‘Weilin, Managan en Gorenellin,’ zei Andère, gebarend naar de Malkieri. ‘Die anderen zijn Qi, Joao, Merekel, Ianor, Kuehn...’
‘Ik vroeg niet wié,’ zei Lan kil. ik vroeg wat. Wat heb je gedaan?’ Andère haalde zijn schouders op. ‘We kwamen ze tegen voor we op jou stuitten. We zeiden dat ze langs de zuidelijke weg op ons moesten wachten. Rakim heeft ze vannacht opgehaald, terwijl jij lag te slapen.’
‘Rakim had wachtdienst!’ wierp Lan tegen.
‘Ik heb hem vervangen,’ zei Andère. ik dacht dat we deze kerels wel konden gebruiken.’
Alle drie de mollige kooplieden keken naar Lan en lieten zich toen op hun knieën zakken. Een van hen huilde zelfs. ‘Tai’shar Malkier.’ De vijf Shienaranen salueerden naar Lan. ‘Dai Shan,’ zei een van hen. ‘We hebben meegebracht wat we konden voor de zaak van de Gouden Kraanvogel,’ voegde een andere koopman eraan toe. ‘Alles wat we snel konden verzamelen.’
‘Het is niet veel,’ zei de derde. ‘Maar we lenen je ook ons zwaard. We zien er misschien wat zacht uit, maar we kunnen vechten. We zullen vechten.’
‘Ik heb niet nodig wat jullie hebben meegebracht,’ zei Lan geërgerd.
‘Ik...’
‘Voordat je te veel zegt, oude vriend,’ zei Andère, die een hand op Lans schouder legde, ‘moet je daar misschien even naar kijken.’ Hij knikte opzij.
Lan fronste toen hij iets hoorde rammelen. Hij stapte langs een groepje bomen en keek naar het pad dat naar het kamp leidde. Er naderden twee dozijn wagens, elk hoog opgetast met spullen: wapens, zakken graan, tenten. Lan sperde zijn ogen open. Zeker twaalf strijdrossen volgden in een rij, en sterke ossen trokken de wagens. Voermannen en dienaren liepen ernaast mee.
‘Toen ze zeiden dat ze alles hadden meegebracht wat ze konden,’ zei Andère, ‘meenden ze het.’
‘We zullen ons nooit geruisloos kunnen verplaatsen met zo’n stoet!’ riep Lan uit.
Andère haalde zijn schouders op.
Lan haalde diep adem. Best. Hij zou ermee werken. ‘Geruisloos bewegen schijnt toch al te mislukken. Van nu af aan doen we ons voor als een karavaan die Shienar moet bevoorraden.’
‘Maar...’
‘Jullie zweren aan mij,’ zei hij, zich omdraaiend naar de mannen. ‘Ieder van jullie moet zweren dat je niet onthult wie ik ben of bericht stuurt naar ieder ander die mogelijk naar me op zoek is. Dat moeten jullie zwéren.’
Nazar keek alsof hij tegenwerpingen wilde maken, maar Lan legde hem met een strenge blik het zwijgen op. Een voor een zwoeren ze het.
De vijf waren tientallen geworden, maar daar zou het niet eindigen.
24
Standhouden
‘Bedrust,’ verklaarde Melfane toen ze de houten koker weghaalde die ze tegen Elaynes borst had gehouden. De vroedvrouw was klein, met bolle wangen, en vandaag had ze haar haren opgebonden met een doorschijnende blauwe doek. Haar nette gewaad was wit met een bijpassende tint hemelsblauw, alsof ze daarmee de doorlopend bewolkte hemel uitdaagde. ‘Wat?’ vroeg Elayne.
‘Eén week,’ zei Melfane, en ze zwaaide met een dikke vinger naar Elayne. ‘U mag een week niet rondlopen.’
Elayne knipperde stomverbaasd met haar ogen terwijl haar uitputting haar even verliet. Melfane glimlachte er vrolijk bij toen ze Elayne die onmogelijke straf oplegde. Bedrust? Een wéék lang? Birgitte stond in de deuropening, Mart in de kamer erachter. Hij was naar buiten gelopen zodat Melfane haar onderzoek kon doen, maar verder had hij om haar heen gedraaid, bijna net zo beschermend als Birgitte. Je zou echter niet zeggen dat ze om haar gaven, zoals ze spraken; de twee liepen de hele tijd te vloeken en probeerden elkaar daarin naar de kroon te steken. Elayne had een paar nieuwe dingen geleerd. Wie had gedacht dat honderdpoten zoiets deden? Haar kinderen waren veilig, voor zover Melfane kon bepalen. Dat was het belangrijkste. ‘Bedrust is natuurlijk onmogelijk,’ zei Elayne. ‘Ik heb veel te veel te doen.’
‘Nou, dat zult u dan vanuit uw bed moeten doen,’ antwoordde Melfane vriendelijk maar volkomen onverzettelijk. ‘Uw lichaam en uw kind hebben grote spanning doorstaan. Beide hebben tijd nodig om zich te herstellen. Ik zal op u letten en zorgen dat u zich aan strikte voedingsrichtlijnen houdt.’
‘Maar...’
‘Ik wil geen uitvluchten horen,’ viel Melfane haar in de rede. ik ben de koningin!’ riep Elayne geërgerd uit.
‘En ik ben de vroedvrouw van de koningin,’ antwoordde Melfane, nog steeds rustig. ‘Er is geen soldaat of bediende in dit paleis die me niet zal bijstaan als ik bepaal dat uw gezondheid – en die van uw kleintje – gevaar loopt.’ Ze keek Elayne in de ogen. ‘Wilt u mijn woorden soms op de proef stellen, Majesteit?’ Elayne kromp ineen toen ze zich voorstelde dat haar eigen wachters haar verboden haar vertrekken te verlaten. Of erger nog, haar vastbonden. Ze keek naar Birgitte, maar die knikte enkel tevreden. ‘Net wat je verdient,’ leek ze met die knik te zeggen. Elayne ging gefrustreerd achteroverzitten in haar bed. Het was een reusachtig hemelbed, versierd in rood en wit. De kamer was mooi ingericht, fonkelend dankzij de verschillende kunststukken van kristal en robijn. Het zou een prachtige vergulde kooi zijn, ja. Licht! Dit was niet eerlijk! Ze knoopte de voorkant van haar nachthemd dicht.
‘Ik zie dat u mijn woord niet wilt beproeven,’ zei Melfane, die opstond. ‘U betoont zich wijs.’ Ze keek naar Birgitte. ‘U mag even met de kapitein-generaal praten over de gebeurtenissen van vanavond. Maar niet meer dan een halfuur, hoor. Ik wil niet dat u zich inspant!’
‘Maar...’
Melfane zwaaide weer met die vinger. ‘Een halfuur, Majesteit. U bent een vrouw, geen ploegdier. U hebt rust en zorg nodig.’ Ze wendde zich tot Birgitte. ‘Maak haar niet onnodig van streek.’
‘Ik zou het niet in m’n hoofd halen,’ zei Birgitte. Haar woede begon eindelijk weg te ebben en plaats te maken voor vermaak. Onuitstaanbaar mens.
Melfane trok zich terug in de andere kamer. Birgitte bleef waar ze was en keek Elayne met samengeknepen ogen aan. Enig ongenoegen kolkte en wervelde nog door de binding. De twee bleven elkaar een tijdje aankijken.
‘Wat moeten we toch met je aan, Elayne Trakand?’ vroeg Birgitte uiteindelijk.
‘Me opsluiten in mijn slaapkamer, kennelijk,’ snauwde Elayne. ‘Geen slechte oplossing.’
‘En wil je me hier dan eeuwig houden?’ vroeg Elayne. ‘Net als Gelfina uit de verhalen, duizend jaar lang opgesloten in de vergeten toren?’
Birgitte zuchtte. ‘Nee. Maar een maandje of zes zou mij een stuk geruster maken.’
‘Daar hebben we geen tijd voor,’ antwoordde Elayne. ‘We hebben tegenwoordig nergens meer tijd voor. We moeten dingen wagen.’
‘Dingen wagen zoals dat de koningin van Andor in haar eentje naar een bende van de Zwarte Ajah gaat? Je lijkt wel een of andere bloeddorstige stommeling op het slagveld, die voor zijn kameraden uit rent en op zoek gaat naar de dood zonder dat hij een schildkameraad heeft om hem rugdekking te geven!’ Elayne was stomverbaasd over haar woede.
‘Vertrouw je me dan niet, Elayne?’ vroeg Birgitte. ‘Zou je liever van me af zijn?’
‘Wat? Nee! Natuurlijk vertrouw ik je.’
‘Waarom laat je me dan niet helpen? Ik hoor hier nu niet eens te zijn. Ik heb geen ander doel dan dat wat de omstandigheden me hebben gegeven. Je hebt me je Zwaardhand gemaakt, maar je laat je niet beschermen! Hoe kan ik je lijfwacht zijn als je me niet waarschuwt voordat je jezelf in gevaar brengt?’
Elayne had zin om de dekens omhoog te trekken en zichzelf af te schermen van die ogen. Hoe kon Birgitte zich nu zo gekwetst voelen? Elayne was degene die gewond was geraakt! ‘Als het iets uitmaakt,’ zei ze, ‘ik ben niet van plan dit nog eens te doen.’
‘Nee. Je doet wel weer iets anders roekeloos.’
‘Ik bedoel dat ik voorzichtiger zal zijn. Misschien heb je gelijk en is Mins visioen geen volmaakte waarborg. Ik raakte in ieder geval beslist in paniek toen ik werkelijk gevaar bespeurde.’
‘Bespeurde je dan geen echt gevaar toen de Zwarte Ajah je knevelde en probeerde te ontvoeren?’