Выбрать главу

‘Te jong?’ vroeg Perijn, en hij stond op. ‘Springer, de Laatste Jacht kan ieder ogenblik beginnen!’ Springer ging liggen, met zijn kop op zijn poten. ‘Je zegt altijd dat ik te jong ben,’ zei Perijn. ‘Of dat ik niet weet wat ik doe. Nou, waar anders dient je onderwijs voor dan om me te leren hoe ik tegen mannen als Slachter moet vechten?’ We zullen zien, zei Springer. Voor vanavond is het genoeg zo. We zijn klaar.

Perijn bespeurde een droevige ondertoon in die gedachte, en ook iets definitiefs. Vannacht zouden Eikendansers roedel en Springer rouwen om Ochtendlicht.

Zuchtend ging Perijn met gekruiste benen zitten. Hij concentreerde zich en deed enkele dingen na die Springer had gedaan om hem uit de droom te duwen.

De droom vervaagde.

Perijn ontwaakte op de vlonder in zijn donkere tent, met Faile tegen hem aan.

Hij bleef een tijdje naar het tentdak liggen staren. De duisternis deed hem denken aan de stormachtige hemel in de wolfsdroom. Slaap leek even ver weg als Caemlin. Uiteindelijk stond hij op – waarbij hij zich voorzichtig losmaakte van Faile – en trok zijn broek en hemd aan. Het kamp buiten was donker, maar voor zijn ogen was er voldoende licht. Hij knikte naar Kenne Maeren en Jaim Datrijt, de mannen uit Tweewater die vannacht zijn tent bewaakten.

‘Hoe laat is het?’ vroeg hij.

‘Na middernacht, heer Perijn,’ antwoordde Jaim. Perijn gromde. Verre bliksems verlichtten het landschap. Hij liep weg en de mannen wilden met hem meelopen. ‘Ik red me wel zonder wachters,’ zei hij. ‘Blijf bij mijn tent; vrouwe Faile slaapt nog.’

Zijn tent stond aan de buitenzijde van het kamp. Dat beviel hem wel; het gaf hem wat meer een gevoel van afzondering, genesteld tegen de helling aan de westelijke rand van het kamp. Hoewel het al laat was, zag hij dat Gaul zijn speer zat te slijpen bij een omgevallen boom. De lange Steenhond stond op en volgde hem, en Perijn stuurde hem niet weg. Gaul had de laatste tijd het gevoel dat hij zich niet voldoende kweet van zijn zelfopgelegde taak van waken over Perijn, en hij had zijn inspanningen verdubbeld. Perijn dacht dat hij eigenlijk gewoon een uitvlucht zocht om weg te blijven van zijn eigen tent en de twee gai’shainvrouwen die er hun intrek hadden genomen. Gaul hield afstand, waar Perijn blij om was. Voelden alle leiders zich zo? Geen wonder dat zoveel landen oorlog met elkaar voerden; hun leiders kregen nooit de tijd om zelf na te denken en vielen waarschijnlijk alleen maar aan zodat mensen ophielden hen lastig te vallen!

Een stukje verderop ging hij een klein bosje in waar een stapel boomstammetjes lag. Denton – zijn bediende totdat ze Langwin terughaalden – had gefronst toen Perijn daarom vroeg. Denton, die ooit een lagere edele in Cairhien was, had geweigerd terug te keren naar zijn woonplaats. Hij zag zichzelf nu als een bediende en was met geen mogelijkheid om te praten.

Er lag een bijl. Niet de dodelijke halvemaanvormige bijl die Perijn ooit in de strijd had gebruikt, maar een stevige houthakkersbijl met een fijne stalen kop en een steel die glad was geworden door de zweet-handen van arbeiders. Perijn stroopte zijn mouwen op, spoog in zijn handen en pakte de bijl. Het voelde fijn om het oude hout in zijn handen te hebben. Hij tilde de bijl naar zijn schouder, zette het eerste blok hout voor zich neer, stapte achteruit en zwaaide de bijl omlaag.

Hij raakte het houtblok in het midden, splinters vlogen de donkere nachtlucht in en het blok viel in twee stukken. Vervolgens spleet hij een van de helften. Gaul ging naast een boom zitten, haalde zijn speer tevoorschijn en ging verder met het slijpen van de punt. Het gerasp van metaal tegen metaal vergezelde het gebons van Perijns bijl op het hout.

Het was een fijn gevoel. Hoe kon het toch dat zijn hersens zoveel beter werkten wanneer hij iets deed? Loial had het vaak over zitten en nadenken. Perijn dacht niet dat hijzelf op die manier ergens uit zou kunnen komen.

Hij splitste nog een blok hout, zonder enige moeite. Was het echt waar? Kon zijn eigen aard schuldig zijn aan hoe hij had gehandeld, in plaats van de wolven? Hij had zich in Tweewater nooit zo gedragen.

Een volgend blok hout ging in tweeën. Ik heb altijd mijn aandacht goed kunnen richten, dacht hij. Dat was onder meer waar meester Lohan van onder de indruk was geweest. Geef Perijn iets te doen, en hij blijft eraan werken tot het klaar is. Hij splitste de helften nog eens.

Misschien waren de veranderingen in hem het gevolg van zijn kennismaking met de buitenwereld. Hij had de wolven van veel dingen de schuld gegeven, en hij had onnatuurlijke eisen gesteld aan Springer. Wolven waren niet dom of achterlijk, maar ze gaven niet om de dingen waar mensen om gaven. Het moest heel moeilijk voor Springer zijn geweest om Perijn te onderwijzen op een manier die hij zou begrijpen.

Wat was de wolf hem schuldig? Springer was overleden op die noodlottige avond zo lang geleden. De avond toen Perijn voor het eerst een man had gedood, de avond dat Perijn voor het eerst zijn zelfbeheersing had verloren in de strijd. Springer was Perijn niets schuldig, maar had hem toch meerdere keren gered; in feite, besefte hij, had Springers tussenkomst voorkomen dat hij zichzelf zou verliezen als wolf.

Hij zwaaide zijn bijl op het houtblok af, maar het was een schampslag en het houtblok viel om. Hij zette het terug en ging door, begeleid door het geruststellende geluid van Gauls slijpwerk. Hij splitste het blok hout.

Perijn werd meegesleept in alles wat hij deed, misschien wel te veel. Dat was waar.

Maar tegelijkertijd, als je iets voor elkaar wilde krijgen, dan moest je je op één ding richten totdat het klaar was. Perijn had mannen gekend die nooit iets schenen af te maken, en hun boerderijen waren een puinhoop. Zo kon hij niet leven.

Er moest een evenwicht zijn. Perijn had beweerd dat hij was meegesleept in een wereld vol problemen die veel groter waren dan hij. Hij had beweerd dat hij een eenvoudig man was.

Stel dat hij het mis had? Stel dat hij een complex man was die ooit toevallig een eenvoudig leven had geleid? Als hij zo eenvoudig was, waarom was hij dan immers verliefd geworden op zo’n ingewikkelde vrouw?

De gesplitste stukken hout stapelden zich op. Perijn bukte zich en raapte de stukken op, de houtnerf ruw onder zijn vingers. Eeltige vingers; hij zou nooit een edele worden zoals die in de watten gelegde schepsels uit Cairhien. Maar er waren ook andere soorten heren, mannen zoals Failes vader. Of mannen zoals Lan, die eerder een wapen dan een man leek.

Perijn stapelde het hout op. Hij genoot ervan de wolven aan te voeren in zijn droom, maar wolven verwachtten niet van je dat je ze beschermde, of hun te eten gaf, of wetten voor hen opstelde. Ze kwamen niet bij je klagen als hun geliefden onder jouw bevel sneuvelden. Het was niet het leiderschap dat hem zorgen baarde. Het waren alle dingen die erbij kwamen kijken.

Hij rook dat Elyas eraan kwam. Met zijn kernachtige, natuurlijk aardse geur rook hij als een wolf. Bijna.

‘Jij bent nog laat op,’ zei Elyas. Perijn hoorde Gaul bewegen, zijn speer weer in zijn boogkoffer stoppen en zich toen terugtrekken met de geruisloosheid van een mus die het luchtruim koos. Hij zou in de buurt blijven, maar hij zou niet meeluisteren.

Perijn keek naar de donkere hemel, met de bijl op zijn schouder. ‘Soms voel ik me ’s nachts wakkerder dan overdag.’ Elyas glimlachte. Perijn zag het niet, maar hij rook de geur van vermaak.

‘Probeer jij het ooit te ontlopen, Elyas?’ vroeg Perijn. ‘Hun stemmen negeren, doen alsof er niets aan je is veranderd?’

‘Vroeger wel,’ zei Elyas. Hij had een zachte, lage stem, die op een of andere manier deed denken aan de aarde in beweging. Een ver gerommel. ‘Ik wilde het, maar toen wilden de Aes Sedai me stillen. Ik moest vluchten.’

‘Mis je je oude leven?’

Elyas haalde zijn schouders op; Perijn hoorde de beweging, de kleding die ruiste. ‘Geen enkele Zwaardhand wil zijn plicht verzaken, maar soms zijn andere dingen belangrijker. Of... nou, misschien hebben ze gewoon voorrang. Ik heb geen spijt van mijn keuzes.’