Выбрать главу

‘Dan zou ze dat met haar leven hebben bekocht,’ zei Mellar schouderophalend. Hij keek naar Elayne; die mooie ogen van hem straalden van lust. ‘En dat zou jammer zijn geweest. Want ze is aan mij beloofd, Aes Sedai. Ik laat haar niet hier in de kerker sterven. Ze sterft pas als ik tijd heb gehad om... van haar te genieten.’ Hij keek de Zwarte zuster aan. ‘En denk je trouwens dat onze meesters verheugd zouden zijn als jij de koningin van Andor liet sterven zonder dat ze haar geheimen had prijsgegeven?’

Chesmal keek ontevreden, maar kennelijk zag ze de wijsheid van zijn woorden in. Achter hen glipte de klerk de cel uit en sloop – nadat hij snel naar beide kanten had gekeken – door de gang naar de trap en haastte zich naar boven. Chesmal liep door de gang naar Elayne toe. Gelukkig. Elayne werd licht in haar hoofd. Ze leunde met haar rug tegen de muur, waarbij ze amper de pijn van haar gebroken schouder voelde, en liet zich zakken tot ze op de grond zat. ‘Stomme meid,’ zei Chesmal. ik doorzag je spelletje heus wel. Ik hield je aan het lijntje, wetend dat er hulp onderweg was.’ De woorden klonken hol; ze loog voor de anderen. Heling. Elayne had... die... Heling nodig. Haar geest raakte vertroebeld, haar gezichtsveld verkleinde. Ze drukte haar hand tegen haar zij, doodsbang voor zichzelf, voor haar kinderen.

Haar hand gleed weg. Ze voelde iets door de stof in de zak van haar gewaad. De kopie van de vossenkoppenning.

Chesmal legde haar handen op Elaynes hoofd en vormde Helende wevingen.

Elaynes aderen werden gevuld met ijswater toen haar lichaam werd overstelpt door een golf van Kracht. Ze haalde diep adem, en de pijn in haar zij en schouder verdween.

‘Zo,’ zei Chesmal. ‘En nu moeten we snel...’

Elayne haalde snel de andere penning tevoorschijn en stak hem omhoog. In een reflex greep Chesmal hem vast. Daardoor was de vrouw niet meer in staat te geleiden. Haar wevingen verdwenen, ook Elaynes schild.

Chesmal vloekte en liet de penning los, Hij viel op de grond en rolde weg terwijl Chesmal een schild weefde.

Elayne nam niet de moeite een schild te weven. Deze keer weefde ze Vuur. Eenvoudig, snel en gevaarlijk. De kleding van de Zwarte zuster vatte vlam voordat ze haar wevingen kon voltooien, en ze gilde. Elayne hees zich overeind. De gang beefde en draaide – de Heling had veel van haar gevergd – maar voordat alles ophield met draaien, weefde ze nog een draadje Vuur en sloeg ermee naar Mellar. Hij had het leven van haar kinderen in gevaar gebracht! Hij had haar met een mes gestoken! Hij...

De wevingen rafelden uiteen zodra ze hem raakten. Hij glimlachte en hield met zijn voet iets tegen. De tweede penning. ‘Kijk nu eens,’ zei hij terwijl hij hem opraapte. ‘Nog eentje? Als ik je door elkaar schud, valt er dan nog een derde omlaag?’

Elayne siste. Chesmal gilde nog steeds, omhuld door vuur. Ze viel trappelend op de grond en de gang werd vervuld van de stank van verbrand vlees. Licht! Elayne had haar niet willen doden. Maar er was geen tijd te verliezen. Ze weefde Lucht en greep Eldrith weer voordat de vrouw kon ontsnappen. Elayne duwde haar naar voren, tussen zichzelf en Mellar in, gewoon voor de zekerheid. Hij keek met sluwe ogen toe en schuifelde naar voren, met de twee penningen in zijn ene hand en zijn dolk in de andere. Die glansde nog steeds van Elaynes bloed.

‘We zijn nog niet klaar, mijn koningin,’ zei hij met zachte stem. ‘Die anderen is macht beloofd. Maar jij zou mijn beloning zijn. En ik in mijn schulden altijd.’ Hij keek behoedzaam naar Elayne, in de verwachting dat ze iets zou proberen.

Kón ze maar iets proberen! Ze kon amper overeind blijven staan. Zelfs het vasthouden van de Bron kostte moeite. Ze ging achteruit en hield Eldrith tussen zichzelf en Mellar in. Zijn ogen schoten naar de statige vrouw; haar armen waren met Lucht tegen haar lichaam gebonden en ze zweefde een duim boven de grond. Ineens sprong Mellar naar voren en sneed Eldrith de keel af. Elayne schrok en sprong achteruit.

‘Het spijt me,’ zei Mellar, en het duurde even voordat Elayne snapte dat hij het tegen Eldrith had. ‘Maar bevelen zijn bevelen.’ Toen dook hij naar voren en stak zijn mes in Temailes bewusteloze lichaam.

Hij mocht niet ontkomen met de penningen! Met een grote krachtsinspanning putte Elayne uit de Ene Kracht en weefde Aarde. Ze trok aan de zoldering boven Mellar toen hij opstond. Stenen braken, brokken vielen omlaag, en hij slaakte een kreet en schermde zijn hoofd af terwijl hij opzij dook. Er rinkelde iets. Metaal op steen. De gang beefde en er steeg stof op in de lucht. De regen van stenen dreef Mellar achteruit, maar zij kon de achtervolging niet inzetten. Hij verdween de trap aan de rechterkant op. Elayne liet zich uitgeput op haar knieën zakken. Maar toen zag ze iets glinsteren tussen de puinhoop van stenen die ze omlaag had getrokken. Een stukje zilverachtig metaal. Een van de penningen.

Met ingehouden adem raapte ze hem op. Gelukkig verliet de Bron haar niet. Mellar was kennelijk ontkomen met de kopie, maar zij had de oorspronkelijke nog.

Ze zuchtte en steunde met haar rug tegen de koude stenen muur. Ze wilde zich het liefst in de bewusteloosheid laten wegzakken, maar dwong zichzelf de penning weg te stoppen en wakker te blijven totdat Birgitte in de gang verscheen. De Zwaardhand hijgde zwaar van het rennen en haar rode jas en gouden vlecht waren nat van de regen.

Mart stapte achter haar aan de gang in, met een halsdoek om zijn gezicht gebonden en zijn bruine haar vochtig tegen zijn hoofd geplakt. Zijn ogen schoten heen en weer en hij hield een vechtstok bereid.

Birgitte knielde bij Elayne neer. ‘Is alles goed?’ vroeg ze gehaast. Elayne knikte vermoeid, ik heb me eruit gered.’ Zou je kunnen zeggen, dacht ze erachteraan. ‘Heb je toevallig de wereld een dienst bewezen en op weg naar binnen Mellar gedood?’

‘Mellar?’ vroeg Birgitte geschrokken. ‘Nee. Elayne, er zit bloed op je gewaad!’

‘Niets aan de hand,’ zei ze. ‘Echt, ik ben Geheeld.’

Dus Mellar was op vrije voeten. ‘Snel,’ zei ze. ‘Doorzoek de gangen.

De wachters en de Kinne die hier op wacht stonden...’

‘Die hebben we gevonden,’ zei Birgitte. ‘Onder in het trappenhuis.

Dood. Elayne, wat is er gebeurd?’ Mart porde tegen Temailes lijk en zag de dolkwond in haar borst.

Elayne legde haar handen op haar buik. Haar kindertjes zouden toch wel in orde zijn? ik heb iets heel overhaasts gedaan, Birgitte, en ik weet dat je tegen me gaat schreeuwen. Maar wil je me alsjeblieft eerst naar mijn kamers brengen? Ik denk dat Melfane even naar me moet kijken. Gewoon voor de zekerheid.’

Een uur na de mislukte aanslag op Egwene stond Gawein alleen in een kleine kamer die deel uitmaakte van de vertrekken van de Amyrlin. Hij was bevrijd van de wevingen die hem hadden vastgehouden en had te horen gekregen dat hij hier moest blijven. Eindelijk beende Egwene de kamer in. ‘Ga zitten,’ zei ze. Hij aarzelde, maar met de vurige blik in haar ogen had ze kaarsen kunnen aansteken. Hij ging op een kruk zitten. In deze kleine kamer stonden enkele kasten en kledingkisten. De deur leidde naar de grotere zitkamer waar hij in wevingen was gevangen; een deur vanuit die kamer leidde naar Egwenes slaapkamer.

Egwene deed de deur dicht en sloot hen af van de vele wachters, Zwaardhanden en Aes Sedai die in de kamers buiten rondliepen. Hun gesprekken waren een laag geroezemoes door de deur. Egwene droeg nog steeds rood en goud, en ze had gouden snoeren door haar donkere haar gewonden. Haar wangen hadden een kleur van woede. Dat maakte haar alleen nog maar mooier. ‘Egwene, ik...’

‘Besef je wel wat je gedaan hebt?’

‘Ik ging bij de deur kijken om te zien of de vrouw van wie ik hou veilig was, na de ontdekking van een moordenaar op de gang.’ Ze sloeg haar armen over elkaar. Hij kon de hitte van haar woede bijna voelen. ‘Door jouw geschreeuw is de halve Witte Toren komen aanrennen. Ze zagen hoe je gevangen werd. De moordenaar weet nu waarschijnlijk van mijn wevingen af.’

‘Licht, Egwene! Je praat alsof ik het met opzet deed. Ik wilde je alleen maar beschermen.’

‘Ik heb niet om je bescherming gevraagd! Ik had om je gehoorzaamheid gevraagd! Gawein, snap je niet wat voor kans we hebben misgelopen? Als jij Mesaana niet had weggejaagd, zou ze in mijn valstrik zijn getrapt!’