Выбрать главу

‘Dat spelletje is niet te winnen, Mart,’ zei Noal, wrijvend over zijn gelooide kin.

‘En dat is het punt ook. Je moet vals spelen.’

‘Maar misschien moeten wij proberen een overeenkomst te sluiten,’ zei Thom, spelend met de punten van zijn snor. ‘Ze hebben jou ook antwoorden gegeven op je vragen.’

‘Verrekt frustrerende antwoorden,’ gromde Mart. Hij had Thom en Noal nog altijd niets verteld over zijn vragen. ‘Maar ze gaven wél antwoord,’ zei Thom. ‘Het klinkt alsof ze een of andere afspraak hadden met de Aes Sedai. Als we wisten wat de Aes Sedai hadden dat de slangen en vossen wilden hebben – de reden dat ze bereid waren te onderhandelen – dan konden we hun dat misschien aanbieden in ruil voor Moiraine.’

‘Als ze nog leeft,’ zei Noal grimmig.

‘Ze leeft nog,’ zei Thom, die recht voor zich uit keek. ‘Het Licht geve het. Ze moet nog leven.’

‘We weten wat ze willen.’ Mart keek in de vlammen. ‘Wat dan?’ vroeg Noal.

‘Ons,’ antwoordde Mart. ‘Luister, ze weten heus wel wat er gaat gebeuren. Ze deden het bij mij, en ze deden het bij Moiraine, als die brief een aanwijzing is. Ze wisten dat ze een brief voor je zou achterlaten, Thom. Ze wisten het. En toch beantwoordden ze haar vragen.’

‘Misschien hadden ze geen keus,’ zei Thom.

‘Ja, maar ze hoeven geen duidelijk antwoord te geven,’ zei Mart. ‘Dat deden ze bij mij ook niet. Ze antwoordden in de wetenschap dat zij bij hen terug zou komen. En ze gaven mij wat ze me gaven ook in de wetenschap dat ik naar hen terug gelokt zou worden. Ze willen mij. Ze willen ons.’

‘Dat weet je niet zeker, Mart.’ Thom zette zijn kroes bier op de vloer tussen zijn voeten en pakte zijn pijp. Rechts van Mart juichten mannen bij een dobbelspel. ‘Ze kunnen wel vragen beantwoorden, maar dat betekent niet dat ze alles weten. Het kan net zoiets zijn als de voorspellingen van de Aes Sedai.’

Mart schudde zijn hoofd. Die schepsels hadden herinneringen in zijn hoofd gestopt. Hij dacht dat het herinneringen waren van mensen die de toren hadden aangeraakt of erbinnen waren geweest. De Aelfinn en de Eelfinn hadden die herinneringen gehad, en verdomd, die van hem hadden ze nu waarschijnlijk ook. Konden ze hem zien, door zijn ogen kijken?

Hij wenste opnieuw dat hij zijn penning had, hoewel die tegen hen niets zou uithalen. Het waren geen Aes Sedai; ze geleidden niet. ‘Ze weten wél dingen, Thom,’ zei Mart. ‘Ze kijken toe. We kunnen ze niet verrassen.’

‘Dat maakt ze dan lastig te verslaan,’ zei Thom, die een twijgje aanstak bij het vuur en daarmee weer zijn pijp aanstak. ‘We kunnen niet winnen.’

‘Behalve als we de regels overtreden,’ herhaalde Mart.

‘Maar dat zullen ze dan ook weten,’ zei Thom, ‘als klopt wat jij zegt.

Dus moeten we met ze onderhandelen.’

‘En wat schreef Moiraine, Thom?’ vroeg Mart. in die brief die je elke avond leest?’

Thom pufte aan zijn pijp en legde verstrooid zijn hand op zijn borstzak, waar hij de brief bewaarde. ‘Ze zei dat we moesten onthouden wat we van het spel wisten.’

‘Ze weet dat je niet kunt winnen als je met hen onderhandelt,’ zei Mart. ‘Geen ruil, Thom, geen afspraken. We gaan vechtend naar binnen, en we vertrekken pas als we haar hebben.’ Thom aarzelde even, maar toen knikte hij en blies rook uit. ‘Moed voor versterking,’ zei Noal. ‘Nou, daarvan hebben we genoeg, met Marts geluk.’

‘Je hoeft hier geen deel van uit te maken, weet je, Noal,’ zei Mart. ‘Je hebt geen reden om jezelf in gevaar te brengen.’

‘Ik ga mee,’ zei Noal. ik heb al veel plekken gezien. De meeste plekken, eigenlijk. Maar daar ben ik nooit geweest.’ Hij aarzelde. ‘Het is iets wat ik moet doen, punt uit.’

‘Goed dan,’ zei Mart.

‘Vuur voor verblinding,’ vervolgde Noal. ‘Wat hebben we?’

‘Lantaarns en fakkels,’ antwoordde Mart, die met zijn voet tegen een zak naast zijn stoel porde. ‘En een paar van die vuurstokken van Aludra, zodat we licht op ze kunnen werpen. En nog een paar verrassingen van haar.’

‘Vuurwerk?’ vroeg Noal.

‘En een paar van die ontploffende kokers die we tegen de Seanchanen hebben gebruikt. Zij noemt ze brulstaven.’ Thom floot. ‘Heeft ze je die gegeven?’

‘Twee. Toen ik haar vertelde over Elaynes afspraak met ons, was ze bereid me bijna alles te geven waar ik om vroeg.’ Mart trok een grimas. ‘Ze wilde zelf meekomen om ze aan te steken, geloof het of niet! Bloedvuur, maar dat gesprek ging er tot aan het einde verhit aan toe. Maar we hebben een heleboel nachtbloemen.’ Hij tikte met de zijkant van zijn laars tegen de zak naast zijn stoel. ‘Heb je ze méégebracht?’ vroeg Thom.

‘Ik wilde ze bij me in de buurt houden,’ zei Mart. ‘En Aludra gaf ze me pas vandaag. Ze ontploffen heus niet per ongeluk, Thom. Dat gebeurt niet zo vaak.’

‘Nou, zet ze dan in ieder geval verder weg van de haard!’ riep Thom uit. Hij keek naar zijn pijp, vloekte en schoof zijn kruk een stukje bij Mart vandaan.

‘En dan,’ zei Noal, ‘muziek voor verbijstering.’

‘Ik heb van alles,’ zei Thom. ‘Ik neem mijn harp en fluit mee, maar ik heb ook een paar handtrommels en handbekkens. Die kun je aan je been binden en met één hand bespelen. Ik heb ook een extra fluit.’

Hij keek Mart aan. ‘Een eenvoudige, voor mensen met dikke, trage vingers.’

Mart snoof.

‘En uiteindelijk ijzer voor binding,’ zei Noal, die zelf ook een ransel naar voren schoof. Het kletterde zachtjes toen hij de bovenkant losmaakte, en de inhoud weerspiegelde het dieporanje licht van de haard. ‘Een stel werpmessen voor elk van ons, en twee korte zwaarden. Allebei van ijzer, zonder staal. Ik heb ook een paar kettingen en een ijzeren band die om de steel van Marts speer kan worden geklemd. Maar dat verandert misschien het evenwicht.’

‘Geen punt,’ zei Mart.

Noal sloot de ransel weer en de drie bleven een tijdje zwijgend zitten. Ergens waren de dingen die ze hadden verzameld een illusie. Een manier om zichzelf gerust te stellen dat ze iéts ter voorbereiding deden.

Maar Mart herinnerde zich die kronkelende plekken voorbij de doorgangen, de hoeken die niet klopten, het onnatuurlijke landschap. De schepsels die slangen en vossen werden genoemd omdat ze anders niet te beschrijven waren.

Die plek was een andere wereld. De voorbereidingen die hij samen met Thom en Noal trof konden helpen, maar ze konden ook zinloos zijn. Het viel niet te bepalen totdat ze die toren in stapten. Het voelde als niet weten of je het juiste tegengif had terwijl de tanden van de slang al in je arm gebed zaten.

Uiteindelijk wenste hij de andere twee goedenacht. Noal ging terug naar het kamp van de Bond, dat nu nog maar op tien minuten rijden van de stad lag. Thom vergezelde hem en ze namen Marts zak vol nachtbloemen mee; hoewel beide mannen keken alsof ze liever met een zak vol spinnen zouden slepen.

Mart gespte zijn zwaardriem om zijn jas, pakte zijn wandelstok en liep terug naar zijn herberg. Hij ging er echter niet rechtstreeks naartoe, maar nam een omweg door de stegen en straten. Hutten en tenten waren opgericht naast gebouwen terwijl de stad-buiten-de-stad zich langs de muren uitspreidde als schimmel op een broodkorst. De hemel was donker, maar het was druk op straat en klantenlokkers riepen vanuit de verlichte deuropeningen van herbergen. Mart zorgde ervoor dat zijn korte zwaard zichtbaar was. Er waren veel mensen die ’s nachts een eenzame wandelaar zouden overvallen, vooral buiten de stadsmuren, waar de arm van de wet een beetje slap was. De lucht rook naar naderende regen, maar dat was tegenwoordig vaak zo. Hij wenste dat het ofwel zou gaan regenen, of eindelijk eens opklaarde. Het voelde alsof de lucht zijn adem inhield en ergens op wachtte. Een klap die nooit kwam, een klok die nooit luidde, dobbelstenen die nooit ophielden met draaien. Net als de dobbelstenen die door zijn hoofd ratelden.