‘Nat worden,’ snauwde ze.
‘O, vergeef me!’ Hij stapte achteruit zodat ze het poorthuis kon betreden. Er was één drukke kamer. De soldaten hadden stormdienst; wat betekende dat er twee keer zoveel mannen bij de poort werkten als gebruikelijk, maar ze hoefden slechts een uur buiten te staan voordat ze weer werden afgelost door de mannen die warm in het poorthuis zaten.
Er zaten drie gardisten aan tafel. Ze gooiden dobbelstenen in een dobbeldoos terwijl een ijzeren stoof met een open voorkant hout verteerde en thee opwarmde. Bij de vier soldaten zat een pezige man met een zwarte halsdoek over de onderzijde van zijn gezicht. Zijn kleding was sjofel, en op zijn hoofd had hij een bos vochtig bruin haar dat alle kanten op stond. Bruine ogen keken Birgitte aan over de rand van de halsdoek, en de man zakte een stukje onderuit in zijn stoel.
Birgitte trok haar mantel uit en schudde het regenwater eraf. ‘Dit is jullie indringer, neem ik aan?’
‘Ja, inderdaad,’ zei de sergeant. ‘Waar hebt u dat gehoord?’ Ze bekeek de indringer. ‘Hij probeerde het paleisterrein op te glippen, en nu dobbelen jullie met hem?’
De sergeant en de andere mannen keken schaapachtig naar de grond. ‘Ach, vrouwe...’
‘Ik ben geen vrouwe.’ Deze keer niet, althans, dacht ze erachteraan, ik wérk voor de kost.’
‘Eh, ja,’ vervolgde Stafdrager. ‘Nou, hij stond meteen zijn zwaard af, en hij lijkt niet zo gevaarlijk. Gewoon een bedelaar die wat etensrestjes uit de keuken wil. Aardige kerel. We dachten dat hij wel even warm zou willen worden voordat we hem weer dat rotweer in stuurden.’
‘Een bedelaar,’ zei ze. ‘Met een zwaard?’
Sergeant Stafdrager krabde op zijn hoofd. ‘Ja, dat is eigenlijk wel vreemd.’
‘Jij zou een generaal op het slagveld nog zijn helm kunnen ontfutselen, hè, Mart?’ vroeg ze.
‘Mart?’ vroeg de indringer, met een bekende stem. ‘Ik weet niet wat je bedoelt, beste vrouw. Mijn naam is Garard, een eenvoudige bedelaar met een nogal belangwekkend verleden, als u daarover zou willen horen...’
Ze keek hem streng aan.
‘O, bloedas, Birgitte,’ klaagde hij, en hij deed de halsdoek af. ‘Ik wilde het alleen maar even warm hebben.’
‘En geld winnen van mijn mannen.’
‘Een vriendelijk spelletje heeft nog nooit iemand kwaad gedaan,’ zei Mart.
‘Behalve tegen jou. Zeg, waarom probeer je het paleis binnen te sluipen?’
‘Het was de vorige keer verdomme te veel werk om binnen te komen,’ zei Mart, die weer achterover ging zitten. ‘Ik vond dat ik dat deze keer maar moest overslaan.’
Sergeant Stafdrager wierp een blik op Birgitte. ‘Kent u deze man?’
‘Helaas,’ zei ze. ‘Je kunt hem aan mij overdragen, sergeant. Ik zorg wel dat er goed voor meester Cauton wordt gezorgd.’
‘Meester Cauton?’ vroeg een van de mannen. ‘U bedoelt de Prins van de Raven?’
‘O, verdomme...’ zei Mart, terwijl hij opstond en zijn wandelstok pakte. ‘Bedankt, Birgitte,’ zei hij droogjes, en hij trok zijn jas aan. zij sloeg haar mantel weer om en duwde de deur open terwijl een van de gardisten Mart zijn zwaard overhandigde, compleet met riem. Sinds wanneer droeg Mart een kort zwaard? Waarschijnlijk om de aandacht af te leiden van zijn vechtstaf.
De twee stapten de regen in terwijl Mart de riem omdeed. ‘Prins van de Raven?’ vroeg ze.
‘Ik wil er niet over praten.’
‘Waarom niet?’
‘Omdat ik verdomme beroemder begin te worden dan goed voor me is, daarom.’
‘Wacht maar tot het je generaties lang achtervolgt,’ zei ze, opkijkend naar de hemel en knipperend toen er een regendruppel in haar oog viel.
‘Kom mee, we gaan wat drinken,’ zei Mart, lopend naar de poort. ‘Wacht,’ zei ze. ‘Wil je Elayne niet spreken?’
‘Elayne?’ vroeg Mart. ‘Bloed en bloedas, Birgitte, ik ben hier voor jóu. Waarom denk je dat ik me door je wachters heb laten pakken? Wil je wat drinken of niet?’
Ze aarzelde, maar toen haalde ze haar schouders op. Ze had Kaila in haar plaats het bevel gegeven, en dus was ze nu even vrij. Ze kende een vrij aardige taveerne die slechts twee straten van het paleis af lag.
‘Best,’ zei ze, wuivend naar de wachters terwijl ze Mart voorging de regenachtige straat op. ‘Maar ik moet melk of thee drinken in plaats van bier. We weten niet zeker of het slecht is voor Elaynes kinderen als haar Zwaardhand drinkt.’ Ze glimlachte, denkend aan een dronken Elayne die na het toneelstuk een gesprek probeerde te voeren met haar bondgenoten. ‘Maar als ik zorg dat ze aangeschoten raakt, dan is dat misschien een mooie wraak voor een paar streken die ze mij heeft geleverd.’
‘Ik snap helemaal niet waarom je je door haar hebt laten binden,’ zei Mart. De straat was bijna geheel verlaten, hoewel de taveerne verderop er uitnodigend uitzag door het gele licht dat uit de ramen op straat scheen.
‘Ik had er niets over te zeggen,’ antwoordde ze. ‘Maar ik betreur het niet. Ben je echt het paleis in geslopen om mij te spreken?’ Mart haalde zijn schouders op. ‘Ik heb een paar vragen.’
‘Waarover?’
Hij deed die belachelijke halsdoek weer om en merkte nu pas dat er een scheur in het midden zat. ‘Je weet wel,’ zei hij. ‘Dingen.’ Mart was een van de weinigen die wist wie ze echt was. Hij kon toch niet bedoelen... ‘Nee,’ zei ze, en ze draaide zich om, ‘daar wil ik niet over praten.’
‘Bloedas, Birgitte! Ik heb je kennis nodig. Kom op, voor een oude vriend.’
‘We hadden afgesproken eikaars geheimen te bewaren.’
‘En ik klets niet over de jouwe,’ zei Mart snel. ‘Maar er is een probleem, zie je.’
‘Wat voor probleem?’
‘De Toren van Ghenjei.’
‘Dat is geen probleem,’ zei ze. ‘Je blijft er gewoon bij weg.’
‘Dat kan niet.’
‘Natuurlijk wel. Het is verdomme een gebouw, Mart. Het kan je niet bepaald achtervolgen.’
‘Heel grappig. Toe. Wil je in ieder geval naar me luisteren, bij een kroes? Een kroes eh, melk. Ik betaal.’
Ze bleef even staan. Toen zuchtte ze. ‘Dat heb je goed, dat jij betaalt,’ mompelde ze, en ze wuifde hem verder. Ze gingen de herberg in, die De Lange Tocht heette. Het was er drukker dan gebruikelijk vanwege de regen. De waard was echter een vriend van Birgitte, en hij liet de uitsmijter een dronken vent die in een van de nissen lag te slapen naar buiten zetten om ruimte voor haar te maken. Ze gooide hem als dank een munt toe, en hij knikte met zijn lelijke hoofd naar haar; er ontbraken meerdere tanden, een oog, en het meeste van zijn haar was verdwenen. De knapste man in de gelagkamer. Birgitte stak twee vingers op om haar bestelling door te geven; hij wist dat ze tegenwoordig melk dronk, en ze gebaarde Mart naar de nis.
‘Ik geloof niet dat ik ooit een lelijkere kerel heb gezien dan die waard,’ merkte Mart op toen ze zaten.
‘Dan heb je niet lang genoeg geleefd,’ zei ze, achteroverleunend tegen de muur terwijl ze haar laarzen op tafel kruiste. Daar was net voldoende ruimte voor als ze in de lengte op het bankje in de nis plaatsnam. ‘Als die Ouwe Snert een paar jaar jonger was, en als iemand zijn neus op een paar plaatsen brak, zou ik hem misschien wel in overweging nemen. Hij heeft een mooie borstkas, breed en vol krullende haren om met je vingers in te woelen.’ Mart grijnsde. ‘Heb ik wel eens gezegd hoe wonderlijk het is om te drinken met een vrouw die zo over mannen praat?’ Ze haalde haar schouders op. ‘Ghenjei. Waarom wil je daar in naam van Normads Oren naartoe?’
‘Wié z’n oren?’ vroeg Mart.
‘Geef antwoord.’
Mart zuchtte en pakte afwezig zijn kroes aan toen die door de dienster werd gebracht. Hij sloeg haar niet op haar achterwerk, vreemd genoeg, maar hij bekeek haar wel even goed toen ze wegliep. ‘Die smerige slangen en vossen hebben een bekende van me,’ zei hij. Hij deed zijn halsdoek omlaag en nam een slok.