Eén in elk oog, verdomme. Beter dan die kerel verdiende. Mart bond zijn halsdoek weer om, pakte zijn messen en liep de straat op, wensend dat hij die kerel gewoon aan zijn lot had overgelaten.
Birgitte sloeg haar armen over elkaar, leunde tegen een marmeren pilaar en keek toe terwijl Elayne genoot van een avondvoorstelling van ‘spelers’. Dergelijke groepen – die verhalen uitbeeldden – waren erg gewild geworden in Cairhien en probeerden nu ook door te breken in Andor. Een van de paleiszalen, waar barden optraden, was aangepast zodat de spelers er hun verhalen konden uitbeelden. Birgitte schudde haar hoofd. Wat had het voor zin om verzonnen verhalen uit te beelden? Waarom gingen ze niet zelf een paar verhalen beleven? Bovendien luisterde zij veel liever naar een bard. Hopelijk zou de gril van die ‘spelers’ snel wegebben. Dit verhaal was de hervertelling van het tragische huwelijk en de dood van prinses Walishen, gedood door beesten van de Schaduw. Birgitte kende de ballade, die de spelers hadden aangepast voor hun verhaal. In feite zongen ze er delen van tijdens hun optreden. Het was opmerkelijk hoe weinig dat lied in de loop der jaren veranderd was. Een paar andere namen, een paar andere noten, maar verder hetzelfde.
Ongeveer zoals haar eigen levens. Steeds opnieuw herhaald, maar met weinig variatie. Soms was ze een soldaat. Soms was ze een vrouw zonder strijdervaring die in een bos woonde. Ze was helaas ook een paar keer generaal geweest. Die taak liet ze liever aan een ander over. Ze was wachter geweest, nobele dief, adellijke vrouwe, boerin, moordenares en verlosser. Maar nooit eerder was ze Zwaardhand geweest. De onbekendheid ervan zat haar niet dwars; in de meeste van haar levens had ze geen wetenschap gehad van wat ervóór was gekomen. Wat ze nu uit haar voorgaande levens kon putten was een bonus, ja, maar ze had eigenlijk geen recht op die herinneringen. Dat voorkwam echter niet dat haar hart verwrong telkens als een van die herinneringen vervaagde. Licht! Als ze dan deze keer niet bij Gaidal kon zijn, mocht ze hem zich dan in ieder geval herinneren? I let leek wel alsof het Patroon niet wist wat het met haar aan moest. Ze was in dit leven gedwongen, waardoor andere draden terzijde waren geduwd, en had een onverwachte plek gevonden. Het Patroon probeerde haar erin te weven. Wat zou er gebeuren als alle herinneringen vervaagden? Zou ze dan wakker worden als volwassene zonder voorgeschiedenis? Die gedachte joeg haar meer angst aan dan elk slagveld.
Ze knikte naar een van de gardevrouwen, Kaila Krom, die langs de achterste rij van de provisorische schouwburg liep en haar een saluut bracht.
‘En?’ vroeg Birgitte. Ze stapte de hoek om om met Kaila te praten. ‘Niets te melden,’ zei Kaila. ‘Alles is goed.’ Ze was een slungelige vrouw met vurig haar en had zich heel gemakkelijk aangepast aan het dragen van de broek en jas van de gardevrouwen. ‘Of althans, alles is zo goed als het maar kan zijn terwijl we ons door De dood van prinses Walishen heen worstelen.’
‘Hou op met klagen,’ zei Birgitte, die een grimas onderdrukte toen de diva – zo noemden de spelers haar – aan een vrij schrille aria -zo noemde je een lied dat je in je eentje zong – begon. Waarom hadden die spelers zoveel namen voor allerlei dingen nodig? ‘Je had ook in de regen je ronde kunnen doen.’
‘Ja?’ vroeg Kaila gretig. ‘Waarom zei je dat niet eerder? Misschien word ik wel door de bliksem geraakt. Dat kan wel eens beter zijn dan dit.’
Birgitte snoof. ‘Ga verder met je rondes.’
Kaila salueerde en vertrok. Birgitte richtte zich weer op het schouwspel en leunde tegen de pilaar. Misschien had ze een beetje was moeten meenemen om in haar oren te stoppen. Ze keek naar Elayne. De koningin zat heel rustig te kijken naar het toneelstuk. Af en toe voelde Birgitte zich eerder een kindermeisje dan een lijfwacht. Hoe beschermde je een vrouw die af en toe zo vastberaden scheen te zijn om het leven te laten?
En toch was Elayne ook ontzettend vaardig. Zoals vanavond. Op een of andere manier had ze haar meest bittere tegenstreefster overgehaald om dit stuk bij te wonen. Dat was Ellorien, daar in die andere rij. Bij het laatste vertrek van die vrouw uit het paleis was ze zo bitter geweest dat Birgitte niet had verwacht dat ze nog zou terugkeren, behalve misschien in ketenen. En toch was ze hier. Dat wees op een politieke zet van Elayne die dertien stappen fijnzinniger was dan Birgitte kon doorzien.
Ze schudde haar hoofd. Elayne was een koningin. Hoe opvliegend ook. Ze zou goed zijn voor Andor. Gesteld dat Birgitte kon voorkomen dat haar goudharige hoofd van haar nek werd gescheiden. Na een tijdje van lijden onder het gezang, kwam Kaila weer terug.
Birgitte rechtte haar rug, nieuwsgierig geworden door de snelle passen van de vrouw. ‘Wat is er?’ vroeg ze zachtjes. ‘Je zag er verveeld uit,’ fluisterde Kaila, ‘dus dacht ik dat je dit wel zou willen horen. Onrust bij de Pruimenpoort.’ Dat was de zuidoostelijke ingang van het paleisterrein. ‘Iemand probeerde naar binnen te sluipen.’
‘Weer een bedelaar op zoek naar etensresten? Of een verspieder van een van de lagere heren, die hoopte af te luisteren?’
‘Ik weet het niet,’ zei Kaila. ‘Ik heb het nieuws uit de derde hand gehoord van Calison toen we elkaar op ronde tegenkwamen. Hij zei dat de wachters de indringer hebben ingerekend en bij de poort vasthouden.’
Birgitte keek opzij. Het leek erop dat er weer een lied ging beginnen. ‘Jij hebt hier het bevel; blijf hier en ontvang verslagen. Ik ga de benen strekken en bij die poort kijken.’
‘Neem een beetje was voor mijn oren mee als je terugkomt, wil je?’ Birgitte grinnikte, liep de zaal uit en stapte een wit-met-rood betegelde paleisgang in. Hoewel ze gardevrouwen en -mannen met extra bogen in de gangen had geplaatst, droeg Birgitte zelf een zwaard, want een poging tot een aanslag zou zeer waarschijnlijk omslaan in een handgemeen.
Birgitte draafde door de gang en keek door een raam waar ze langskwam. Het begon steeds harder te regenen. Volkomen troosteloos. Gaidal zou dit mooi weer hebben genoemd. Hij was dol op regen. Af en toe had ze gegrapt dat de motregen beter bij zijn gezicht paste, omdat hij dan minder snel kinderen bang zou maken. Licht, maar wat miste ze die man.
De meest rechtstreekse weg naar de Pruimenpoort ging door de bediendekwartieren. In veel paleizen was dat een deel van het gebouw dat eenvoudiger was, bedoeld voor minder belangrijke mensen. Maar dit gebouw was door Ogier neergezet, en die hadden een bijzondere kijk op dergelijke dingen. De marmeren stenen waren hier net zo mooi als overal elders, met mozaïektegels in rood en wit. De kamers, hoewel ze klein waren naar koninklijke maatstaven, waren elk groot genoeg voor een heel gezin. Birgitte at doorgaans liever in de grote, open eetzaal van de bedienden. Er brandden vier afzonderlijke haarden, strijdend tegen de naargeestige avond, en bedienden en gardisten die geen dienst hadden zaten hier te lachen en te praten. Sommige mensen zeiden dat je een monarch kon beoordelen aan de manier waarop hij of zij de dienaren behandelde. Als dat zo was, dan was het Andoraanse paleis ontworpen om het beste in de koninginnen die er heersten boven te halen. Birgitte liep met tegenzin de verlokkelijke etensgeuren voorbij en ging in plaats daarvan de koude zomerregen in. Het was geen stekende kilte. Alleen maar onbehaaglijk. Ze zette de kap van haar mantel op en liep over de gladde keien naar de Pruimenpoort. In het poorthuis was een oranje gloed te zien, en de gardisten die de wacht hielden stonden buiten in natte mantels, met hellebaarden naast hen. Birgitte beende naar het poorthuis toe, terwijl het water van de rand van haar kap droop, en bonsde op de dikke eiken deur. Hij werd geopend en onthulde het kale hoofd en de snor van Renald Stafdrager, dienstdoend sergeant. Hij was een potige man met grote handen en een rustige aard. Ze had bij hem altijd het gevoel dat hij ergens een schoenmakerswinkel zou moeten hebben, maar de wacht nam allerlei soorten mensen aan en betrouwbaarheid was vaak belangrijker dan vaardigheid met het zwaard. ‘Kapitein-generaal!’ riep hij uit. ‘Wat doet u hier?’