Hij voelde aan de brief van Verin in zijn zak. Zouden de dobbelstenen stilvallen als hij hem opende? Misschien schreef ze iets over de gholam. Als hij niet snel zijn penning ophaalde bij Elayne, zou dat monster hem waarschijnlijk opsporen en zijn ingewanden uitrukken. Bloedas. Hij had zin om een tijdje te gaan drinken en te vergeten wie hij was; en wie mensen dachten dat hij was. Maar als hij dronken werd, liet hij misschien per ongeluk zijn gezicht zien. Dan ging hij misschien wel praten over wie hij werkelijk was. Je kon nooit voorspellen wat een man zou doen als hij dronken was, zelfs niet al was je die man zelf.
Hij liep door de stadspoorten naar de Nieuwe Stad. Er hing een mist in de lucht die nog net geen regen was, alsof de hemel naar zijn geklaag had geluisterd en had besloten een beetje over hem heen te miezeren.
Heerlijk, dacht hij, gewoonweg heerlijk.
De plaveistenen werden al snel vochtig van de niet-regen, en rondom de straatlantaarns gloeiden bollen van een nevelig waas. Mart dook ineen, met die halsdoek nog altijd over zijn gezicht alsof hij een verrekte Aielman was. Had hij het even geleden niet nog te warm gehad?
Hij wilde net zo graag als Thom eindelijk op zoek gaan naar Moiraine. Ze had een puinhoop van zijn leven gemaakt, maar Mart nam aan dat hij haar daar wel iets voor verschuldigd was. Beter leven in deze puinhoop dan vastzitten in Tweewater, met een saai leven waarvan hij niet eens besefte hoe saai het was. Mart was niet zoals Perijn, die al treurde over hun vertrek uit Tweewater voordat ze zelfs maar in Baerlon waren aangekomen. Een beeld van Perijn flitste door zijn hoofd, en Mart verjoeg het.
En hoe zat het met Rhand? Mart zag hem op een mooie stoel zitten en naar de vloer staren, in een donkere kamer waar een enkele lamp flakkerde. Hij zag er afgemat uit, zijn ogen groot en zijn gezicht grimmig. Mart schudde zijn hoofd om ook dat beeld te verjagen. Arme Rhand. Die kerel dacht waarschijnlijk inmiddels dat hij een zwarte fret was of zoiets, knagend aan dennenappels. Maar waarschijnlijk een zwarte fret die wenste dat hij in Tweewater woonde. Nee, Mart wilde niet terug. Er was geen Tuon thuis in Tweewater. Licht, nou, hij zou moeten bedenken wat hij met Tuon aan moest. Maar hij wilde niet van haar af. Als ze nog bij hem was, zou hij zich zonder klagen Speeltje laten noemen. Althans, zonder al te veel te klagen.
Maar eerst Moiraine. Hij wenste dat hij meer wist over de Aelfinn en Eelfinn en hun stomme toren. Niemand wist daarvan, niemand vertelde meer dan legenden, niemand had iets nuttigs te zeggen... ... niemand behalve Birgitte. Mart bleef op straat staan. Birgitte. Zij was degene die Olver had verteld hoe je in de toren kon komen. Hoe wist ze dat?
Scheldend op zichzelf liep hij in de richting van de Binnenstad. De drukte op de straten, die hem had belemmerd voordat de bijnaregen begon, nam af. Weldra had Mart het gevoel dat hij de hele stad voor zichzelf had; zelfs de beurzensnijders en bedelaars verborgen zich.
Om de een of andere reden maakte hem dat nog onbehaaglijker dan wanneer er naar hem werd gestaard. Het was onnatuurlijk. Iemand had hem verdomme in ieder geval moeten proberen te schaduwen om te kijken of hij het beroven waard was. Weer verlangde hij naar zijn penning. Het was stom geweest om dat ding uit handen te geven. Hij had beter zijn eigen hand kunnen afhakken en die aan Elayne kunnen geven als betaling, verdomme! Was de gholam daar ergens in de duisternis?
Er hadden schurken op straat moeten zijn. Het barstte ervan in steden. Dat was verdomme zo goed als een voorwaarde om een stad te worden genoemd. Een gemeentehuis, een paar herbergen en taveernes, en een paar kerels met gehavende koppen die als enig doel hadden om je in de modder te vertrappen en je geld uit te geven aan drank en vrouwen.
Hij kwam langs een plein en ging door de Steenhouwerspoort de Binnenstad in. De witte boog leek bijna te gloeien, glad van de regen in het fantoomlicht van de maan achter de wolken. Marts vechtstok tikte op de plaveistenen. De poortwachters zaten ineengedoken en stilletjes in hun mantels. Ze leken wel standbeelden in plaats van mensen. Het voelde hier als in een grafkelder. Een stukje voorbij de poort kwam hij langs een steegje en aarzelde. Hij dacht dat hij een groep schimmige gestalten zag. Aan weerskanten verrezen hoge gebouwen; grootse bouwwerken van de Ogier. Er klonk een grom in het steegje. ‘Een beroving?’ vroeg Mart opgelucht.
Een reusachtige gestalte in het steegje keek om. Het maanlicht onthulde een kerel met donkere ogen en een lange mantel. Hij scheen stomverbaasd dat Mart daar stond. Hij wees met een dikke vinger, en drie van zijn kameraden gingen op Mart af. Mart ontspande zich en veegde regenwater van zijn voorhoofd. Dus er waren vannacht tóch schurken op pad. Wat een opluchting. Hij had zich druk gemaakt om niets!
Een van de schurken haalde met zijn knuppel naar Mart uit. Mart had het korte zwaard met opzet op zijn rechterheup gedragen; de schurk hapte, aannemend dat Mart het wapen zou trekken. In plaats daarvan bracht Mart snel de vechtstok omhoog en sloeg met het uiteinde tegen het been van de man. De schurk struikelde, en Mart haalde uit naar zijn hoofd. De miezerregen, die nu bijna echte regen was, sproeide van de beurzensnijder af toen hij viel, waarna een van zijn kameraden over hem struikelde. Mart stapte achteruit en sloeg met de knop van de vechtstok op het hoofd van de struikelende kerel. Hij belandde boven op zijn kameraad. De derde schurk keek om naar zijn leider, die de kraag vast had van een slungelige man die Mart in het schemerduister amper kon zien. Mart maakte gebruik van de gelegenheid, sprong over het stapeltje bewusteloze boeven heen en haalde uit naar de derde man. Die bracht zijn knuppel omhoog om zijn hoofd te beschermen, dus sloeg Mart met zijn vechtstok op zijn voet. Toen draaide hij de stok om, sloeg de zwakke afweerpoging van de derde man opzij en legde hem neer met een klap in zijn gezicht.
Mart gooide achteloos een mes naar de leider van de bende, die nu op hem af stormde. De leider gorgelde, struikelde in de motregen en klauwde naar het mes in zijn hals. De anderen zou Mart bewusteloos achterlaten; arme drommels, misschien zouden ze hiervan een lesje leren en het rechte pad opgaan.
Mart stapte opzij toen de leider wankelend langskwam en uiteindelijk boven op zijn drie kameraden belandde. Mart schopte hem eraf, trok zijn mes los en maakte het schoon. Uiteindelijk keek hij naar het slachtoffer van de beroving. ‘Wat ben ik blij om jou te zien,’ zei Mart. ‘Eh... o ja?’ vroeg de man.
‘Zeker weten,’ antwoordde Mart, die zijn rug rechtte. ‘Ik dacht dat de dieven vannacht niet op pad waren. Een stad zonder beurzensnijders, nou, dat is net een akker zonder onkruid. En als er geen onkruid groeit, waar heb je dan een boer voor nodig? Verrekte ongastvrij, zeg ik je.’
De geredde man kwam op wankele benen naar voren struikelen. Hij scheen verward door wat Mart zei, maar hij pakte zijn hand vast. ‘Dank je!’ De man had een nasale stem. ‘Dank je heel, heel hartelijk.’ In het vage maanlicht zag Mart nog net een breed gezicht met een paardengebit en een merkwaardig mager lijf. Mart haalde zijn schouders op, zette zijn staf opzij, maakte zijn halsdoek los – die doorweekt begon te raken – en deed hem af. ‘Ik zou maar niet meer in je eentje ’s nachts op pad gaan als ik jou was, vriend.’
De man tuurde naar hem in de schemer. ‘Jij!’ zei hij met overslaande stem.
Mart kreunde. ‘Bloed en bloedas! Kan ik dan nérgens heen zonder...’ Hij brak zijn zin af toen de man naar voren sprong en er een dolk fonkelde in het zwakke maanlicht. Mart vloekte en zwiepte zijn halsdoek naar voren. De dolk raakte de stof in plaats van Marts buik, en Mart draaide snel zijn handen en wikkelde de dolk in de doek. De man slaakte een kreet. Mart liet de halsdoek los en pakte een stel messen, één in elke hand, die hij in een reflex gooide. Ze raakten zijn tegenstander in de ogen. Eén in elk oog. Licht! Mart had helemaal niet op zijn ogen gemikt. De man stortte ineen op de natte keien.
Mart bleef staan en ademde in en uit. ‘Moedermelk in een beker! Moedermelk in een beker, verdomme!’ Hij greep zijn vechtstok en keek om zich heen, maar de donkere straat was verlaten. ‘Ik red je leven. Ik red je leven, en jij probeert me neer te steken?’ Mart knielde bij het lijk neer. Toen, grimmig zeker van wat hij zou vinden, viste hij in de buidel van de man. Hij vond een paar munten – gouden munten – en een opgevouwen vel papier. Het maanlicht onthulde dat Marts gezicht erop stond. Hij maakte er een prop van en stak die in zijn zak.