Выбрать главу

‘Ik weet waarom je naar hem vraagt,’ zei Chet. Je kon lui zoals Chet in bijna elke taveerne vinden. Oud genoeg om mannen van Marts leeftijd geboren te zien worden, opgroeien en sterven, en bereid om over al die jaren te praten als je ze voldoende te drinken gaf. En vaak ook als je dat niet deed.

De stoppels op Chets lange gezicht waren zilverachtig en hij droeg een scheve muts op zijn hoofd. Zijn verstelde jas was ooit zwart geweest, en het rood met witte teken op zijn borstzak was te flets geworden om te lezen. Het was vagelijk militair, en je kreeg littekens zoals die dikke, vurige strepen op zijn wang en in zijn hals meestal niet van een kroeggevecht.

‘Ja,’ vervolgde Chet, ‘er zijn er veel die vragen naar de leider van de Bond. Nou, ik stel die kroes bier op prijs, dus ik zal je wat goede raad geven. Je ziet eruit alsof je weet hoe je dat zwaard moet gebruiken, maar het zou stom van je zijn om die vent uit te dagen. Prins van de Raven, Heer van het Geluk. Hij heeft de dood zelf in de ogen gekeken en gedobbeld om zijn toekomst, die vent. Nog nooit een gevecht verloren.’

Mart zei niets. Hij leunde achterover in zijn stoel. Dit was zijn vierde taveerne vanavond, en in drie ervan had hij geruchten gehoord over Martrim Cauton. Waar nauwelijks een spat waarheid in zat. Bloed en bloedas!

O, natuurlijk, er werden ook verhalen verteld over andere mensen. De meeste over Rhand, die elke keer de kleuren lieten wervelen als Mart ze hoorde. Tyr was in handen gevallen van de Seanchanen. Nee, Illian. Nee, Rhand had hen allemaal verslagen en vocht nu de Laatste Slag uit. Nee! Hij bezocht vrouwen in hun slaap en maakte hen zwanger. Nee, dat was de Duistere. Nee, Mart was de Duistere!

Stomme verhalen. Ze moesten Mart met rust laten. Sommige kon hij herleiden naar de Bond; zoals dat verhaal over een stad vol ontwakende doden. Maar veel mensen beweerden dat ze die verhalen gehoord hadden van hun oom, neef of tante.

Mart gooide Chet een koperstuk toe. De man tikte beleefd tegen zijn hoed en ging nog iets te drinken voor zichzelf halen. Mart had geen zin om te drinken. Hij had het vermoeden dat die tekeningen van hem een deel van de reden waren waarom de verhalen zich zo snel verspreidden. In de laatste taveerne die hij had bezocht, had iemand zelfs een exemplaar van de schets tevoorschijn gehaald – opgevouwen en gekreukeld – en die hem laten zien. Niemand had hem echter tot nog toe herkend.

Het vuur in de haard knetterde. Laag Caemlin dijde uit, en ondernemende mensen hadden ontdekt dat je een leuke winst kon maken door kamers en drank aan te bieden aan de tijdelijke bezoekers. Dus waren sloppen veranderd in taveernes, en die waren uitgegroeid tot echte herbergen.

Er was een grote vraag naar hout en veel troepen huurlingen hadden zich op het houthakken gericht. Sommige deden eerlijk werk en betaalden schattingen aan de koningin over hun winst. Andere werkten minder wetmatig. Er waren al mensen om opgehangen. Wie had dat ooit gedacht? Mannen die de strop kregen omdat ze bomen stroopten? Wat zou er nog volgen? Terechtstellingen van mensen die zand hadden gestolen?

Laag Caemlin was ingrijpend veranderd, er waren wegen ontstaan en gebouwen werden vergroot. Over een paar jaar zou Laag Caemlin een stad op zich zijn! Ze zouden nóg een muur moeten bouwen om alles te omsluiten.

Het rook in de gelagkamer naar vuil en zweet, maar niet erger dan in andere taveernes. Gemorste drank werd snel opgeruimd en de diensters leken blij te zijn met het werk. Een van hen glimlachte ingetogen naar hem, vulde zijn kroes bij en liet een stukje van haar enkel zien. Mart prentte zich haar goed in; zij zou wel iets voor Talmanes kunnen zijn.

Mart tilde zijn halsdoek een stukje op om een slok te kunnen nemen. Hij voelde zich voor schut staan met die halsdoek zo om. Maar het was te warm voor een mantel met kap en van die baard was hij gek geworden. Zelfs met de halsdoek om zijn gezicht viel hij niet al te veel op in Laag Caemlin; hij was niet de enige kerel die zijn gezicht verborgen hield. Hij zei dat hij een lelijk litteken had dat hij wilde verbergen; anderen namen aan dat er een prijs op zijn hoofd stond. Helaas waren allebei die dingen waar.

Hij bleef een tijdje naar de dansende vlammen in de haard zitten staren. Chets waarschuwing gaf Mart een onbehaaglijk gevoel in zijn buik. Hoe groter zijn faam werd, hoe waarschijnlijker het werd dat iemand hem zou uitdagen. Je zou beroemd kunnen worden door de Prins van de Raven te doden. Hoe waren ze aan die naam gekomen? Bloed en bloedas!

Iemand kwam bij hem staan bij het vuur. Noal, slungelig en knokig, leek wel een vogelverschrikker die zichzelf had afgestoft en had besloten de stad in te gaan. Ondanks zijn witte haar en gelooide gezicht was Noal nog net zo kwiek als mannen die half zo oud waren als hij. Althans, wanneer hij een wapen in zijn handen had. Op andere ogenblikken leek hij zo klunzig als een muilezel in een fraaie eetzaal.

‘Je bent nogal een beroemdheid,’ zei Noal tegen Mart terwijl hij zijn handen uitstak naar het vuur. ‘Toen je op me stuitte in Ebo Dar, had ik geen flauw benul in wat voor beroemd gezelschap ik me bevond. Geef dit nog een paar maanden en je naam is groter dan die van Jaim Kimstapper.’

Mart schoof dieper omlaag in zijn stoel.

‘Mensen denken altijd dat het geweldig moet zijn om in elke taveerne en elke stad bekend te zijn,’ zei Noal zachtjes. ‘Maar ik mag branden als het niet alleen maar een ergernis is.’

‘Wat weet jij daarvan?’

‘Jaim klaagde erover,’ antwoordde Noal.

Mart gromde. Even later kwam Thom aan. Hij was gekleed als de dienaar van een koopman, in blauwe kleding die niet al te fraai was, maar ook niet haveloos. Hij beweerde naar Laag Caemlin gekomen te zijn om te kijken of zijn meester hier een winkel zou moeten openen.

Thom droeg zijn vermomming met verve, draaide zijn snor met was in punten en sprak met een vage Morlandse tongval. Mart had aangeboden een achtergrondverhaal te verzinnen voor zijn rol, maar Thom had gehoest en gezegd dat hij er al een had uitgewerkt. Stomme leugenaar van een speelman.

Thom schoof een stoel bij en ging nuffig zitten, als een dienaar met veel eigendunk. ‘Ach, wat was dat tijdverspilling! Mijn meester dwingt me om te gaan met zulk gepeupel! En hier tref ik nog wel het ergste stel aan.’ Noal grinnikte zachtjes.

‘Was ik maar,’ vervolgde Thom op dramatische toon, ‘naar het kamp gestuurd van de verheven, ongelooflijke, onverwoestbare, beroemde Martrim Cauton! Dan zou ik beslist...’

‘Bloedvuur, Thom,’ zei Mart. ‘Laat een man in stilte lijden.’ Thom lachte, wenkte een dienster en bestelde drankjes voor hen alle drie. Hij gaf haar een extra muntje en vroeg zachtjes of ze kon zorgen dat nieuwsgierige lieden niet te dicht bij de haard in de buurt kwamen.

‘Weet je zeker dat je hier wilt praten?’ vroeg Noal. ‘Het kan hier wel,’ zei Mart. Hij wilde zich niet in het kamp laten zien, voor het geval dat de gholam hem daar weer zou komen zoeken.

‘Goed dan,’ zei Noal. ‘We weten waar de toren is en kunnen er komen, als Mart een Poort voor ons kan regelen.’

‘Dat kan ik,’ antwoordde Mart overtuigd.

‘Ik heb niemand kunnen vinden die er binnen is geweest,’ vervolgde Noal.

‘Sommige mensen zeggen dat het er spookt,’ zei Thom, die uit zijn beker slurpte. ‘Anderen zeggen dat het een relikwie is uit de Eeuw der Legenden. Ze zeggen dat de wanden van glad staal zijn, zonder openingen. Ik heb wel de jongste zoon van een kapiteinsweduwe gesproken, die eens een verhaal had gehoord over iemand die grote schatten had gevonden in de toren. Hij zei alleen niet hoe die knaap binnen was gekomen.’

‘We wéten hoe we binnen moeten komen,’ zei Mart.

‘Olvers verhaal?’ vroeg Noal sceptisch.

‘Het is het beste wat we hebben,’ zei Mart. ‘Luister, het spelletje en het rijmpje gaan over de Aelfinn en Eelfinn. Vroeger waren de mensen van hen op de hoogte. Die doorgangen zijn daar het bewijs van. Dus hebben ze dat spel en het rijmpje achtergelaten als waarschuwing.’