‘Laat hem zitten. Je kunt hem niet redden, Mart. Als hij zo stom was om dat rijk binnen te gaan, dan verdient hij zijn lot.’
‘Het is een vrouw,’ zei Mart.
Aha, dacht Birgitte. Stomme dwaas. Heldhaftig, maar toch een dwaas.
‘Ik kan haar daar niet laten zitten,’ vervolgde Mart. ik ben haar iets verschuldigd. Bovendien gaat een goede vriend van me erheen, of ik dat nu wil of niet. Ik móét helpen.’
‘Dan krijgen ze jullie alle drie,’ zei Birgitte. ‘Luister, als je er door de doorgangen naar binnen gaat, dan moet je je aan de verdragen houden. Die beschermen je tot op zekere hoogte, maar ze belemmeren je ook. Je komt nergens als je door een van de bogen naar binnen gaat.’
‘En als je op de andere manier naar binnen gaat?’ vroeg Mart. ‘Je hebt Olver verteld hoe je de toren open krijgt.’
‘Omdat ik hem een verhaaltje voor het slapengaan vertelde! Licht, ik had nooit gedacht dat jullie stommelingen werkelijk zouden probéren binnen te komen!’
‘Maar als we zo naar binnen gaan, kunnen we haar dan vinden?’
‘Misschien,’ zei Birgitte, ‘maar het lukt je niet. De verdragen gelden dan niet, dus mogen de Aelfinn en Eelfinn bloed laten vloeien. Doorgaans hoef je je alleen maar druk te maken over valstrikken met kuilen of touwen, aangezien ze niet...’ Ze liet haar stem wegsterven en keek hem aan. ‘Hoe ben je eigenlijk in die strop beland?’ Hij bloosde en keek in zijn bier. ‘Ze zouden verdomme uitleg moeten zetten op die bogen. “Stap hier doorheen en ze mogen je ophangen. En dat doen ze ook. Stommeling.”’
Birgitte snoof. Ze hadden het gehad over zijn herinneringen. Ze had één en één bij elkaar op moeten tellen. ‘Als je op die andere manier naar binnen gaat, zullen ze dat waarschijnlijk ook proberen. Bloed vergieten in hun koninkrijk kan vreemde gevolgen hebben. Ze zullen proberen je botten te breken met een val of je in slaap te brengen. En ze zullen winnen, Mart. Het is hun wereld.’
‘En als we vals spelen?’ vroeg Mart. ‘Ijzer, muziek, vuur.’
‘Dat is geen vals spelen. Dat is slim. Iedereen met een beetje hersens neemt die dingen mee naar de toren. Maar slechts één op de duizend komt weer naar buiten, Mart.’
Hij aarzelde, en viste toen een handjevol munten uit zijn zak. ‘Hoe groot denk je dat de kans is dat als ik deze in de lucht gooi, ze allemaal op kop landen? Eén op duizend?’
‘Mart...’
Hij gooide ze boven de tafel omhoog. Ze kwamen omlaag en belandden rinkelend op het tafelblad. Niet één ervan stuiterde of rolde van de tafel op de vloer.
Mart keek niet naar de munten. Hij keek naar haar ogen toen de munten rolden en trillend tot stilstand kwamen. Ze keek hem aan.
Twintig munten. Ze waren allemaal met de kop naar boven geland. ‘Eén op duizend is geen slechte kans,’ zei hij. ‘Voor mij.’
‘Bloedas. Je bent al even erg als Elayne! Snap je het niet? Je hoeft maar één keer verkeerd te werpen. Zelfs jij mist af en toe.’
‘Die gok neem ik wel. Ik mag branden, Birgitte, ik weet dat het stom is, maar ik doe het toch. Hoe komt het eigenlijk dat jij zoveel over de toren weet? Je bent binnen geweest, hè?’
‘Ja,’ gaf ze toe.
Mart keek tevreden. ‘Nou, jij bent er ook uitgekomen! Hoe heb jij dat gedaan?’
Ze aarzelde en pakte uiteindelijk haar beker melk. ‘Die legende heeft het dus niet overleefd?’
‘Ik ken hem niet,’ antwoordde Mart.
‘Ik ging erheen om te vragen of ze het leven van mijn geliefde wilden redden,’ zei ze. ‘Dat was na de slag bij de Lahpuntheuvels, waar we de Buchaner opstand aanvoerden. Gaidal was ernstig gewond; een klap op het hoofd waardoor hij niet meer goed kon nadenken. Hij vergat soms wie ik was. Dat was hartverscheurend, dus bracht ik hem naar de toren om hem te laten genezen.’
‘En hoe ben je buiten gekomen?’ vroeg Mart. ‘Hoe heb je ze bedot?’
‘Niet,’ zei Birgitte zachtjes. Mart verstarde.
‘De Eelfinn hebben hem niet genezen,’ vervolgde ze. ‘Ze vermoordden ons allebei. Ik heb het niet overleefd, Mart. Dat is het einde van die legende.’
Hij zweeg even. ‘O,’ zei hij uiteindelijk. ‘Nou, dat is dan nogal een droevig verhaal.’
‘Ze kunnen niet allemaal in een overwinning eindigen. Gaidal en ik zijn trouwens toch niet zo goed met gelukkige eindes. Wij kunnen beter opbranden in roem.’ Ze trok een grimas, terugdenkend aan een leven waarin zij en hij waren gedwongen om samen in vrede oud te worden. Het saaiste leven dat ze ooit had gekend, hoewel ze er op dat ogenblik – zonder iets te weten van haar grotere rol in het Patroon – tevreden mee was geweest. ‘Nou, ik ga toch,’ zei Mart.
Ze zuchtte. ‘Ik kan niet met je mee, Mart. Ik kan Elayne niet alleen laten. Ze heeft een doodswens zo groot als jouw trots, en ik wil ervoor zorgen dat ze blijft leven.’
‘Ik verwachtte ook niet dat je mee zou gaan,’ zei Mart snel. ‘Ik mag branden, maar dat is ook niet wat ik vraag. En...’ Hij fronste zijn voorhoofd. ‘Een doodswens zo groot als mijn wat?’
‘Laat maar,’ zei ze, en ze nam een slok melk. Ze vond melk eigenlijk best lekker, hoewel ze dat niet hardop zei. Natuurlijk zou ze blij zijn als ze weer kon drinken; ze miste de gistige drankjes van Ouwe Snert. Ze hield evenveel van lelijk bier als van lelijke mannen. ‘Ik ben naar jou toe gekomen omdat ik hulp nodig heb,’ zei Mart. ‘Wat valt er nog meer te vertellen? Je neemt ijzer, vuur en muziek mee. Ijzer doet ze pijn, houdt ze op afstand en bindt ze. Vuur maakt ze bang en doodt ze. Muziek betovert ze. Maar je zult merken dat vuur en muziek minder werkzaam worden naarmate je ze langer gebruikt.
De toren is geen plek, het is een poort. Een soort doorgang naar de kruising tussen hun rijken. Je zult ze daar allebei vinden, de Aelfinn-slangen en de Eelfinn-vossen. Aangenomen dat ze op dat ogenblik samenwerken. Ze hebben een merkwaardige verstandhouding.’
‘Maar wat willen ze?’ vroeg Mart. ‘Van ons, bedoel ik. Waarom geven ze iets om ons?’
‘Gevoelens,’ antwoordde Birgitte. ‘Daarom hebben ze poorten naar onze wereld gebouwd, daarom lokken ze ons naar binnen. Ze voeden zich met wat wij voelen. Ze zijn om een of andere reden vooral dol op Aes Sedai. Misschien smaken vrouwen met de Ene Kracht naar sterk bier of zo.’ Mart huiverde zichtbaar.
‘De binnenkant zal verwarrend zijn,’ vertelde Birgitte. ‘Het is heel lastig om daarbinnen naar een bepaalde plek te komen. Toen ik door de toren zelf in plaats van door de bogen ging, bracht me dat in gevaar, maar ik wist dat als ik in die grote zaal kon komen, ik een overeenkomst zou kunnen sluiten. Je krijgt trouwens niets voor niets als je de toren in gaat. Ze zullen je om iets vragen wat je lief is. Maar goed, ik bedacht een methode om de grote zaal te vinden. Ijzervijlsel, dat ik op kruisingen achterliet zodat ik wist waar ik eerder was geweest. Zij konden dat niet aanraken, snap je, en... Weet je zeker dat je dit verhaal nooit hebt gehoord?’ Mart schudde zijn hoofd.
‘Het was een bekend verhaal in deze streek,’ zei ze fronsend. ‘Een jaar of honderd geleden.’
‘Je klinkt beledigd.’
‘Het was een goed verhaal,’ zei ze.
‘Als ik het overleef, zal ik Thom er een verrekte ballade over laten schrijven, Birgitte. Vertel nu eens over dat ijzervijlsel. Werkte dat?’ Ze schudde haar hoofd, ik verdwaalde alsnog. Ik weet niet of ze het op een of andere manier konden wegblazen, of misschien is het er wel zo groot dat ik nooit op dezelfde plekken terugkwam. Ik kwam in een hoek terecht, mijn vuur ging uit, mijn lier was stuk, mijn boogpees geknapt, Gaidal lag bewusteloos achter me. Op sommige dagen dat we binnen waren kon hij lopen, maar meestal was hij te duizelig en trok ik hem mee op de draagbaar die ik had meegebracht.’
‘Sommige dagen?’ vroeg Mart. ‘Hoe lang ben je binnen geweest?’
‘Ik had proviand bij me voor twee maanden,’ zei Birgitte met een grimas. ‘Ik weet niet hoe lang we het nog uithielden toen dat op was.’