Die man had een vreemd gevoel voor eer, dat Perijn al had aangevoeld toen hij de man had ontmoet, maar dat nog meer uit zijn brieven sprak. Maar wie was hij? Hij ondertekende zijn brieven alleen maar als ‘Kapiteinheer-gebieder van de Kinderen van het Licht’. Perijn liep de weg op. Waar was Springer? Hij zette een flinke looppas in. Even later ging hij het gras op. De aarde was zo zacht dat zijn voet bij elke stap weer de lucht in leek te worden gelanceerd. Hij tastte rond met zijn geest en dacht iets te voelen in het zuiden. Hij rende ernaartoe; hij wenste dat hij sneller kon gaan, en dat gebeurde. Bomen en heuvels schoten langs hem heen. De wolven waren zich van hem bewust. Het was het roedel van Eikendanser, met Tomeloos, Vonken, Ochtendlicht en andere wolven. Perijn voelde dat ze gedachten naar elkaar stuurden, verre fluisteringen van beelden en geuren. Perijn liep sneller en de wind raasde om hem heen.
De wolven begonnen zich verder naar het zuiden te verplaatsen. Wacht! stuurde hij zijn gedachten naar hen toe. Ik moet jullie spreken!
Ze stuurden alleen vermaak terug. Plotseling gingen ze naar het oosten, en Perijn kwam tot stilstand en draaide zich om. Hij rende zo snel hij kon, maar toen hij in de buurt kwam, waren ze plotseling weer elders. Ze waren weggesprongen, verdwenen uit het zuiden en ten noorden van hem weer opgedoken.
Perijn gromde, en plotseling liep hij op vier poten. Zijn vacht bewoog in de wind, zijn bek hing open terwijl hij naar het noorden galoppeerde en diepe teugen van de fluitende wind inademde. Maar de wolven bleef hem ver voor.
Hij huilde. Zij stuurden sarrende gedachten terug. Hij zette zich tot meer snelheid aan, sprong van heuveltop naar heuveltop, zeilde over bomen heen, en de grond werd een waas. Niet lang daarna verschenen ineens de Mistbergen links van hem, en hij rende ze in een streep voorbij.
De wolven wendden oostwaarts. Waarom kon hij ze niet inhalen? Hij rook ze verderop. Jonge Stier jankte naar hen, maar kreeg geen antwoord.
Je moet hier niet te sterk aanwezig zijn, Jonge Stier. Jonge Stier stond stil en de wereld draaide om hem heen. Het roedel liep verder naar het oosten, maar Springer zat op zijn achterwerk naast een brede, bochtige stroom. Jonge Stier was hier eerder geweest; het was vlak bij het hol waar hij was geboren. Hij had de rivier hier bereisd op de drijvende bomen van de mensen. Hij... Nee... nee... denk aan Faile!
Zijn vacht werd kleding en hij merkte dat hij op handen en knieën zat. Woest keek hij Springer aan. ‘Waarom renden jullie weg?’ wilde Perijn weten.
Jij wilt leren, antwoordde Springer. Je wordt vaardiger. Sneller. Je strekt je poten en rent. Dat is goed.
Perijn keek achterom naar waar hij vandaan was gekomen en dacht na over zijn snelheid. Hij was van de ene heuvel naar de volgende gesprongen. Het was heerlijk geweest. ‘Maar ik moest er wel een wolf voor worden,’ zei Perijn. ‘En dat dreigde me hier “te sterk aanwezig” te maken. Wat heb ik eraan te leren als ik daardoor dingen doe die jij hebt verboden?’
Je kent snel blaam toe, Jonge Stier. Zijn gedachte kwam aan als het gejank en geblaf van een jonge wolf bij het hol, met veel lawaai. Dat is niet iets van wolven. Springer was in een oogwenk verdwenen.
Perijn gromde en keek naar het oosten, waar hij de wolven voelde. Hij ging achter hen aan, maar nu behoedzamer. Hij mocht zich niet door de wolf laten verteren. Hij zou eindigen als Noam, opgesloten in een kooi, ontdaan van zijn menselijkheid. Waarom zou Springer hem aanmoedigen dat te doen?
Dat is niet iets van wolven. Had hij de beschuldigingen bedoeld, of had hij het gehad over wat er met Perijn gebeurde? De andere wisten allemaal wanneer ze de jacht moesten beëindigen, Jonge Stier, zei Springer vanuit de verte. Alleen jij moest worden tegengehouden.
Perijn verstijfde en kwam tot stilstand op de rivieroever. De jacht op de witte hertenbok. Springer was plotseling bij hem, bij de rivier. ‘Dit begon toen ik de wolven nog maar pas voelde,’ zei Perijn. ‘De eerste keer dat ik mijn beheersing verloor was bij die Witmantels.’ Springer ging liggen en legde zijn kop op zijn voorpoten. Je bent hier vaak te sterk aanwezig, zei de wolf. Dat doe je nu eenmaal. Springer had hem dat wel vaker verteld sinds hij de wolf en de wolfsdroom kende. Maar ineens zag Perijn er een nieuwe betekenis in. Het ging over zijn komst in de wolfsdroom, maar het ging ook over hem zelf. Hij was de wolven de schuld gaan geven voor wat hij deed, voor hoe hij was als hij vocht, voor hoe hij was geworden toen hij op zoek was naar Faile. Maar waren de wolven daar de oorzaak van? Of was het een deel van hemzelf? Kon het zijn dat hij daardoor juist ooit een wolfsbroeder was geworden?
‘Is het mogelijk,’ vroeg Perijn, ‘om te rennen op vier poten maar hier niet te sterk aanwezig te zijn?’
Natuurlijk, antwoordde Springer, lachend zoals wolven dat doen; alsof dat wat Perijn had ontdekt het meest natuurlijke ter wereld was. En misschien was het dat ook wel.
Misschien leek hij niet op de wolven omdat hij een wolfsbroeder was. Misschien was hij een wolfsbroeder geworden omdat hij op de wolven leek. Hij hoefde hen niet te beheersen. Hij moest zichzelf beheersen.
‘Het roedel,’ zei Perijn. ‘Hoe haal ik ze in? Hoe ren ik sneller?’
Dat is één manier. Een andere is om te zijn waar je wilt zijn. Perijn fronste zijn voorhoofd. Toen sloot hij zijn ogen en bepaalde aan de hand van de richting waarin de wolven renden waar ze zouden zijn. Er verschoof iets.
Toen hij zijn ogen opende, stond hij op een zandige heuvel waar pollen hoog gras uit de grond staken. Rechts van hem verrees een reusachtige berg met een gebroken top, alsof een reus er een klap op had gegeven.
Een roedel wolven schoot het bos uit. Veel van hen lachten. Jonge Stier, op jacht terwijl hij op zoek moet zijn naar het einde’. Jonge Stier, op zoek naar het einde terwijl hij zou moeten genieten van de jacht! Hij glimlachte en probeerde hun gelach goedmoedig te ondergaan, hoewel hij zich eigenlijk net zo voelde als op de dag dat zijn neef Wil een emmer vol natte veren over hem heen had gekieperd. Er dwarrelde iets door de lucht. Een kippenveer. Een beetje nat. Perijn schrok en besefte dat de veren op de grond om hem heen lagen. Toen hij met zijn ogen knipperde, verdwenen ze. De wolven roken ontzettend vermaakt en stuurden hem beelden van Jonge Stier bedekt met veren.
Verdwaal hier in je dromen, Jonge Stier, zei Springer, en die dromen worden déze droom.
Perijn krabde in zijn baard en vocht tegen zijn schaamte. Hij had de onvoorspelbare aard van de wolfsdroom al eerder ervaren. ‘Springer,’ zei hij, zich wendend tot de wolf. ‘Hoeveel zou ik aan mijn omgeving kunnen veranderen als ik wilde?’
Als je wilde? herhaalde Springer. Het gaat niet om wat je wilt, Jonge Stier. Het gaat om wat je nodig hebt. Wat je weet. Perijn fronste zijn voorhoofd. Soms waren de uitspraken van de wolf nog steeds verwarrend.
Ineens draaiden de andere wolven in de groep zich als één om en keken naar het zuidwesten. Ze verdwenen.
Ze zijn hierheen gegaan. Springer stuurde hem een beeld van een verre, beboste laagte. De wolf wilde hen volgen.