Выбрать главу

‘Ze zijn verward,’ zei Perijn. ‘Of eigenlijk zijn ze wel meer dan verward. Ze zijn verdomd frustrerend. Maar we moeten niet tegen ze vechten, niet nu de Laatste Slag nadert. Als we onderling ruziën, verliezen we van de Duistere.’

Edarra lachte. ‘Ik zou er wel bij willen zijn als iemand dat tegen de Shaido zei, Perijn Aybara. Of eigenlijk had ik er wel bij willen zijn als iemand dat tegen jou zei toen ze je vrouw nog gevangenhielden!’

‘De Shaido moesten worden omgebracht,’ zei hij. ‘Maar ik weet niet of dat ook voor die Witmantels geldt. Misschien moeten ze alleen maar even goed bang gemaakt worden. Ik wil dat jij en de Aes Sedai de grond voor hun leger bestoken.’

‘Je vraagt iets wat je niet zou moeten vragen, Aybara,’ zei Seonid streng. ‘We willen geen deel hebben aan je strijd.’ De kleine Groene zuster keek hem in de ogen en sprak op ferme toon. ‘Jullie nemen niet deel aan de strijd,’ zei Perijn. ‘Jullie voorkomen hem.’ Seonid fronste haar voorhoofd. ‘Ik vrees dat dat hetzelfde zou zijn, in dit geval. Als we de aarde aanvallen, gebruiken we de Ene Kracht ook als wapen. We zouden die mannen per ongeluk kunnen verwonden. Het spijt me.’

Perijn knarsetandde, maar hij zette hen niet onder druk. De Wijzen en Asha’man zouden waarschijnlijk wel voldoende zijn. Hij wendde zich tot de mannen uit Tweewater. ‘Tam, zeg de mannen dat ze pijlen aanzetten en klaarstaan om een salvo te lossen.’ Tam knikte en stuurde een renner op pad met het bevel. De mannen uit Tweewater stelden zich op in een rij. De afstand was voor de meeste bogen te groot, maar met een goede boog uit Tweewater was het te doen.

Perijn knikte naar de Wijzen en gebaarde naar de Asha’man. Voordat hij iets kon zeggen, barstte de grond voor de Witmantels open. Een beving trok door de wei en zand schoot de lucht in. Gradi en Neald kwamen naar voren.

De paarden van de Witmantels steigerden en mannen schreeuwden van schrik. Een kleine groep helemaal vooraan scheen zich niet te storen aan de ontploffingen, en ze hielden hun paarden in bedwang. Dat zouden de leiders wel zijn. En ja, Perijns ogen ontwaarden de Kapiteinheer-gebieder daar inderdaad.

Er spoot weer zand de lucht in, dat omlaag viel en in de kuil eronder hagelde. De Wijzen hadden de geconcentreerde gezichten die hoorden bij het geleiden.

‘Kan een van jullie mijn stem versterken?’ vroeg Perijn. ‘Ja, ik,’ antwoordde Gradi. ‘Ik heb het de M’Hael eens zien doen.’

‘Mooi,’ zei Perijn, die zich tot Tam wendde. ‘Zodra de geleiders stoppen, moeten de mannen me een paar lange salvo’s geven. Laat ze proberen die kuil te raken.’

Even later stopten de ontploffingen. De mannen uit Tweewater lieten een salvo pijlen gaan. Dikke schachten gingen in een bocht omhoog, en even later staken er talloze pijlen op uit de kuil. Perijn keek naar het leger van Witmantels. Ze hadden de gelederen opgebroken en stonden lukraak door elkaar heen.

Veel gekletter van pantsers en hoefslagen kondigden Arganda’s aankomst aan. De eerstekapitein van Geldan droeg zijn gepluimde helm, en zijn ogen stonden hard. ‘Wat was daar de zin van, als ik vragen mag, heer Aybara?’ Hij rook vijandig. ‘U hebt zojuist ons voordeel verspeeld! Met een hinderlaag hadden we er duizenden kunnen doden en hun eerste bestorming kunnen breken.’

‘Ja,’ zei Perijn. Faile wachtte nog steeds aan zijn andere zij. ‘En dat weten ze. Kijk naar hun gelederen, Arganda. Ze zijn ongerust. De Witmantels beseffen wat ze het hoofd moeten bieden om ons te bestormen. Als ik bereid was om dit als waarschuwing te doen, wat hou ik dan nog achter de hand?’

‘Maar dat was het maximale wat we hadden,’ zei Faile. ‘Dat weten zij niet.’ Perijn grijnsde. ‘Het zou stom van ons zijn om alles in te zetten voor een waarschuwingssalvo, hè?’ Arganda hield zijn mond, hoewel hij overduidelijk hetzelfde dacht. Hij was een soldaat tot in het merg. Er was niets mis met een bijl, maar Perijn moest de hamer zijn. Als hij met zijn vinger wees, sloegen mannen als Arganda aan het doden.

‘Gradi,’ zei Perijn. ‘Mijn stem, alsjeblieft? En het zou fijn zijn als ons leger me ook kon horen.’

‘Dat red ik wel,’ bevestigde Gradi.

Perijn haalde diep adem. ‘Ik ben Perijn Aybara!’ galmde zijn stem over de vlakte. ‘Ik ben een vriend van de Herrezen Draak, en ik dien hier op zijn bevel. Ik marcheer naar de Laatste Slag. Kapiteinheer-gebieder, u had geëist dat ik u op uw voorwaarden ontmoette, en ik ben gekomen. Ik verzoek u mij hier diezelfde eer te bewijzen en me te ontmoeten zoals ik heb verzocht. Als u vastbesloten bent me te doden voordat ik uitrijd tegen de Schaduw, verleen me dan in ieder geval de gunst om nog eenmaal te proberen bloedvergieten te voorkomen!’

Hij knikte naar Gradi, en de man liet de weving los. ‘Hebben we een paviljoen dat we kunnen opzetten voor een overleg?’

‘In het kamp,’ antwoordde Faile.

‘Ik kan een Poort proberen,’ zei Neald, die over zijn snor wreef; of eigenlijk het beetje dons op zijn gezicht dat hij een snor noemde en met was in punten draaide. ‘Probeer maar.’

Hij concentreerde zich. Er gebeurde niets. De jongeman bloosde hevig. ‘Het lukt niet. Reizen niet, en Scheren ook niet.’

‘Ik begrijp het,’ zei Perijn. ‘Nou, laten we dan een ruiter terugsturen. We zouden de tent hier snel moeten kunnen hebben. Ik weet niet of ze toestemmen in een overleg, maar ik wil er klaar voor zijn als het wel zo is. Neem Berelain en Alliandre ook mee hierheen, en misschien een bediende met iets te drinken, en de tafel en stoelen uit mijn tent.’

De bevelen werden doorgegeven en een man uit Tweewater – Rob Solter – reed weg, gevolgd door Speervrouwen. De Witmantels schenen zijn voorstel te overwegen. Mooi zo.

Arganda en de meeste anderen verspreidden zich om het nieuws over wat er gaande was door te geven, hoewel niemand Perijns verklaring had kunnen missen. Iedereen scheen te doen wat hij moest doen, dus ging Perijn rustig in zijn zadel achteroverzitten om te wachten. Faile stuurde haar paard dichter naar hem toe. Ze rook geïntrigeerd. ‘Wat is er?’ vroeg Perijn.

‘Er is iets aan je veranderd. Ik probeer te bepalen wat het is.’

‘Ik rek tijd,’ zei Perijn. ‘Ik heb nog geen besluiten genomen. Maar ik wil die mannen niet doden. Nog niet. Niet als het niet hoeft.’

‘Ze zullen niet inbinden, echtgenoot,’ waarschuwde Faile. ‘Ze hebben je al veroordeeld.’

‘We zullen zien,’ zei hij. Hij keek naar de hemel, denkend aan de vreemde geur en het feit dat de Poorten van de Asha’man niet werkten. Slachter dwaalde in dit gebied rond in de wolfsdroom, en dan was er nog die wand van glas. Er voelde iets helemaal niet goed in de wind, en zijn zintuigen jeukten. Pas op. Wees voorbereid. De hamer kon doden of scheppen. Hij wist nog niet wat het hier zou worden. Hij was niet van zins iets te doen tot hij dat wist.

Galad zat op de grazige vlakte die het terrein voor de veldslag had moeten zijn, kijkend naar de kuil in de grond waar honderden pijlen uit staken.

Hij was voorbereid geweest op Aes Sedai. Een Aes Sedai kon niemand kwaad doen behalve als zij of haar Zwaardhand in gevaar was, en Galad had zijn mensen heel duidelijke bevelen gegeven. Ze moesten niet strijden tegen Aes Sedai, of zelfs maar bij hen in de buurt komen. Zodra de Kinderen een Aes Sedai tegenkwamen, moesten ze stoppen, knikken en hun wapens omkeren. Als zijn mannen duidelijk lieten merken dat ze geen Aes Sedai zouden deren, dan zouden de zusters nutteloos zijn in de strijd.

Veel van de Kinderen geloofden dit niet. Ze noemden de verhalen over de Drie Geloften opzettelijke verzinsels. Zij hadden niet in de Witte Toren gewoond. Galad mocht de meeste Aes Sedai niet, en hij vertrouwde hen al helemaal niet, maar hij wist dat de geloften wel degelijk standhielden.

Galads mannen gingen mompelend weer in het gelid staan. Hij hief zijn kijkglas en bekeek Aybara’s voorste linie. Mannen in zwarte jassen. Enkele Aielvrouwen, ook een die met Aybara was meegekomen naar hun eerste ontmoeting. Een geleidster, ongetwijfeld. Hij stelde zich voor hoe de grond ontplofte onder zijn aanvalstroepen, de cavalerie de lucht in smeet, anderen die in de kuil vielen terwijl de achterste gelederen in verwarring tot stilstand kwamen en ten prooi vielen aan die indrukwekkende, lange bogen.