Выбрать главу

‘Mogen je ogen naar het noorden gericht blijven, maar je hart naar het zuiden, mijn vriend,’ zei Yoeli, die diep ademhaalde en de deur openduwde. Ituralde volgde.

Binnen bij de haard zat een Saldeaanse man in een kostbare rode mantel te nippen van een beker wijn. Een vrouw in een mooi gewaad zat in de stoel tegenover hem te borduren. Ze keken geen van beiden op.

‘Heer Torkumen,’ zei Yoeli. ‘Dit is Rodel Ituralde, leider van het Domaanse leger.’

De man bij de haard zuchtte in zijn beker wijn. ‘Je klopt niet aan, je wacht niet tot ik je binnenroep, je komt op een tijdstip waarvan ik je verteld heb dat ik dan behoefte heb aan rustige overpeinzing.’

‘Toe, Vram,’ zei de vrouw, ‘verwacht je nou echt beleefdheid van die man? Nu nog?’

Yoeli legde rustig zijn hand op het gevest van zijn zwaard. De kamer bevatte merkwaardig uiteenlopende meubelstukken: een bed aan de zijkant van de kamer dat hier overduidelijk niet hoorde, een paar kisten en staande kledingkasten.

‘Zo,’ zei Vram, ‘Rodel Ituralde dus. Een van de Grote Kapiteins. Ik besef dat het misschien beledigend is dat ik het vraag, maar ik moet de vormelijkheid in acht nemen. Je beseft dat je, door soldaten op ons grondgebied te brengen, mogelijk een oorlog begint?’

‘Ik dien de Herrezen Draak,’ zei Ituralde. ‘Tarmon Gai’don komt eraan, en alle voorgaande bondgenootschappen, grenzen en wetten zijn onderworpen aan de wil van de Draak.’

Vram klakte met zijn tong. ‘Draakgezworenen. Ik had natuurlijk verslagen gekregen; en die mannen die je inzet, lijken een overduidelijke aanwijzing. Maar het is nog steeds zo vreemd om te horen. Besef je niet hoe belachelijk je klinkt?’

Ituralde keek de man in de ogen. Hij had zichzelf niet als een Draakgezworene beschouwd, maar het had geen zin om een paard een steen te noemen en te verwachten dat iedereen het ermee eens zou zijn. ‘Geeft u niet om de oprukkende Trolloks?’

‘Er zijn al eerder Trolloks geweest,’ zei Vram. ‘Er zijn altijd Trolloks geweest.’

‘De koningin...’ begon Yoeli.

‘De koningin,’ viel Vram hem in de rede, ‘komt binnenkort terug van haar tocht om die valse Draak te ontmaskeren en gevangen te nemen. Zodra dat gebeurt, zal ze zorgen dat jij wordt terechtgesteld, verrader. Jij, Rodel Ituralde, zult waarschijnlijk worden gespaard vanwege je status, maar ik zou niet in de schoenen van je familie willen staan als ze de eis om losgeld ontvangen. Ik hoop dat je grote naam gepaard gaat met grote rijkdom. Anders zul je namelijk een groot aantal van de komende jaren generaal kunnen spelen over de ratten in je cel.’

‘Ik begrijp het,’ zei Ituralde. ‘Wanneer ben je overgelopen naar de Schaduw?’

Vrams ogen werden groot, en hij stond op. ‘Durf je me voor Duistervriend uit te maken?’

‘Ik heb eerder Saldeanen gekend,’ zei Ituralde. ‘Sommigen van hen heb ik vriend genoemd; tegen anderen heb ik gestreden. Maar ik heb er nooit een gekend die rustig zou toekijken terwijl anderen tegen Schaduwgebroed vochten en zijn hulp niet zou aanbieden.’

‘Als ik een zwaard had...’ dreigde Vram.

‘Je mag branden, Vram Torkumen,’ zei Ituralde. ‘Dat kwam ik je vertellen, uit naam van de mannen die ik heb verloren.’ De man leek geschokt toen Ituralde zich omdraaide en wegliep. Yoeli liep met hem mee en sloot de deur achter hen. ‘Ben je het oneens met mijn beschuldiging?’ vroeg Ituralde, die met de verrader meeliep naar de trap.

‘Ik kan eerlijk gezegd niet besluiten of hij nu een dwaas is of een Duistervriend,’ antwoordde Yoeli. ‘Hij moet haast wel het een of het ander zijn om niet de waarheid in te zien na de winter, die wolken en de geruchten dat Altor de halve wereld heeft veroverd.’

‘Dan heb je niets te vrezen,’ zei Ituralde. ‘Je wordt niet terechtgesteld.’

‘Ik heb landgenoten gedood,’ zei Yoeli, ‘een opstand tegen de door mijn koningin gekozen leider in gang gezet en het bevel over de stad overgenomen, hoewel ik geen druppel adellijk bloed heb.’

‘Dat zal veranderen zodra Tenobia terugkeert, durf ik te wedden,’ zei Ituralde. ‘Je hebt beslist een titel verdiend.’ Yoeli bleef in het donkere trappenhuis staan, alleen van boven en benedenaf verlicht. ‘Je begrijpt het niet, kennelijk. Ik heb mijn geloften geschonden en vrienden gedood. Ik zal een terechtstelling eisen. Daar heb ik recht op.’

Ituralde verkilde. Stomme Grenslanders, dacht hij. ‘Zweer dan aan de Draak. Hij overstijgt alle geloften. Vergooi je leven niet. Vecht aan mijn zijde in de Laatste Slag.’

‘Ik zal me niet verstoppen achter uitvluchten, Ituralde,’ zei de man, die verder de trap afliep. ‘Net zomin als ik kon toekijken terwijl jouw mannen sneuvelden. Kom. We gaan ons om het onderkomen van die Asha’man bekommeren. Ik wil heel graag die “Poorten” zien waar je het over had. Als we die kunnen gebruiken om boodschappen te versturen en proviand binnen te halen, dan kan dit een heel belangwekkend beleg worden.’

Ituralde zuchtte, maar hij liep achter de man aan. Hij had het niet gehad over vluchten via de Poorten. Yoeli zou zijn stad niet in de steek laten. En, besefte hij, Ituralde zou Yoeli en zijn mannen niet in de steek laten. Niet na wat ze hadden doorstaan om hem te redden. Dit was net zo’n goede plek als elke andere om stand te houden. En beter dan veel locaties waar hij de laatste tijd had gezeten, dat stond vast.

Perijn ging de tent in, waar Faile haar haren zat te kammen. Ze was prachtig. Elke dag had hij nog een gevoel van verwondering dat ze echt terug was.

Ze draaide zich om en glimlachte tevreden. Ze gebruikte de nieuwe zilveren kam die hij op haar kussen had gelegd; iets waarvoor hij had geruild met Gaul, die hem in Malden had gevonden. Als die shanna’har belangrijk voor haar was, dan wilde Perijn het ook zo behandelen.

‘De boodschappers zijn terug,’ zei Perijn, die de tentflappen sloot. ‘De Witmantels hebben een slagveld gekozen. Licht, Faile. Ze willen me dwingen hen uit te roeien.’

‘Ik zie daar geen been in,’ zei ze. ‘We winnen wel.’

‘Waarschijnlijk,’ zei Perijn, die op de kussens naast hun slaapvlonder ging zitten. ‘Maar hoewel de Asha’man aanvankelijk het meeste werk zullen doen, moeten we dichterbij gaan om te vechten. Dat betekent dat we mannen zullen verliezen. Goede mannen die we voor de Laatste Slag nodig hebben.’ Hij dwong zichzelf om zijn gebalde vuisten te ontspannen. ‘Het Licht verzenge die Witmantels om wat ze hebben gedaan en nog steeds doen.’

‘Dan is het een welkome mogelijkheid om hen te verslaan.’ Perijn gromde een antwoord, maar legde niet uit hoe gefrustreerd hij zich voelde. Hij zou dat gevecht tegen de Witmantels verliezen, ongeacht de uitkomst. Aan beide kanten zouden mannen sterven. Mannen die ze nodig hadden.

Er flitste bliksem, en schaduwen schoten over het tentdak. Faile liep naar hun kist, haalde er een nachthemd voor zichzelf uit en legde een mantel voor hem klaar. Ze vond dat een heer altijd een huismantel klaar moest hebben liggen, voor het geval dat hij ’s nachts nodig was. Ze had het tot nu toe al een paar keer bij het rechte eind gehad.

Ze liep langs hem heen en rook bezorgd, hoewel haar gezicht ontspannen stond. Hij had alle mogelijkheden voor een vreedzame oplossing met de Witmantels uitgeput. Het leek erop, of hij het nu wilde of niet, dat hij zeer binnenkort weer zou moeten doden. Hij trok zijn bovenkleding uit, ging liggen en dommelde al in voordat Faile zich had omgekleed.

Hij stapte de wolfsdroom in bij het grote zwaard dat de grond doorboorde. In de verte zag hij de heuvel die Gaul een ‘uitstekend uitkijkpunt’ had genoemd. Het kamp werd vanaf de achterzijde bevoorraad over een riviertje.

Perijn draaide zich om en rende naar het kamp van de Witmantels toe. Ze zaten als een dam in een rivier en belemmerden zijn doorreis.

‘Springer?’ riep hij, om zich heen kijkend in het Witmantelkamp van roerloze tenten op een open wei. Er kwam geen antwoord, dus doorzocht Perijn het kamp nog wat langer. Balwer had het zegel dat Perijn had beschreven niet herkend. Wie voerde die Witmantels aan? Ongeveer een uur later was Perijn daar nog niet over uit. Maar hij wist vrij aardig in welke tenten ze hun voorraden bewaarden; die werden misschien niet zo goed bewaakt als de gevangenen en mogelijk kon hij – dankzij de Poorten – hun voorraden in brand steken. Misschien. De brieven van hun Kapiteinheer-gebieder stonden vol met frasen als: ‘Ik geef uw volk het voordeel van de twijfel en ga ervan uit dat ze uw aard niet kenden,’ en: ‘Mijn geduld met uw pogingen tot uitstel loopt ten einde,’ en: ‘Er zijn maar twee opties: geef u over voor een fatsoenlijk rechtsgeding, of kom met uw leger om het oordeel van het Licht te ondergaan.’