkere vlek groter was dan hij aanvankelijk had gedacht. Waarom kon hij er niet recht naar kijken?

Er volgde een flits van beweging, en toen draaide er iets door de lucht. Gawein dook opzij, en staal raakte steen. Met één laars aan, liet hij de andere vallen en trok zijn zwaard. Het mes dat op zijn hart af was gegooid, stuiterde over de tegelvloer.

Gawein gluurde gespannen om de hoek. Iemand vluchtte door de gang. Iemand die helemaal in het zwart was gekleed, met een kap over zijn hoofd.

Hij zette de achtervolging in met het zwaard voor zich uit, pompende armen en onhandig lopend op één laars en één sok. De moordenaar was buitengewoon snel. Gawein sloeg brullend alarm, liet zijn stem door de stille gangen van de Toren galmen, en toen ging hij linksaf. De moordenaar zou een bocht moeten maken en hier rechts de gang in moeten komen.

Gawein stormde een volgende gang in en volgde een richting waardoor hij de moordenaar zou moeten onderscheppen. Hij rende slippend de hoek om.

De gang was verlaten. Had de moordenaar zich omgedraaid? Gawein vloekte terwijl hij verder rende en aan het einde weer in de eerste gang terechtkwam. Er was niemand. Een deur ergens? Alles liep hier dood. Als Gawein wachtte tot er hulp kwam... Nee, dacht hij, en hij draaide zich om. Duisternis. Zoek naar duisternis. Bij een deur links van hem zag hij een diepe, donkere vlek. Veel te klein voor een persoon, maar hij kreeg datzelfde gevoel van verwarring toen hij ernaar keek.

Iemand sprong naar voren en liet een zwaard op Gaweins hoofd af zwaaien. Hij voerde snel Klieven van het riet uit en sloeg de aanval af. De moordenaar was veel kleiner dan Gawein, dus hij had een groot voordeel moeten hebben met zijn bereik. Maar de man was angstaanjagend snel en zijn zwaard schoot op Gawein af in een reeks van uithalen, alleen niet in zwaardvormen die Gawein herkende. Gawein ging over in Draaien van de wind, aangezien hij gedwongen was te reageren alsof hij omsingeld werd. Hij kon de aanvaller amper van zich af houden. In de verte hoorde hij geschreeuw van wachters die reageerden op zijn roep. Hij schreeuwde nog eens. Hij bespeurde frustratie in de bewegingen van de aanvaller; de moordenaar had verwacht Gawein snel te verslaan. Nou, Gawein had hetzelfde verwacht, maar het kostte hem moeite om zich op deze tegenstander te richten. Gaweins slagen – als hij die kon maken – raakten lucht in plaats van een lichaam.

Gawein wrong zich opzij en hief zijn kling voor Ever snelt de berg af. Maar dat gaf de moordenaar een opening; hij smeet nog een mes op Gawein af en dwong hem opzij.

Het mes kletterde tegen de muur en zijn tegenstander vluchtte de gang door. Gawein rende achter hem aan, maar kon hem niet bijhouden. Weldra was de moordenaar ver weg en naar links verdwenen. Die richting leidde naar een reeks van kruisingen. Wat een snelheid, dacht Gawein, die bleef staan en met zijn handen op zijn knieën hijgend op adem kwam. Het is onnatuurlijk. Twee wachters van Chubain kwamen even later aan, met zwaarden in de aanslag. Gawein wees. ‘Sluipmoordenaar. Stond af te luisteren bij Egwenes deur. Ging die kant op.’

Een van hen rende in de richting waarin hij wees. De ander haastte zich weg om alarm te slaan.

Licht! dacht Gawein. Stel dat ik hem niet had gestoord tijdens het afluisteren? Stel dat ik hem pas op weg naar buiten was tegengekomen?

Gawein rende naar Egwenes deur en zijn vermoeidheid verliet hem. Met getrokken zwaard voelde hij aan de klink. De deur zat niet op slot!

‘Egwene!’ riep hij. Hij smeet de deur open en sprong de kamer in. Er volgde een plotselinge uitbarsting van licht en een denderend geluid. Gawein werd gewikkeld in iets heel sterks: onzichtbare koorden die hem de lucht in sleepten. Zijn zwaard viel op de grond en zijn mond werd gevuld met een ongeziene kracht. En zo hing hij nu aan de zoldering, ontwapend, worstelend, terwijl de Amyrlin zelf haar slaapkamer uitliep. Ze was wakker en volledig gekleed in een scharlakenrood gewaad afgezet met goud. Ze keek niet blij.

Mart zat bij de haard in de herberg en wenste dat het vuur wat minder warm was. Hij voelde de hitte ervan door zijn haveloze jas en witte hemd, waaronder hij een dikke arbeidersbroek droeg. De laarzen aan zijn voeten hadden goede zolen, maar de zijkanten waren sleets. Hij had zijn hoed niet op, en zijn halsdoek was over de onderste helft van zijn gezicht getrokken terwijl hij in de stoel van bergeik achteroverleunde.

Elayne had nog altijd zijn penning. Hij voelde zich naakt zonder dat ding. Er stond een kort zwaard tegen zijn stoel aan, maar dat was meer voor het vertoon. Een onschuldige wandelstok stond ernaast; die zou hij liever gebruiken, of de messen verborgen onder zijn jas. Maar een zwaard was zichtbaarder en zou zorgen dat schurken die door de straten van Laag Caemlin zwierven wel twee keer nadachten voor ze hem aanvielen.