Выбрать главу

‘Het was geen Verzaker,’ zei Gawein. ‘Het was een man.’

‘Je zei dat je het gezicht of de gestalte niet kon zien omdat die te wazig was.’

‘Nou, ja,’ zei Gawein. ‘Maar hij vocht met een zwaard.’

‘En een vrouw kan niet met een zwaard vechten? De lengte van de persoon die je zag, wijst op een vrouw.’

‘Misschien wel, maar een Verzaker? Licht, Egwene, als het Mesaana was geweest, dan had ze de Kracht wel gebruikt om me tot as te verbranden!’

‘Weer een reden,’ zei Egwene, ‘dat je naar me had moeten luisteren! Misschien heb je gelijk, misschien was het alleen maar een van Mesaana’s onderdanen. Een Duistervriend of grijzel. Als dat zo was, dan had ik hem nu gevangen en kon ik hem uithoren over Mesaana’s bedoelingen. En Gawein, stel dat je wél op Mesaana was gestuit? Wat zou je dan hebben gedaan?’ Hij keek naar de vloer.

‘Ik had je verteld dat ik voorzorgsmaatregelen had getroffen,’ vervolgde ze. ‘En toch was je nog ongehoorzaam! En nu, door wat jij hebt gedaan, weet de moordenares dat ik haar verwachtte. Ze zal de volgende keer voorzichtiger zijn. Hoeveel levens denk je dat je ons gekost hebt?’

Gawein hield zijn handen op schoot en probeerde de vuisten die hij had gebald te verbergen. Hij zou zich moeten schamen, maar hij voelde alleen maar woede. Een woede die hij niet kon verklaren; frustratie om zichzelf, maar vooral gericht tegen Egwene, omdat ze een gewone fout als een persoonlijke belediging opvatte. ‘Het komt mij voor,’ zei hij, ‘dat je helemaal geen Zwaardhand wilt. Want geloof me, Egwene, als je het niet kunt verdragen dat er iemand voor je zorgt, dan is geen enkele man goed genoeg.’

‘Misschien heb je gelijk,’ zei ze kortaf. Haar rokken ruisten toen ze de deur naar de gang opende, naar buiten stapte en de deur achter zich dichttrok. Nog net niet met een klap.

Gawein stond op en had zin om tegen de deur te trappen. Licht, wat een puinhoop was dit geworden!

Hij hoorde Egwene door de deur. Ze stuurde de toegelopen omstanders terug naar bed en droeg de Torenwacht op om vannacht extra waakzaam te zijn. Dat was waarschijnlijk maar voor de vorm. Ze wist dat de moordenaar het niet zo snel opnieuw zou proberen. Gawein glipte de kamer uit. Ze merkte zijn vertrek op, maar zei niets tegen hem en sprak zachtjes met Silviana. De Rode zuster wierp Gawein een blik toe waar een rotsblok van zou verschrompelen. Gawein kwam langs enkele wachters die hem met eerbied schenen te bekijken. Voor zover zij wisten, had hij een aanslag op het leven van de Amyrlin verijdeld. Gawein knikte toen ze hem groetten. Chubain stond vlakbij te kijken naar het mes dat Gawein bijna in zijn borst had gekregen.

Chubain hield het mes omhoog. ‘Heb je ooit zoiets gezien?’ Gawein pakte het smalle, gladde mes aan. Het was een werpmes met een fijn stalen lemmet dat wel wat op een langgerekte kaarsvlam leek. In het midden zaten drie stukjes bloedrode steen.

‘Wat is dat voor steen?’ vroeg Gawein, die het mes tegen het licht hield.

‘Ik zou het niet weten.’

Gawein draaide het mes een paar keer om. Er was niets in geschreven of gekerfd. ‘Dit ding heeft me op een haar na het leven gekost.’

‘Je mag het hebben, als je wilt,’ zei Chubain. ‘Misschien kun je Brins mannen vragen of zij wel eens zoiets hebben gezien. We hebben er nog een verderop in de gang gevonden.’

‘Die was ook voor mijn hart bedoeld,’ zei Gawein terwijl hij het mes achter zijn riem stopte. ‘Dank je. Ik heb ook iets voor jou.’ Chubain trok zijn wenkbrauw op.

‘Je klaagde over de mannen die je had verloren,’ zei Gawein. ‘Nou, ik heb een groep soldaten die ik je van harte kan aanbevelen.’

‘Uit Brins leger?’ vroeg Chubain, en zijn mondhoeken doken omlaag. Net als veel Torenwachters zag hij Brins leger nog steeds als de tegenpartij.

‘Nee,’ zei Gawein. ‘Mannen die trouw zijn aan de Toren. Enkelen die hebben geoefend als Zwaardhand en die met mij samen vochten aan Elaida’s kant. Ze voelen zich nu ontheemd en willen liever soldaat blijven dan Zwaardhand worden. Ik zou het op prijs stellen als jij ze over kunt nemen. Het zijn goede kerels en uitstekende strijders.’ Chubain knikte. ‘Stuur ze maar naar me toe.’

‘Ze komen morgen,’ zei Gawein. ‘Ik wil je alleen één ding vragen. Probeer de groep bij elkaar te houden. Ze hebben samen veel doorgemaakt. Hun onderlinge band maakt hen sterk.’

‘Dat zou geen probleem moeten zijn,’ antwoordde Chubain. ‘De Tiende Torencompagnie is bijna tot de laatste man vernietigd door die verrekte Seanchanen. Ik zal een paar oudgediende officiers naar je jongens sturen en daarmee de nieuwe compagnie vormen.’

‘Dank je,’ zei Gawein. Hij knikte naar Egwenes vertrekken. ‘Hou haar voor me in het oog, Chubain. Ik geloof dat ze vast van zins is het leven te laten.’

‘Het is altijd mijn plicht om de Amyrlin te beschermen en bij te staan. Maar waar ga jij dan naartoe?’

‘Ze heeft duidelijk gemaakt dat ze geen Zwaardhand wil,’ zei Gawein, die terugdacht aan de dingen die Brin tegen hem had gezegd. Wat wilde hij nog meer, behalve Egwene? Misschien werd het tijd om dat uit te zoeken. ‘Ik geloof dat het hoog tijd is voor een bezoekje aan mijn zus.’

Chubain knikte, en Gawein vertrok. Hij ging naar de barak en haalde zijn bezittingen op – weinig meer dan wat schone kleren en een wintermantel – en liep vervolgens naar de stallen om Tarter te zadelen.

Daarna leidde hij het paard naar het Reisterrein. Er zat daar altijd een zuster die dienst had. De Aes Sedai van vanavond – een tengere Groene met slaperige ogen die Nimri heette – stelde geen vragen. Ze maakte een Poort voor hem naar een heuvel op ongeveer een uur rijden van Caemlin.

En zo liet hij Tar Valon – en Egwene Alveren – achter.

‘Wat is dat?’ vroeg Lan boos.

De oude Nazar keek op van zijn zadeltassen, met de leren hadori om zijn poederwitte haar. Een klein stroompje gorgelde vlak bij hun kamp in een bos van hooglanddennen. Die dennen hadden lang niet zoveel bruine naalden moeten hebben.

Nazar was bezig iets in zijn zadeltassen te proppen, en Lan had toevallig een beetje goud zien glinsteren.

‘Dit?’ vroeg Nazar. Hij trok de stof eruit: een helwitte vlag met een Gouden Kraanvogel in het midden geborduurd. Het was uitstekend werk, met fijne steekjes gemaakt. Lan griste hem bijna uit Nazars vingers om hem doormidden te scheuren.

‘Ik zie die uitdrukking op je gezicht wel, Lan Mandragoran,’ zei Nazar. ‘Maar ga hier nou niet egoïstisch over doen. Een man heeft het recht om de vlag van zijn koninkrijk mee te dragen.’

‘Je bent bakker, Nazar.’

‘Ik ben bovenal een Grenslander, jongen,’ zei de man, en hij stopte de banier weg. ‘Dit is mijn erfgoed.’

‘Bah!’ zei Lan, die zich afwendde. De anderen braken het kamp op. Met tegenzin had hij de drie nieuwkomers toestemming gegeven zich bij hem aan te sluiten; ze waren koppig als ezels, en uiteindelijk had hij zich aan zijn belofte moeten houden. Hij had gezworen dat hij volgelingen zou toelaten. Deze mannen hadden hem strikt gesproken niet gevraagd of ze met hem mee mochten rijden, maar hadden het gewoon gedaan. Dat was voldoende. En bovendien, als ze toch dezelfde kant opgingen, dan had het weinig zin om twee kampen te maken.

Lan droogde zijn gezicht na zijn wasbeurt. Buien bakte brood voor het ochtendmaal. Dit dennenbosje lag in oostelijk Kandor; ze kwamen in de buurt van de grens met Arafel. Misschien kon hij... Hij verstijfde. Er stonden meerdere nieuwe tenten in hun kamp. Een groep van acht man stond met Andère te kletsen. Drie van hen zagen er goed doorvoed uit; geen strijders, te oordelen naar hun fraaie kleding, hoewel ze wel Malkieri leken. De andere vijf waren allemaal Shienaranen, met knotten op hun hoofd en leren armbeschermers. Naast hun lange tweesnijdende zwaarden droegen ze paardenbogen in kokers op hun rug.

‘Wat stelt dit voor?’ wilde Lan weten.