Ze keek om naar de gardevrouwen. Ze waren overduidelijk verward en stonden met hun handen onbewust op hun zwaard. ‘Majesteit?’ vroeg Kaila.
‘Hoe zie ik eruit?’ vroeg Elayne, peuterend aan haar wevingen om haar stem lager te laten klinken.
Kaila’s ogen werden groot. ‘Als een donderwolk die tot leven is gekomen, Majesteit.’
‘Indrukwekkend, dus?’ vroeg Elayne, en ze schrok zelf een beetje van de gevaarlijke, bijna onmenselijke klank van haar stem. Volmaakt! ik zou zeggen van wel,’ zei de slungelige gardevrouw, die met één hand over haar kin wreef. ‘Hoewel die muilen het effect wat verpesten.’
Elayne keek omlaag en vervloekte de roze zijde. Ze weefde nog iets en liet haar muilen en voeten verdwijnen. De weving zou de indruk wekken dat ze in de lucht zweefde, gehuld in een pulserende deken van duisternis, de mantel en repen zwarte stof fladderend om haar heen. Haar gezicht ging geheel verborgen in duisternis. Als extra-tje voegde ze nog twee lichtjes gloeiende speldenprikken van rood toe waar haar ogen hoorden te zijn. Als kooltjes stralend met een diepe scharlakenrode gloed.
‘Het Licht behoede ons,’ fluisterde een van de wachters.
Elayne knikte in zichzelf en haar hartslag versnelde van opwinding.
Ze was niet ongerust. Ze zou veilig zijn. Mins visioen beloofde dat.
Ze overdacht haar voornemen nog een keer. Het was goed. Maar er zou slechts één manier zijn om het zeker te weten.
Elayne keerde haar wevingen om en bond ze af. Toen wendde ze zich tot de wachters. ‘Doe het licht uit,’ zei ze tegen hen, ‘en blijf heel stilstaan. Ik ben zo terug.’
‘Maar...’ zei Kaila.
‘Dat is een bevel, gardevrouw,’ zei Elayne streng. ‘Je kunt maar beter gehoorzamen.’
De vrouw aarzelde. Ze wist waarschijnlijk dat Birgitte dit nooit zou toelaten. Maar Kaila was Birgitte niet, gelukkig. Ze gaf schoorvoetend het bevel, en de lichten in de kamer werden gedoofd. Elayne reikte in haar zak en haalde de vossenkoppenning eruit, de echte, die ze verborgen in haar hand hield. Ze haalde diep adem en maakte een Poort. Het lint van licht was fel in de duisternis, bleek opgloeiend als maanlicht. Het gaf toegang tot een kamer die al even donker was.
Elayne stapte erdoor en stond in de paleiskerkers, in een van de cellen. Aan de andere kant van de cel zat een vrouw op haar knieën. Boven in de deur zat een venstertje voorzien van tralies, dat het enige licht in de bedompte cel binnenliet. Rechts van Elayne stond een smalle brits en links een emmer die dienstdeed als bedsteek. Het rook in de kleine ruimte naar schimmel en menselijke afvalstoffen, en vlakbij hoorde ze duidelijk het gekrabbel van ratten. Het leek nog altijd een te weelderig onderkomen voor de vrouw die daar zat. Elayne had met opzet Chesmal gekozen. Die vrouw scheen enig gezag te hebben onder de Zwarten, en ze was zo sterk dat de meeste anderen voor haar bogen. Maar ze had ook eerder hartstochtelijk dan berekenend geleken toen Elayne haar voor het laatst had gezien. Dat was belangrijk.
De lange, knappe vrouw draaide zich met een ruk om toen Elayne de cel binnenkwam. Elayne hield haar adem in. Gelukkig werkte de misleiding. Chesmal wierp zich op de met stro bedekte vloer van de cel.
‘Verhevene,’ fluisterde de vrouw. ‘Ik had...’
‘Zwijg!’ riep Elayne met galmende stem.
Chesmal kromp ineen en keek opzij, alsof ze verwachtte dat de wachters op de gang naar binnen zouden kijken. Er stonden daar Kinsvrouwen om het schild rondom Chesmal in stand te houden; Elayne voelde hen. Er kwam niemand, ondanks het lawaai. De Kinne volgden Elaynes bevelen op, hoe merkwaardig ze die ook vonden.
‘Je bent lager dan een rat,’ zei Elayne met haar vermomde stem. ‘Je was hierheen gestuurd om de Grote Heer glorie te brengen, en wat heb jij gedaan? Je hebt je laten vangen door die dwazen, die kinderen?’
Chesmal jammerde en boog nog dieper. ‘Ik ben stof, Verhevene. Ik ben niets! We hebben u teleurgesteld. Alstublieft, vernietig me niet!’
‘En waarom dan wel niet?’ blafte Elayne. ‘Het werk van jouw groep kenmerkt zich door de ene na de andere mislukking! Wat heb je gedaan dat me zou bewegen je te laten leven?’
‘We hebben velen van die dwazen gedood die de Grote Heer dwarsbomen!’ jammerde Chesmal.
Elayne kromp ineen, maar ze herpakte zich, maakte een zweep van Lucht en sloeg ermee op de rug van de vrouw. Chesmal verdiende het immers. ‘Jij?’ vroeg Elayne. ‘Jij had niets te maken met hun dood! Denk je dat ik achterlijk ben? Denk je dat ik niets weet?’
‘Nee, Verhevene,’ jammerde Chesmal, die zich nog verder oprolde.
‘Alstublieft!’
‘Geef me dan een reden om je te laten leven.’
‘Ik heb inlichtingen, Verhevene,’ zei Chesmal snel. ‘Een van de mannen die we moesten zoeken, de twee die koste wat het kost moeten worden gedood... een van hen is hier in Caemlin!’ Wat is dit? Elayne aarzelde. ‘Vertel.’
‘Hij rijdt mee met een groep huurlingen,’ zei Chesmal, die opgelucht scheen dat ze iets belangwekkends te melden had. ‘Hij is de man met de scherpe ogen, die met de hoed en de speer met het merkteken van raven!’
Mart? Joegen de Duistervrienden op Mart? Hij was bevriend met Rhand, dat wel, en hij was ta’veren. Maar wat had Mart gedaan om de gramschap van de Verzakers over zich af te roepen? Nog verontrustender was dat Chesmal op de hoogte was van Marts aanwezigheid in de stad. En hij was pas aangekomen nadat de Zwarte zusters waren gevangen! Dat betekende...
Dat betekende dat Chesmal en de rest nog contact onderhielden met andere Duistervrienden. Maar wie? ‘En hoe heb je dat ontdekt? Waarom is dit niet eerder gemeld?’
‘Ik kreeg het nieuws vandaag pas, Verhevene,’ antwoordde Chesmal, die nu zelfverzekerder klonk. ‘We bereiden een aanslag voor.’
‘En hoe wil je dat doen terwijl je gevangenzit?’ wilde Elayne weten.
Chesmal keek even op en er verscheen verwarring op haar vierkante gezicht. Ze zei niets.
Ik heb haar laten merken dat ik niet zoveel weet als ik zou moeten, dacht Elayne, en ze knarsetandde achter haar masker van schaduwen.
‘Verhevene,’ zei Chesmal, ‘ik heb mijn bevelen zorgvuldig opgevolgd. We zijn bijna klaar om met de invasie te beginnen, zoals bevolen. Binnenkort wordt Andor gedrenkt in het bloed van onze vijanden en zal de Grote Heer regeren in vuur en as. Wij zullen ervoor zorgen.’ Wat moest dit voorstellen? Een invasie, in Andor? Onmogelijk! Hoe zou dat gebeuren? Hoe kón het gebeuren? Maar durfde ze er wel naar te vragen? Chesmal scheen te vermoeden dat er iets niet klopte.
‘U bent niet de Uitverkorene die me eerder heeft bezocht, of wel, Verhevene?’ vroeg Chesmal.
‘Het is niet aan lieden zoals jij om onze wegen te betwijfelen,’ gromde Elayne, wat ze benadrukte met nog een zweepslag van Lucht op de rug van de vrouw. ‘Ik wil weten hoeveel je verteld is, zodat ik de leemten in je begrip kan beoordelen. Als je niets weet over... Nou, dat zullen we wel zien. Vertel om te beginnen maar eens hoeveel je van de invasie weet.’
‘Ik weet dat het tijdstip nadert, Verhevene,’ zei Chesmal. ‘Als we langer de tijd hadden, dan konden we misschien betere voorbereidingen treffen. Als u me uit deze gevangenis zou kunnen bevrijden, dan zou ik...’ Ze liet haar stem wegsterven en keek opzij. Het tijdstip nadert. Elayne opende haar mond om nog meer te eisen, maar ze aarzelde. Wat was er? Ze voelde de Kinne buiten niet meer. Waren ze vertrokken? En hoe zat het met het schild om Chesmal? De deur rammelde, de klink draaide en de deur vloog open en onthulde een groep mensen op de gang. En dat was mét de groep wachters die Elayne had verwacht. Aan het hoofd stond een man met kort zwart haar dat aan de zijkanten dunner werd en een reusachtige snor. Hij droeg een bruine broek, een zwart hemd en een lange jas die bijna een open mantel leek.