‘Ja,’ beaamde hij. Hij keek naar het zuiden, naar de haven even verderop. ‘Daar zullen we het vinden.’
‘Zal dat niet al zijn opgegeten?’
Rhand gaf geen antwoord. Ze sloten zich aan bij de nieuw opgerichte stadswacht, lopend aan het hoofd van een groep in groen en zilver. Achter hen liep een aanwassende menigte van hoopvolle vluchtelingen.
De reusachtige haven van Bandar Eban was een van de indrukwekkendste ter wereld. Hij vormde een halvemaan langs de rand van de stad. Min stond ervan te kijken hoeveel schepen er lagen, de meeste van het Zeevolk.
O ja, dacht Min. Rhand had hen voedsel naar de stad laten brengen, maar dat was bedorven. Toen Rhand de stad verliet, ontving hij het nieuws dat al het eten op die schepen was aangetast door de aanraking van de Duistere.
Iemand had blokkades opgezet onder aan de weg. Andere wegen naar de haven leken ook versperd te zijn. Soldaten in uniformen gluurden zenuwachtig achter de versperringen vandaan toen Rhands groep kwam aanlopen. ‘Blijf staan!’ riep een stem. ‘We laten...’
Rhand tilde zijn hand op en wuifde achteloos. De barricade – opgebouwd uit huisraad en planken – rommelde en schoof met veel geknars van hout opzij. De mannen erachter schreeuwden en gingen snel uit de weg.
Rhand liet de puinhopen langs de weg liggen. Hij stapte naar voren, en Min voelde rust binnen in hem. Een samengeraapt stel mannen met knuppels stond op de weg, toekijkend met grote ogen. Rhand koos een van de voorsten uit. ‘Wie verbiedt mijn volk de toegang tot de haven en probeert het voedsel voor zichzelf te houden? Ik wil diegene... spreken.’
‘Heer Draak?’ vroeg een verbaasde stem.
Min keek opzij. Een lange, slanke man in een rode Domaanse jas draafde vanuit de haven naar hen toe. Zijn hemd was ooit fraai en versierd geweest, maar was nu gekreukeld en sleets. Hij zag er uitgeput uit.
Hoe heette hij ook alweer? dacht Min. Iralin. Dat was het. De havenmeester.
‘Iralin?’ vroeg Rhand. ‘Wat is hier aan de hand? Wat heb je gedaan?’
‘Wat ik heb gedaan?’ vroeg de man. ‘Ik probeer iedereen tegen te houden die op die schepen vol bedorven voedsel afgaat! Iedereen die het eet, wordt ziek en gaat dood. De mensen willen niet luisteren. Een paar groepen hebben geprobeerd de haven te bestormen voor het voedsel, en ik wilde niet dat ze zichzelf ombrachten door het te eten.’
De stem van de man had nog nooit zo boos geklonken. Min herinnerde zich hem als een vreedzaam man.
‘Vrouwe Chadmar vluchtte een uur na uw vertrek,’ vervolgde Iralin. ‘De andere leden van de Koopliedenraad vluchtten binnen een dag. Die stomme lui van het Zeevolk beweren dat ze pas uitzeilen als ze hun waren hebben gelost of ik ze afkoop. Dus heb ik zitten wachten tot de stad zich zou uithongeren, dat voedsel zou eten en sterven, of er weer een rel van brandstichting en moorden uitbrak. Dat is wat hier aan de hand is. Wat hebt ü gedaan, heer Draak?’ Rhand sloot zijn ogen en zuchtte. Hij verontschuldigde zich niet tegen Iralin zoals hij bij de anderen had gedaan; misschien zag hij in dat het geen betekenis zou hebben.
Min keek Iralin boos aan. ‘Hij heeft lasten op zijn schouders, koopman. Hij kan niet overal tegelijk...’
‘Het is al goed, Min,’ zei Rhand, die zijn hand op haar arm legde en zijn ogen opende. ‘Ik heb het verdiend. Iralin, voordat ik de stad verliet, zei je dat het voedsel op die schepen bedorven was. Heb je elk vat en elke zak nagekeken?’
‘Ik heb er voldoende nagekeken,’ zei Iralin, nog steeds vijandig. ‘Als je honderd zakken opent en overal hetzelfde aantreft, dan weet je wel hoe het zit. Mijn vrouw probeert nog een veilige methode te vinden om het rotte graan te scheiden van het veilige. Als er nog veilig graan bij zit.’
Rhand liep naar de schepen toe. Iralin volgde met een verwarde blik, misschien omdat Rhand niet tegen hem had geschreeuwd. Min liep mee. Rhand zette koers naar een schip dat diep in het water aan de trossen lag. Enkele vrouwen van het Zeevolk waren aan dek te zien.
‘Ik wil jullie Zeilvrouwe spreken,’ riep Rhand.
‘Dat ben ik,’ zei een van de vrouwen, met grijs in haar steile zwarte haar en tatoeages op haar rechterhand. ‘Milis din Shalada Driesterren.’
‘Ik had een overeenkomst gesloten,’ riep Rhand omhoog, ‘dat hier voedsel zou worden afgeleverd.’
‘Hij wil niet dat we het afleveren,’ zei Milis, knikkend naar Iralin. ‘Hij laat ons niet lossen en zegt dat als we het wel doen, hij zijn boogschutters op ons laat schieten.’
‘Ik zou de mensen niet weg kunnen houden,’ zei Iralin. ‘Ik heb in de stad het gerucht moeten verspreiden dat het Zeevolk het voedsel gijzelt.’
‘Zie je nu wat we voor je doorstaan?’ vroeg Milis aan Rhand. ‘Ik begin bedenkingen te krijgen over onze Overeenkomst met jou, Rhand Altor.’
‘Ontken je dat ik de Coramoor ben?’ vroeg Rhand, kijkend in haar ogen. Ze scheen er moeite mee te hebben haar blik van hem af te wenden.
‘Nee,’ zei Milis. ‘Nee, dat doe ik niet. Je zult wel aan boord van de Schuimkop willen komen, zeker.’
‘Als het mag.’
‘Kom dan maar,’ zei ze.
Zodra de loopplank was neergelegd, beende Rhand erover, gevolgd door Min, Naeff en de twee Speervrouwen. Even later kwam ook Iralin mee, samen met de wachtkapitein en enkelen van zijn soldaten. Milis leidde hen naar het midden van het dek, waar een luik en een ladder toegang gaven tot het scheepsruim. Rhand klom als eerste naar beneden, enigszins wankel omdat hij zich slechts met één hand kon vasthouden. Min volgde.
Beneden kwam er licht door spleten in het dek en zagen ze vele zakken graan staan. Het rook er stoffig en bedompt. ‘We zullen blij zijn om van die lading af te komen,’ zei Milis zacht, net van de ladder gekomen. ‘De ratten gaan eraan dood.’
‘Ik zou verwachten dat je daar blij mee was,’ zei Min. ‘Een schip zonder ratten is als een zee zonder stormen,’ zei Milis. ‘We klagen over allebei, maar mijn bemanning prevelt iedere keer als ze dood ongedierte vinden.’
Er lagen een paar geopende zakken graan vlakbij, op hun kant, waardoor de donkere inhoud op de vloer was gerold. Iralin had het gehad over het scheiden van het slechte van het goede graan, maar Min zag geen goed graan. Alleen maar verschrompelde, verkleurde graankorrels.
Rhand staarde naar de open zakken toen Iralin het ruim in kwam. Kapitein Durnham klom daarna van de ladder af, gevolgd door zijn mannen.
‘Niets blijft nog goed,’ zei Iralin. ‘Niet alleen graan. De mensen hadden wintervoorraden meegenomen van hun boerderijen. Die zijn allemaal op. We gaan eraan, en dat is dat. We halen die verdomde Laatste Slag niet eens. We...’
‘Vrede, Iralin,’ zei Rhand zachtjes. ‘Het is niet zo erg als je denkt.’ Hij stapte naar voren en maakte het touw om de bovenkant van een zak los. Hij viel om en goudgeel gerst rolde over de vloer van het ruim, zonder ook maar één donker spikkeltje erin. De gerst zag eruit alsof hij net was geoogst, elke korrel rond en vet. Milis zoog haar adem naar binnen. ‘Wat heb je ermee gedaan?’
‘Niets,’ zei Rhand. ‘Je hebt alleen maar de verkeerde zakken geopend. De rest is allemaal goed.’
‘Alleen maar...’ zei Iralin. ‘We hebben toevallig het exacte aantal bedorven zakken geopend zonder één goede tegen te komen? Dat is belachelijk.’
‘Niet belachelijk,’ zei Rhand, die zijn hand op Iralins schouder legde. ‘Alleen maar onwaarschijnlijk. Je hebt het hier goed gedaan, Iralin. Het spijt me dat ik je in zo’n lastig pakket achterliet. Ik benoem jou voor de Koopliedenraad.’ Iralin gaapte hem aan.
Aan de zijkant opende kapitein Durnham nog een zak. ‘Deze is goed.’
‘Deze ook,’ meldde een van zijn mannen.
‘Aardappelen hier,’ zei een andere soldaat die bij een vat stond. ‘Ze zien er zo goed uit als ik ze ooit heb gezien. Beter, zelfs. Niet verdroogd, zoals je zou verwachten van een wintervoorraad.’
‘Maak het bekend,’ zei Rhand tegen de soldaten. ‘Verzamel je mannen om de verdeling op te zetten in een van de pakhuizen. Ik wil dat dit graan goed wordt bewaakt; het was verstandig van Iralin om er rekening mee te houden dat de mensen de haven zouden bestormen. Deel geen ongekookt graan uit; dan hamsteren de mensen het en gaan ze ermee handelen. We hebben ketels nodig, en vuren om het graan te koken. De rest gaat naar de pakhuizen. Opschieten.’