‘Ik kan niet weg, Elyas. Ik doe het niet.’
‘Ik heb mijn leven achtergelaten voor de wolven. Dat betekent niet dat jij dat ook moet doen.’
‘Noam moest het wel,’ zei Perijn.
‘Móést hij dat?’ vroeg Elyas.
‘Het verteerde hem. Hij was geen mens meer.
‘ Hij ving een bezorgde geur op. Elyas had geen antwoorden. ‘Bezoek je wel eens wolven in je dromen, Elyas?’ vroeg Perijn. ‘Een plek waar dode wolven weer rennen en leven?’ Elyas draaide zich om en keek hem aan. ‘Die plek is gevaarlijk, Perijn. Het is een andere wereld, hoewel hij op een of andere wijze met deze is verbonden. Volgens de legenden konden de Aes Sedai in de oudheid ernaartoe.’
‘En andere mensen ook,’ zei Perijn, denkend aan Slachter. ‘Wees voorzichtig in de droom. Ik hou me er verre van.’ Zijn geur was behoedzaam.
‘Heb jij er wel eens moeite mee?’ vroeg Perijn. ‘Jezelf los te koppelen van de wolf?’
‘Vroeger wel.’
‘Maar nu niet meer?’
‘Ik heb een evenwicht gevonden,’ zei Elyas.
‘Hoe?’
De oudere man zweeg een tijdje. ‘Ik wou dat ik het wist. Het is gewoon iets wat ik heb geleerd, Perijn. Iets wat jij ook zult moeten leren.’
Of je eindigt zoals Noam. Perijn las de onuitgesproken boodschap in Elyas’ goudkleurige ogen en knikte.
‘Dank je.’
‘Voor de raad?’
‘Nee,’ zei Perijn. ‘Dat je teruggekomen bent. Dat je me hebt laten zien dat in ieder geval één van ons met de wolven kan leven zonder zichzelf te verliezen.’
‘Het is niets,’ zei Elyas. ‘Ik was vergeten dat het wel eens leuk kon zijn onder de mensen. Ik weet alleen niet hoe lang ik kan blijven. De Laatste Jacht komt eraan.’
Perijn keek weer naar de hemel. ‘Dat is waar. Geef het voor me door aan Tam en de anderen. Ik heb mijn besluit genomen. De Witmantels hebben een slagveld gekozen. Ik heb besloten ze morgen tegemoet te treden.’
‘Goed,’ zei Elyas. ‘Je ruikt alleen niet alsof je het echt wilt.’
‘Het moet gebeuren,’ zei Perijn, ‘en dat is dat.’ Iedereen wilde dat hij leiding gaf. Nou, dit was het soort iets wat leiders deden. Besluiten nemen die niemand wilde nemen.
Het zou hem nog altijd misselijk maken om het bevel te geven. Hij had een visioen gezien van wolven die schapen naar een beest dreven. Het leek hem dat hij dat misschien deed, de Witmantels naar hun vernietiging drijven. Ze droegen in ieder geval wel de kleur van schapenwol.
Maar wat moest hij aanvangen met het visioen van Faile en de anderen, die op een klif afliepen? Elyas liep weg en liet Perijn achter met de bijl nog op zijn schouder. Hij had het gevoel dat hij geen houtblokken had gekliefd, maar lichamen.
25
Terugkeer naar Bandar Eban
Rhand en Min kondigden zich niet aan toen ze naar Bandar Eban gingen. Ze stapten door de Poort een smalle steeg in, die werd bewaakt door twee Speervrouwen – Lerian en Heidia -en Naeff, de lange Asha’man met zijn vierkante kin. De Speervrouwen liepen naar het einde van de steeg en gluurden argwanend de stad in. Rhand, gehuld in zijn bruine mantel, stapte naar voren en legde zijn hand op Heidia’s schouder om de slanke vrouw gerust te stellen, die gespannen leek omdat Rhands wacht zo klein was. Boven hen braken de wolken op, wegsmeltend boven de stad als reactie op Rhands aankomst. Min keek omhoog en voelde de warmte op haar gezicht. Het stonk verschrikkelijk in de steeg – naar afval en uitwerpselen – maar er blies een zwoele bries doorheen die de stank wegvoerde.
‘Heer Draak,’ zei Naeff. ‘Dit bevalt me niet. U hebt meer bescherming nodig. Laat ons teruggaan om meer...’
‘Het komt wel goed, Naeff,’ zei Rhand. Hij wendde zich naar Min en stak zijn hand uit.
Ze pakte die en liep met hem mee. Naeff en de Speervrouwen hadden het bevel om op een afstandje te volgen; zij zouden aandacht trekken.
Toen Min en Rhand op een van de vele loopplanken in de Domaanse hoofdstad stapten, sloeg ze haar hand voor haar mond. Rhand was nog maar korte tijd eerder vertrokken. Hoe kon de stad zo snel zijn afgegleden?
De straat was vol ziekelijke, vuile mensen, opeengepakt langs de muren en ineengedoken in dekens. Er was geen ruimte om je over de loopplanken te bewegen; Min en Rhand moesten in de modder stappen om hun weg te vervolgen. Mensen hoestten en kreunden, en Min besefte dat de stank niet beperkt was tot het steegje. De hele stad leek te stinken. Ooit hadden aan veel van deze gebouwen banieren gehangen, maar ze waren eraf gehaald en verscheurd om als dekens of brandstof te dienen.
De ramen in de meeste gebouwen waren stuk, en vluchtelingen bezetten de deuropeningen en vloeren binnen. Terwijl Min en Rhand langsliepen, draaiden de mensen zich om om naar hen te kijken. Sommigen leken koortsachtig. Anderen zagen er uitgehongerd uit. En gevaarlijk. Velen waren Domani, maar er leken evenveel mensen met een blekere huid te zijn. Vluchtelingen van de Almothvlakte of Saldea, misschien. Min legde een mes in haar mouw wat losser toen ze langs een groep taai uitziende kerels liepen die in de toegang naar een steeg rondhingen. Misschien had Naeff gelijk. Dit voelde niet veilig.
‘Ik ben ook zo door Ebo Dar gelopen,’ zei Rhand zachtjes. Plotseling werd ze zich bewust van zijn verdriet. Een verpletterend schuldgevoel, pijnlijker dan de wonden in zijn zij. ‘Dat is deels waardoor ik veranderd ben. De mensen in Ebo Dar waren gelukkig en goed doorvoed. Ze zagen er niet uit zoals deze. De Seanchanen regeren beter dan ik.’
‘Rhand, jij bent hier niet verantwoordelijk voor,’ zei Min. ‘Jij was hier niet om...’
Zijn verdriet verdiepte, en ze besefte dat ze verkeerd had gereageerd. ‘Nee,’ antwoordde hij zacht, ‘Ik was hier niet. Ik heb deze stad in de steek gelaten toen ik inzag dat ik hem niet kon gebruiken als het gereedschap dat ik wilde. Ik vergat, Min. Ik vergat waar dit allemaal om draaide. Tam had gelijk. Een man moet weten waarvoor hij vecht.’
Hij had zijn vader – samen met een Asha’man – naar Tweewater gestuurd om de mensen daar voor te bereiden en te verzamelen voor de Laatste Slag.
Rhand struikelde en leek ineens erg moe. Hij ging op een kist langs de weg zitten. Een straatjongen met een koperkleurige huid keek aandachtig naar hem vanuit een deuropening. Aan de overkant was een zijstraat van de hoofdstraat. Daar waren niet zoveel mensen; er stonden onaangenaam ogende mannen met knuppels bij de ingang. ‘Ze verdelen zich in bendes,’ zei Rhand zacht, met afhangende schouders. ‘De rijken huren de sterken in om hen te beschermen, om de anderen te verjagen die op zoek zijn naar hun rijkdom. Maar die rijkdom bestaat niet uit goud of juwelen. Het gaat nu om voedsel.’
‘Rhand,’ zei ze, en ze liet zich op haar knie naast hem zakken. ‘Je kunt niet...’
‘Ik weet dat ik moet doorgaan,’ zei Rhand, ‘maar de wetenschap van alles wat ik heb gedaan doet me pijn, Min. Door mezelf in staal te veranderen, heb ik al die gevoelens weggedrukt. Toen ik mezelf toestond weer om dingen te geven, weer te lachen, moest ik me ook weer openstellen voor mijn mislukkingen.’
‘Rhand, ik zie zonlicht om je heen.’ Hij keek naar haar, en toen naar de hemel.
‘Niet dat zonlicht,’ fluisterde Min. ‘Een visioen. Ik zie donkere wolken, weggeduwd door de warmte van het zonlicht. Ik zie jou met een helwit zwaard in je hand, gehanteerd tegen een zwart zwaard in de hand van een gezichtsloze duisternis. Ik zie bomen die weer groen worden en fruit dragen. Ik zie een akker met gezonde en gedijende gewassen.’ Ze aarzelde. ‘Ik zie Tweewater, Rhand. Ik zie daar een herberg met het teken van de Drakentand op de deur. En het is niet langer een teken van duisternis of haat, maar van overwinning en hoop.’
Hij keek haar aan.
Vanuit haar ooghoeken ving Min iets op. Ze draaide zich om naar de mensen op straat, en haar mond viel open. Boven hen allemaal hingen afbeeldingen. Het was opmerkelijk zo veel visioenen tegelijk te zien, opflitsend boven de hoofden van de zieken, de zwakken en de veriatenen.
‘Ik zie een zilveren bijl boven het hoofd van die man,’ zei ze, wijzend naar een bedelaar met een baard die met zijn kin op zijn borst tegen een muur lag. ‘Hij zal een leider zijn in de Laatste Slag. Die vrouw daar – die in de schaduwen blijft – zal worden opgeleid door de Witte Toren en Aes Sedai worden. Ik zie de Vlam van Tar Valon naast haar, en ik weet wat dat betekent. Die man daar, die eruitziet als een gewone straatrover? Hij zal haar leven redden. Ik weet dat het hem niet aan te zien is, maar hij zal vechten. Ze zullen allemaal vechten. Ik zie het!’