Elayne aarzelde. Ze had die keer bang moeten zijn, maar dat was ze niet geweest. En niet alleen vanwege Mins visioen. De Zwarte Ajah zou haar nooit hebben vermoord, niet onder die omstandigheden. Ze was te waardevol.
Maar toen ze dat mes in haar zij had gevoeld, door haar huid heen stekend in de richting van haar buik... dat was anders geweest. Die doodsangst. Ze kon zich nog herinneren dat alles om haar heen zwart was geworden, en haar bonzende hartslag, steeds luider, als de trom-roffels aan het eind van een optreden. Die waarop altijd de stilte volgt.
Birgitte keek Elayne schattend aan. Ze kreeg Elaynes gevoelens mee.
Elayne was de koningin. Ze kon het gevaar niet altijd ontlopen. Maar... misschien kon ze zich een beetje inhouden. ‘Nou,’ zei Birgitte, ‘heb je dan in ieder geval iets nieuws ontdekt?’
‘Ja,’ zei Elayne. ‘Ik...’
Op dat ogenblik verscheen er een gezicht met een halsdoek ervoor om de hoek van de deur. ‘Ben je bedekt?’
‘Ja,’ zei Elayne. ‘En veel stijlvoller dan jij, Martrim Cauton. Die halsdoek staat belachelijk.’
Hij fronste, trok de doek voor zijn ogen weg en onthulde zijn hoekige gezicht. ‘Probeer jij je maar eens door de stad te bewegen zonder herkend te worden,’ zei hij. ‘Elke slager, waard en verrekte beurzensnijder schijnt tegenwoordig te weten hoe ik eruitzie.’
‘De Zwarte zusters hadden de bedoeling om je te vermoorden,’ zei Elayne.
‘Wat?’ vroeg Mart.
Elayne knikte. ‘Een van hen had het over je. Het klonk alsof de Duistervrienden je al enige tijd zoeken, met de bedoeling je te vermoorden.’
Birgitte haalde haar schouders op. ‘Het zijn Duistervrienden. Ze willen ons ongetwijfeld allemaal dood hebben.’
‘Dit was anders,’ zei Elayne. ‘Het leek... intenser. Ik raad je aan voorlopig goed je hoofd erbij te houden.’
‘Dat zal niet veel uithalen,’ merkte Birgitte op. ‘Aangezien er niets in dat hoofd zit.’
Mart sloeg zijn ogen ten hemel. ‘Heb ik je uitleg gemist over wat je eigenlijk in die verrekte kerkers deed, zittend in een plas bloed, verfomfaaid alsof je een schermutseling op het slagveld had verloren?’
‘Ik ondervroeg de Zwarte Ajah,’ zei Elayne. ‘De bijzonderheden gaan je niet aan. Birgitte, heb je verslag van de wachters gekregen?’
‘Niemand heeft Mellar zien vertrekken,’ antwoordde de Zwaardhand. ‘Hoewel we wel het lichaam van de klerk op de benedenverdieping hebben aangetroffen. Hij was nog warm en had een mes in zijn rug.’
Elayne zuchtte. ‘Shiaine?’
‘Weg,’ zei Birgitte, ‘samen met Marillin Gemalfin en Falion Bhoda.’
‘De Schaduw kon hen niet bij ons laten,’ zei Elayne zuchtend. ‘Ze weten te veel. Ze moesten ofwel gered, of terechtgesteld worden.’
‘Nou,’ zei Mart schouderophalend, ‘jij leeft nog, en drie van hen zijn dood. Dat lijkt me een redelijk goede afloop.’ Maar degenen die zijn ontkomen, hebben een kopie van je penning, dacht Elayne. Ze sprak dat echter niet uit. Ze sprak ook niet over de invasie waar Chesmal het over had gehad. Ze zou daar natuurlijk binnenkort met Birgitte over praten, maar eerst wilde ze er zelf over nadenken.
Mart had gezegd dat de gebeurtenissen van vanavond ‘redelijk goed waren afgelopen’. Maar hoe meer Elayne erover nadacht, hoe ontevredener ze werd. Er was een invasie van Andor ophanden, maar ze wist niet wanneer. De Schaduw wilde Mart dood hebben, maar zoals Birgitte al had gezegd was dat geen verrassing. In feite was de enige vaststaande uitkomst van de belevenissen van vanavond dit vermoeide gevoel. Dat en een week opsluiting in haar vertrekken. ‘Mart,’ zei ze, terwijl ze zijn penning afdeed. ‘Hier, het wordt tijd dat je deze terugkrijgt. Maar je moet wel weten dat hij vanavond waarschijnlijk mijn leven heeft gered.’
Hij stapte naar haar toe en pakte de penning gretig aan, maar toen aarzelde hij. ‘Is het je gelukt om...’
‘Hem na te maken? Niet volmaakt. Maar wel tot op zekere hoogte.’ Hij deed de penning weer om, maar bleef bezorgd kijken. ‘Nou, het voelt fijn om hem terug te hebben. Ik wilde je eigenlijk nog iets vragen. Al is het nu misschien niet de juiste tijd.’
‘Zeg het maar,’ zei Elayne vermoeid. ‘Het kan net zo goed nu.’
‘Nou, het gaat over de gholam...’
‘De meeste burgers hebben de stad verlaten,’ vertelde Yoeli terwijl hij en Ituralde door de poort van Maradon liepen. ‘We zitten dicht bij de Verwording; dit is niet de eerste keer dat we geëvacueerd zijn. Mijn eigen zus, Sigril, leidt de Laatste Ruiters, die van de rand in het zuidoosten toekijken en bericht sturen mochten we falen. Zij zal ook al bericht hebben gestuurd naar onze wachtposten rondom Saldea om hulp te vragen. Ze steekt een waakvuur aan om ons te waarschuwen zodra ze komen.’
De man met het smalle gezicht keek Ituralde grimmig aan. ‘Er zullen ons niet veel troepen te hulp kunnen komen. Koningin Tenobia heeft de meeste soldaten meegenomen toen ze uitreed op zoek naar de Herrezen Draak.’
Ituralde knikte. Hij liep zonder te hinken; Antail, een van de Asha’man, was behoorlijk vaardig in Heling. Zijn mannen sloegen haastig het kamp op op het plein binnen de stadspoorten. De Trolloks hadden de tenten verzameld die waren achtergebleven en die in de avond in brand gestoken om licht te laten schijnen op hun feestmaal, bestaande uit de gewonden. Ituralde had enkele van zijn soldaten naar de lege gebouwen verplaatst, maar hij wilde de rest dicht bij de poorten hebben, voor het geval dat er een aanval kwam. De Asha’man en Aes Sedai hadden samengewerkt om Ituraldes mannen te Helen, maar alleen de ergste gevallen konden aandacht krijgen. Ituralde knikte naar Antail, die op een afgezet gedeelte van het plein bij de gewonden aan het werk was. Antail zag zijn knik niet. Hij concentreerde zich zwetend, werkend met een Kracht waar Ituralde liever niet over nadacht.
‘Weet je zeker dat je ze wilt zien?’ vroeg Yoeli. Hij had de lange speer van een ruiter over zijn schouder, met aan de punt een driehoekig zwart met geel vaandel. De Saldeanen hier noemden die de Banier der Verraders.
Er hing een vijandige stemming in de stad, doordat verschillende groepen Saldeanen elkaar met grimmige blikken bekeken. Velen droegen repen zwarte en gele stof, om elkaar heen gedraaid en vastgebonden aan hun zwaardschede. Ze knikten naar Yoeli. Desya gavane cierto cuendar isain carentin, dacht Ituralde. Een frase uit de Oude Spraak die betekende: ‘Een vastberaden hart is tien rechtvaardigingen waard.’ Hij kon wel raden wat dat vaandel betekende. Soms wist een man wat hij moest doen, ook al leek het verkeerd.
Samen liepen ze een tijdje door de straten. Maradon leek op de meeste andere steden in de Grenslanden: rechte muren, vierkante gebouwen, smalle straten. De huizen leken wel forten, met kleine vensters en stevige deuren. De straten maakten vreemde bochten en er waren geen rieten daken; alleen maar leien, die brandbestendig waren. Het gedroogde bloed op verschillende belangrijke kruisingen was moeilijk te zien op het donkere steen, maar Ituralde wist waar hij op moest letten. Yoeli’s redding van zijn troepen was gekomen na onderlinge gevechten tussen de Saldeanen.
Ze kwamen aan bij een onopvallend gebouw. Een buitenstaander kon met geen mogelijkheid weten dat dit het onderkomen van Vram Torkumen was, een verre neef van de koningin die in haar afwezigheid als stadsbestuurder was aangesteld. De soldaten bij de deur droegen geel en zwart. Ze brachten Yoeli een saluut. Binnen betraden Ituralde en Yoeli een smal trappenhuis en ze gingen drie trappen op. Er waren soldaten in bijna alle kamers. Op de bovenverdieping stonden vier mannen met de Banier der Verraders op wacht bij een grote, met goud ingelegde deur. De gang was donker: smalle vensters, een kleed in zwart, groen en rood. ‘Iets te melden, Tarran?’ vroeg Yoeli.
‘Helemaal niets, commandant,’ zei de man met een saluut. Hij had een lange snor en de gebogen benen van een man die zich thuis voelde in het zadel.
Yoeli knikte. ‘Dank je, Tarran. Voor alles wat je doet.’
‘Ik sta aan uw zijde, commandant, en zal dat ook aan het einde doen.’