‘Jawel, heer!’ zei kapitein Durnham.
‘De mensen die ik tot nu toe heb verzameld, zullen helpen,’ zei Rhand. ‘Zij zullen het graan niet stelen; ze zijn te vertrouwen. Laat hen de schepen lossen en verbrand het slechte graan. Er zouden duizenden zakken moeten zijn die nog goed zijn.’
Rhand keek Min aan. ‘Kom. Ik moet de Aes Sedai opdracht geven tot Heling.’ Hij aarzelde en keek de stomverbaasde Iralin aan. ‘Heer Iralin, u bent voorlopig stadhouder, en Durnham is uw commandant. Binnenkort hebt u voldoende soldaten om de orde te herstellen.’
‘Stadhouder...’ zei Iralin. ‘Hebt u daar het gezag wel voor?’ Rhand glimlachte. ‘Iemand moet het doen. Ga snel aan het werk; er is veel te doen. Ik kan hier alleen blijven totdat u de stabiliteit hebt hersteld. Een dag of zo.’
Rhand draaide zich om en wilde de ladder opgaan.
‘Eén dag?’ vroeg Iralin, nog steeds in het ruim naast Min staand.
‘Om de stabiliteit te herstellen? Dat is onmogelijk in zo’n korte tijd.
Toch?’
‘Ik denk dat u nog van hem zult opkijken, heer Iralin,’ zei Min, die de ladder vastgreep en begon te klimmen. ‘Net als ik, elke dag weer.’
26
Overleg
Perijn reed op Stapper het kamp uit, aan het hoofd van een groot leger. Ze voerden de wolvenkopbanier niet. Voor zover hij wist, was zijn bevel om die dingen te verbranden uitgevoerd. Hij was nu niet meer zo zeker van dat besluit.
Er hing een vreemde geur in de lucht. Een mufheid. Als in een kamer die al jaren potdicht zat. Hij wendde Stapper dravend de Jehannaweg op. Gradi en Neald reden naast Perijn, en ze roken gretig. ‘Neald, weet je zeker dat je er klaar voor bent?’ vroeg Perijn terwijl hij het leger naar het zuidoosten leidde.
‘Ik voel me sterker dan ooit, heer,’ antwoordde Neald. ‘Sterk genoeg om een paar Witmantels te doden. Ik heb die kans altijd al willen hebben.’
‘Alleen een dwaas gaat op zoek naar de kans om te doden,’ zei Perijn.
‘Eh, ja, heer,’ zei Neald. ‘Maar misschien moet ik melden...’
‘Daar hoef je het niet over te hebben,’ viel Gradi hem in de rede.
‘Waarover?’ vroeg Perijn.
Gradi keek beschaamd. ‘Het is niets.’
‘Zeg op, Gradi,’ drong Perijn aan.
De oudere man haalde diep adem. ‘We hebben vanochtend geprobeerd een Poort te maken om vluchtelingen terug te sturen, maar het lukte niet. Dat was al een keer eerder gebeurd. De wevingen vielen uiteen en ontrafelden.’
Perijn fronste zijn voorhoofd. ‘En andere wevingen werken wel?’
‘Ja,’ antwoordde Neald snel.
‘Zoals ik al zei, heer,’ zei Gradi, ‘ik ben ervan overtuigd dat het lukt als we het nog eens proberen. We hebben gewoon niet genoeg geoefend.’
Ze zouden waarschijnlijk het Reizen niet nodig hebben om zich terug te trekken uit deze strijd; niet met twee Asha’man en zo’n groot leger. Maar het was toch onrustbarend om die mogelijkheid kwijt te zijn. Hij hoopte maar dat het niet net zo ging met de andere wevingen. Hij rekende erop dat Gradi en Neald de eerste aanval van de Witmantels zouden verwarren en verstoren.
Misschien moeten we omkeren, dacht Perijn, maar dat zette hij onmiddellijk weer uit zijn hoofd. Dit besluit beviel hem niet. Hij werd misselijk van de gedachte aan vechten, man tegen man, terwijl hun echte vijand de Duistere was. Maar hij werd ertoe gedwongen. Hij reed verder, met zijn hamer in de lus om zijn middel. Springer had gezegd dat de hamer niet anders was dan de bijl. Voor de wolf waren alle wapens hetzelfde.
Mayeense Vleugelgardisten met glanzende, rood geschilderde borstplaten reden naast hem, en ze zagen eruit als sierlijke haviken die klaar waren om neer te suizen. Alliandres soldaten, nuchter en vastberaden, reden achter hen, als rotsblokken die klaar waren om te verpletteren. De boogschutters uit Tweewater, als jonge eiken, waren soepel maar sterk. De Aiel waren als adders met vlijmscherpe tanden. Wijzen, met tegenzin meegesleept, als onzekere donderwolken kolkend van een onvoorspelbare energie. Hij wist niet of ze voor hem zouden vechten.
De rest van zijn leger was minder indrukwekkend. Duizenden mannen van uiteenlopende ervaring en leeftijd; enkele huurlingen, een paar vluchtelingen uit Malden, enkele vrouwen die de Speervrouwen en Cha Faile hadden gezien en met alle geweld samen met de mannen wilden worden opgeleid. Perijn had hen niet tegengehouden. De Laatste Slag kwam eraan. Wie was hij om mensen die wilden strijden dat te beletten?
Hij had wel overwogen Faile te verbieden vandaag mee te komen, maar hij had van tevoren geweten hoe dat zou eindigen. In plaats daarvan had hij haar achteraan gezet, omringd door Wijzen en Cha Faile en vergezeld door Aes Sedai.
Perijn greep de teugels steviger vast en luisterde naar de stampende voeten. Maar weinig vluchtelingen hadden een pantser. Arganda noemde hen lichte infanterie. Perijn had een andere term voor ze: ‘onschuldigen met zwaarden’. Waarom volgden ze hem? Snapten ze niet dat zij als eersten zouden sneuvelen?
Ze vertrouwden hem. Het Licht verzenge hen, maar ze vertrouwden hem allemaal! Hij legde zijn hand op zijn hamer en snoof de vochtige lucht op, vervuld van de geuren van angst en opwinding. Het gedender van hoeven en voeten deed hem denken aan de donkere hemel. Donder zonder bliksem. Bliksem zonder donder. Het slagveld lag verderop, een groot groen grasland met aan de overzijde troepen gekleed in het wit. Het leger van Witmantels droeg zilveren borstplaten die glanzend opgepoetst waren, hun tabberds en mantels waren helder wit. Deze grasvlakte was een goede plek voor een veldslag. Het zou ook een goede plek zijn om gewassen te planten.
Als je iets wilde doorgronden, moest je de onderdelen en het doel ervan kennen.
Wat was het doel geweest van zijn strijdbijl? Doden. Daarvoor was hij gemaakt. Dat was het enige waar hij goed voor was geweest. Maar de hamer was anders.
Ineens hield Perijn Stapper in. De Asha’man naast hem stopten, en de hele rij soldaten begon ook tot stilstand te komen. Groepen botsten tegen elkaar op bij het vertragen; geschreeuwde bevelen namen de plaats in van de marsgeluiden.
Het was windstil, de hemel boven hen bedrukkend. Door het stof in de lucht en de mannen die zweetten onder hun pantsers rook hij het gras niet, of de verre bomen. Paarden snoven, een aantal begonnen te grazen. Andere werden onrustig toen ze de spanning van hun ruiters aanvoelden.
‘Heer?’ vroeg Gradi. ‘Wat is er?’
Het leger van Witmantels stond al in positie, met vooraan een v-formatie van ruiters. Ze wachtten, hun lansen geheven en klaar om vooruit gestoken te worden en bloed te vergieten.
‘De bijl doodt alleen,’ zei Perijn. ‘Maar de hamer kan zowel scheppen als doden. Dat is het verschil.’
Plotseling snapte hij het. Daarom had hij de bijl moeten weggooien. Hij kon besluiten niet te doden. Hij zou zich hier niet toe laten dwingen. Hij wendde zich tot Gaul, die op korte afstand bij enkele Speervrouwen stond. ‘Ik wil de Aes Sedai en Wijzen hier hebben.’ Perijn aarzelde. ‘Geef de Aes Sedai het bevel, maar vraag het de Wijzen. Roep de mannen uit Tweewater hier ook naartoe.’ Gaul knikte en rende weg. Perijn keek weer naar de tegenpartij. Ondanks al hun gebreken zagen de Witmantels zichzelf als eerzame mensen. Ze zouden pas aanvallen als Perijns leger ook opgesteld stond.
Het groepje Wijzen en Aes Sedai kwam naar voren. Faile, zag hij, was met hen meegekomen. Nou, hij had tegen haar gezegd dat ze bij hen moest blijven. Hij stak zijn hand naar haar uit en nodigde haar uit naast hem te komen staan. De mannen uit Tweewater reden naar de zijkant van zijn leger.
‘Gaul zei dat je heel beleefd was,’ zei Edarra tegen Perijn. ‘Dat betekent dat je iets van ons wilt wat wij niet willen doen.’ Perijn glimlachte. ‘Ik wil dat jullie me helpen deze veldslag te voorkomen.’
‘Wil je de speren niet dansen?’ vroeg Edarra. ‘Ik heb iets gehoord over wat die mannen in het wit in de natlanden hebben gedaan. Ik denk dat ze witte kleding dragen om de duisternis vanbinnen te verbergen.’