Ze keek Rhand aan en pakte zijn hand. ‘Jij zult sterk zijn, Rhand.
Je kunt dit. Jij zult ze aanvoeren. Ik wéét het.’
‘Heb je dat gezien?’ vroeg hij. ‘In een visioen?’
Ze schudde haar hoofd. ‘Dat is niet nodig. Ik geloof in jou.’
‘Ik had je bijna gedood,’ fluisterde hij. ‘Als je naar me kijkt, zie je een moordenaar. Je voelt mijn hand om je keel.’
‘Wat? Natuurlijk niet! Rhand, kijk in mijn ogen. Je voelt me door de binding. Bespeur je ook maar een greintje aarzeling of angst bij me?’
Zijn ogen, zo diep, keken onderzoekend in de hare. Ze sloeg haar blik niet neer. Ze kon best in de ogen van haar schaapherder kijken. Hij rechtte zijn rug een beetje. ‘O, Min. Wat zou ik toch zonder jou moeten?’
Ze snoof. ‘Je volgelingen zijn koningen, Aielhoofdmannen, Aes Sedai, Asha’man en ta’veren. Je zou je vast wel redden.’
‘Nee,’ zei Rhand. ‘Jij bent belangrijker dan hen allemaal. Jij herinnert me aan wie ik ben. Bovendien heb je een helderder verstand dan de meeste mensen die zich mijn raadslieden noemen. Je zou koningin kunnen zijn als je wilde.’
‘Ik wil alleen maar jou, domme lomperik.’
‘Dank je.’ Hij aarzelde. ‘Hoewel je me best wat minder zou mogen uitschelden.’
‘Het leven is hard, hè?’
Hij glimlachte. Toen stond hij op en haalde diep adem. Zijn schuldgevoel was er nog, maar hij wist er nu mee om te gaan, net als met de pijn. De vluchtelingen op straat keken op. Rhand wendde zich tot de stumper met de baard die Min eerder had aangewezen; de man zat met zijn voeten in de modder.
‘U,’ zei de man tegen Rhand. ‘U bent het. De Herrezen Draak.’
‘Ja,’ zei Rhand. ‘Was je vroeger soldaat?’
‘Ik...’ De ogen van de man werden glazig. ‘In een vorig leven. Ik zat in de Wacht van de Koning, voordat hij werd ontvoerd, voordat we werden overgenomen door vrouwe Chadmar en ontbonden.’ De vermoeidheid leek uit zijn ogen weg te trekken toen hij aan vroeger tijden dacht.
‘Uitstekend,’ zei Rhand. ‘We moeten orde in deze stad terugbrengen, kapitein.’
‘Kapitein?’ vroeg de man. ‘Maar ik...’ Hij hield zijn hoofd schuin. Toen stond hij op en klopte zichzelf af. Ineens had hij iets van een militaire uitstraling, ondanks zijn gescheurde kleding en baard vol klitten. ‘Nou, u zult wel gelijk hebben. Maar ik denk niet dat het zal meevallen. De mensen verhongeren.’
‘Daar zal ik me om bekommeren,’ zei Rhand. ‘Jij moet je soldaten voor me verzamelen.’
‘Ik zie hier niet veel van de andere jongens... Nee, wacht. Daar zijn Votabek en Redbord.’ Hij wuifde naar een paar schurken die Min eerder had opgemerkt. Ze aarzelden, maar toen kwamen ze naderbij.
‘Durnham?’ vroeg een van hen. ‘Wat is dit?’
‘Het wordt tijd dat de wetteloosheid in de stad een halt wordt toegeroepen,’ zei Durnham. ‘We gaan alles organiseren, opruimen. De Draak is terug.’
Een van hen spoog opzij. Hij was een stevige man met krullend zwart haar, een Domaanse huid en een smalle snor. ‘Hij mag branden. Hij heeft ons in de steek gelaten. Ik...’ Hij slikte de rest van zijn woorden in toen hij Rhand zag.
‘Het spijt me,’ zei Rhand, die de man in de ogen keek. ‘Ik heb jullie laten zitten. Dat zal niet nog eens gebeuren.’
De man wierp een blik op zijn metgezel, die zijn schouders ophaalde. ‘Lain gaat ons toch nooit betalen. We kunnen net zo goed kijken wat we hier kunnen doen.’
‘Naeff,’ riep Rhand, en hij wenkte de Asha’man. Hij en de Speervrouwen hadden staan toekijken en stapten naar voren. ‘Maak een Poort terug naar de Steen. Ik wil wapens, pantsers en uniformen.’
‘Ik doe het meteen,’ zei Naeff. ‘We laten soldaten alles...’
‘Nee,’ zei Rhand. ‘Geef de spullen door naar dit gebouw hier. Ik zal binnen ruimte maken voor de Poort. Maar er moeten geen soldaten komen.’ Rhand keek naar de straat. ‘Bandar Eban heeft genoeg doorstaan door toedoen van buitenstaanders. Vandaag zal de stad niet de hand van een veroveraar kennen.’
Min stapte achteruit en keek vol verwondering toe. De drie soldaten haastten zich het gebouw in en joegen de straatjongens naar buiten. Toen Rhand hen zag, vroeg hij of ze boodschappen voor hem wilden vervoeren. Ze reageerden. Iedereen reageerde op Rhand, als ze de tijd namen om naar hem te kijken.
Misschien zou een ander denken dat het een of andere vorm van Wilsdwang was, maar Min zag hun gezichten veranderen, zag de hoop terugkeren als een glans in hun ogen. Ze zagen iets in Rhand wat ze konden vertrouwen. Iets, althans, waarvan ze hoopten dat ze het konden vertrouwen.
De drie soldaten stuurden een paar boodschappenjongens op pad om andere voormalige soldaten op te trommelen. Naeff maakte zijn Poort. Even later stapten de eerste drie soldaten het gebouw weer uit, gehuld in zilverkleurige borstplaten en eenvoudige, schone groene kleding. De mannen hadden hun baard gekamd en wat water gevonden om hun gezicht te wassen. En zomaar ineens zagen ze er niet meer uit als bedelaars en waren ze soldaten geworden. Een beetje ranzig nog, maar toch soldaten.
De vrouw die Min eerder had gezien – die van wie ze zeker wist dat ze kon leren geleiden – kwam aanlopen om met Rhand te praten. Even later knikte ze, en weldra had ze mannen en vrouwen verzameld om emmers te vullen bij de put. Min keek er fronsend naar, totdat ze de gezichten en handen van de anderen begonnen te wassen.
Steeds meer mensen verzamelden zich om hen heen. Sommigen nieuwsgierig, anderen vijandig, weer anderen alleen maar meelopend in de drukte. De vrouw en haar metgezellen begonnen de rest vragen te stellen en aan het werk te zetten; sommigen om op zoek te gaan naar gewonden en zieken, anderen om zwaarden en uniformen te gaan halen. Een vrouw ondervroeg de straatkinderen om te ontdekken waar hun ouders waren, als ze die hadden. Min nam plaats op de kist waar Rhand op had uitgerust. Binnen een uur had hij een groep van vijfhonderd soldaten, onder leiding van kapitein Durnham en zijn twee luitenants. Veel van die vijfhonderd bleven maar kijken naar hun schone kleding en zilveren borstplaten, alsof ze stomverbaasd waren.
Rhand sprak met velen van hen en bood hun zijn verontschuldigingen aan. Terwijl hij met een vrouw stond te praten, begon de menigte achter hem te schuifelen en bewegen. Rhand draaide zich om en zag een oude man met verschrikkelijke zweren op zijn huid naderen.
De menigte hield afstand.
‘Naeff,’ riep Rhand.
‘Heer?’
‘Haal de Aes Sedai hierheen,’ zei Rhand. ‘Er zijn mensen die Heling nodig hebben.’ De vrouw die mensen wateremmers had laten vullen, leidde de oude man opzij.
‘Heer,’ zei kapitein Durnham, die kwam aanlopen. Min knipperde met haar ogen. De man had ergens een scheermes gevonden en zijn baard afgeschoren, en hij had een sterke kaaklijn. Hij had een Domaanse snor laten staan. Vier mannen volgden hem als wachters. ‘We zullen meer ruimte nodig hebben, heer,’ zei Durnham. ‘Dat gebouw dat u had gekozen puilt uit, en er komen er steeds meer. De hele straat loopt vol.’
‘Wat stel je voor?’ vroeg Rhand.
‘De haven,’ antwoordde Durnham. ‘Die is in handen van een van de kooplieden. Ik denk dat daar wel een paar zo goed als lege pakhuizen staan die we kunnen gebruiken. Er lag ooit voedsel in, maar... nou, daar is niets meer van over.’
‘En de eigenaar?’ vroeg Rhand.
‘Die kunt u wel aan, heer,’ zei kapitein Durnham.
Rhand glimlachte en gebaarde dat Durnham hem moest voorgaan.
Daarna stak hij zijn hand uit naar Min.
‘Rhand,’ zei ze, met hem meelopend, ‘ze hebben voedsel nodig.’