Sylvases klerk! Achter hem stonden twee vrouwen. Temaile en Eldrith. Allebei van de Zwarte Ajah. En allebei hielden ze de Bron vast. Licht!
Elayne onderdrukte haar verbazing, keek hen in de ogen en bond niet in. Als ze één Zwarte zuster kon overtuigen dat ze een Verzaker was, dan kon ze er misschien ook drie overtuigen. Temailes ogen werden groot en ze wierp zich op haar knieën, net als de klerk. Eldrith aarzelde echter. Elayne wist niet zeker of het kwam door haar houding, haar vermomming, of haar reactie op het zien van de drie nieuwkomers. Misschien was het wel iets heel anders. Hoe dan ook, Eldrith was niet overtuigd. De vrouw met het ronde gezicht begon te geleiden.
Elayne vloekte in zichzelf en vormde eigen wevingen. Ze sloeg een schild tegen Eldrith aan juist toen ze er ook een op zichzelf af voelde komen. Gelukkig hield ze Marts ter’angreaal vast. De weving ontrafelde en de penning werd koud in Elaynes hand. Elaynes eigen weving schoof gelijkmatig tussen Eldrith en de Bron en sneed haar ervan af. De gloed van de Kracht om haar heen verdween. ‘Wat doe je nou, stom wicht!’ krijste Chesmal. ‘Probeer je een Uitverkorene aan te vallen? Je wordt de dood van ons allemaal!’
‘Dat is geen Uitverkorene,’ riep Eldrith terug. Elayne dacht er nu pas aan om een mondprop van Lucht te weven. ‘Je bent misleid! Het...’ Elayne duwde de prop in haar mond, maar het was al te laat. Temaile – die er altijd veel te kwetsbaar had uitgezien om een Zwarte zuster te zijn – omhelsde de Bron en keek op. Chesmals uitdrukking van afgrijzen maakte plaats voor woede.
Elayne bond snel Eldriths schild af en begon een volgend te weven. Een weving van Lucht raakte haar. De vossenkoppenning werd koud en – Mart zij gezegend voor zijn tijdige lening – Elayne zette een schild tussen Chesmal en de Bron.
Temaile gaapte Elayne aan, stomverbaasd dat haar wevingen hadden gefaald. Sylvases klerk was echter niet zo traag. Hij dook onverwachts naar voren en ramde Elayne met grote kracht achteruit tegen de muur.
Een pijnscheut straalde van haar schouder naar buiten en ze hoorde iets kraken. Haar schouderblad? Mijn kinderen! dacht ze meteen. Het was een oerflits van afgrijzen en ogenblikkelijke doodsangst, die alle gedachten aan Min en haar visioenen terzijde schoof. In haar verbazing liet ze de Poort los die naar haar kamer boven leidde. Hij knipperde en sloot zich.
‘Ze heeft een of andere ter’angreaal,’ riep Temaile. ‘Wevingen vallen van haar af.’
Elayne krabbelde op, gaf de klerk een zet en begon een weving van Lucht om hem achteruit te duwen. Terwijl ze dat deed, klauwde hij echter naar haar hand, misschien omdat hij daar een fonkeling van zilverachtig metaal had gezien. Hij sloeg zijn lange vingers om de penning op het ogenblik dat Elaynes vlaag van Lucht hem raakte. De klerk vloog naar achteren, maar hield de penning vast. Elayne grauwde woedend. Temaile grijnsde vals en wevingen van Lucht sprongen rondom haar op. Ze wierp ze naar voren, maar Elayne ving ze op met haar eigen wevingen.
De twee golven van Lucht beukten tegen elkaar aan, waardoor de lucht in de kleine cel begon te kolken. Stukjes stro kwamen in een wervelwind omhoog. Elaynes oren piepten door de plotselinge druk. De donkerharige klerk wankelde achteruit van de strijd weg, met de ter’angreaal in zijn hand. Elayne stuurde een weving op hem af, maar die ontrafelde.
Elayne schreeuwde van woede. Er bonsde pijn in haar schouder door haar val tegen de muur. De kleine cel was propvol met zoveel mensen erin, en Temaile stond in de deuropening, waardoor ze onopzettelijk zorgde dat de klerk niet weg kon komen. Of misschien was het toch opzet; ze wilde waarschijnlijk die penning hebben. De andere twee Zwarte zusters, nog altijd afgeschermd, doken ineen terwijl de lucht om hen heen wervelde.
Elayne putte zoveel door de angreaal als ze durfde, liet haar weving van Lucht naar voren schieten en veegde de weving opzij die Temaile naar haar toe probeerde te duwen. De twee hielden elkaar even tegen; toen barstte die van Elayne erdoor, dreunde tegen Temaile aan en smeet haar de cel uit en tegen de stenen muur buiten. Elayne volgde met een schild, hoewel het erop leek dat Temaile door de botsing bewusteloos was geraakt.
De klerk rende naar de dichtstbijzijnde deur toe. Elayne raakte in paniek. Ze deed het enige wat ze kon bedenken. Ze tilde Chesmal op in een weving van Lucht en smeet haar naar de klerk toe. Ze belandden in een chaos. Er klonk een metalig gerinkel toen de vossenkoppenning viel, de grond raakte en de deur door rolde. Elayne haalde diep adem, waarbij een pijnscheut door haar borst trok en haar arm slap werd. Ze kon hem niet langer fatsoenlijk omhoog houden. Ze wiegde hem met haar andere arm, boos, vasthoudend aan de Bron. De zoetheid van saidar was een troost. Ze weefde Lucht en bond Chesmal, de klerk en Eldrith vast, die onopvallend had geprobeerd naar Elayne te kruipen.
Elayne kalmeerde zichzelf en wurmde zich langs hen heen de kleine cel uit om te gaan kijken bij Temaile, die in de gang lag. De vrouw ademde nog, maar ze was inderdaad bewusteloos. Elayne bond haar voor de zekerheid ook vast met Lucht, en toen raapte ze voorzichtig de vossenkoppenning op. Ze trok een gezicht bij de pijn in haar andere arm. Ja, ze had beslist iets gebroken.
De donkere gang was verlaten, met vier deuren naar cellen en slechts één staande lamp. Waar waren de wachters en Kinne? Met tegenzin liet ze de wevingen los die haar vermomming vormden; ze wilde niet dat soldaten die aankwamen haar aanzagen voor een Duistervriend. Iémand moest dat lawaai toch hebben gehoord! Achter in haar geest voelde ze de bezorgdheid van Birgitte, die naderbij kwam. De Zwaardhand had ongetwijfeld gevoeld dat Elayne gewond was geraakt.
Elayne had bijna nog liever die pijn in haar schouder dan de preek die ze van Birgitte zou krijgen. Ze grimaste toen ze daaraan dacht, en toen draaide ze zich om en bekeek haar gevangenen. Ze zou in de andere cellen moeten kijken.
Natuurlijk zou alles goed zijn met haar kinderen. Met haar. Ze had overdreven gereageerd op de pijn; ze was niet écht bang geweest. Maar toch, ze kon beter...
‘Hallo, mijn koningin,’ fluisterde een mannenstem in haar oor net voordat een tweede pijnscheut in haar zij opbloeide. Ze zoog haar adem naar binnen en struikelde naar voren. Een hand kwam naar haar toe en rukte de penning uit haar vingers. Elayne draaide zich om en alles werd wazig. Er liep iets warms langs haar zij omlaag. Ze bloedde! Ze was zo aangeslagen dat ze voelde hoe de Bron van haar wegglipte.
Doilin Mellar stond achter haar in de gang, met een bebloed mes in zijn rechterhand en de penning in zijn linker. Zijn gezicht als een botte bijl spleet in een brede glimlach, bijna een grijns. Hoewel hij lompen droeg, leek hij zelfverzekerd als een koning op zijn troon. Elayne siste en reikte naar de Bron, maar er gebeurde niets. Ze hoorde gegniffel achter zich. Ze had Chesmals schild niet afgebonden! Zodra Elayne de Bron losliet, waren de wevingen verdwenen. En ja, Elayne keek om en zag wevingen die haar afsneden van de Bron. Chesmal, haar knappe gezicht verhit, glimlachte naar haar. Licht! Er lag een plas bloed aan Elaynes voeten. Zoveel bloed. Ze wankelde achteruit tegen de muur in de gang, met Mellar aan de ene kant en Chesmal aan de andere.
Ze kón niet sterven. Min had gezegd... We interpreteren het misschien verkeerd. Birgittes stem kwam bij haar terug. Er kan nog steeds van alles misgaan.
‘Heel haar,’ zei Mellar.
‘Wat?’ vroeg Chesmal. Achter haar stond Eldrith in de deuropening naar de cel, en ze klopte zich af. Ze was op de grond gevallen toen Elaynes wevingen van Lucht werden opgeheven, maar haar schild hield nog stand. Dat had Elayne wel afgebonden.
Denk na, hield Elayne zich voor terwijl er bloed tussen haar vingers door sijpelde. Er moet een uitweg zijn. Dat moet gewoon! O, Licht! Birgitte, schiet op!
‘Heel haar,’ herhaalde Mellar. ‘Die messteek was zodat ze jou liet vallen.’
‘Stommeling,’ zei Chesmal. ‘Als de wevingen waren afgebonden, had een wond ons niet bevrijd!’