‘Waar gaat het dan om?’ vroeg Galad.
Aybara keek hem met die onnatuurlijke ogen aan. ‘Het gaat over twee Kinderen van het Licht die ik twee jaar geleden heb gedood. Nu lijkt het wel alsof elke keer als ik me omdraai, er weer een paar leden van je groep naar mijn hielen happen.’
Het kwam niet vaak voor dat een moordenaar zo open was over wat hij had gedaan. Galad hoorde het raspen van een zwaard dat achter hem werd getrokken, en hij stak zijn hand op. ‘Kind Bornhald! Beheers je!’
‘Twéé Kinderen van het Licht, Schaduwgebroed?’ snauwde Bornhald. ‘En mijn vader dan?’
‘Ik had niets met zijn dood te maken, Bornhald,’ zei Aybara. ‘Geofram is gedood door de Seanchanen, helaas. Voor een Witmantel leek hij me een redelijk man, hoewel hij zich wel had voorgenomen me op te hangen.’
‘Hij wilde je ophangen voor de moorden die je zojuist hebt bekend,’ zei Galad rustig, met een blik op Bornhald. De man schoof met een knal zijn zwaard weer terug in de schede, maar zijn gezicht was rood. ‘Het waren geen moorden,’ antwoordde Aybara. ‘Ze vielen me aan. Ik vocht terug.’
‘Dat is niet wat ik heb gehoord,’ zei Galad. Wat voor spelletje speelde die man? ‘Ik heb gezworen getuigenverklaringen gehoord dat jij je verstopte in een kloof in de rotsen. Toen de mannen je vroegen naar buiten te komen, sprong je schreeuwend tevoorschijn en viel hen zonder reden aan.’
‘O, er was wel een reden,’ antwoordde Aybara. ‘Je Witmantels hadden een bekende van me gedood.’
‘De vrouw die bij je was?’ vroeg Galad. ‘Voor zover ik heb gehoord, is ze veilig ontkomen.’ Hij was geschokt geweest toen Bornhald dié naam noemde. Egwene Alveren. Weer een vrouw die gevaarlijk gezelschap scheen te verkiezen.
‘Niet zij,’ zei Perijn. ‘Een vriend genaamd Springer. En na hem een metgezel van hem. Het waren wolven.’
Die man veroordeelde zichzelf nog meer! ‘Ben je bevriend met wolven, waarvan bekend is dat het schepsels van de Schaduw zijn?’
‘Wolven zijn niet van de Schaduw,’ zei Aybara. ‘Ze haten Schaduwgebroed net zo erg als elk mens dat ik ken.’
‘En hoe weet je dat?’
Aybara zei niets. Er zat hier meer achter. Byar zei dat die man in staat was om wolven te gebieden, met hen mee te rennen alsof hij zelf een wolf was. Die getuigenis was een van de dingen geweest die Galad ervan hadden overtuigd dat een veldslag de enig mogelijke koers was. Het scheen dat Byars woorden geen overdrijving waren geweest.
Maar het was nog niet nodig om daarop in te gaan. Aybara had de moorden toegegeven. ‘Ik aanvaard het doden van wolven niet als iets wat je vrijpleit,’ zei Galad. ‘Veel jagers doden wolven die hun kuddes aanvallen of hun leven bedreigen. De Kinderen hadden niets misdaan. Je aanval op hen was dus moord zonder reden.’
‘Er zat veel meer aan vast,’ zei Aybara. ‘Maar ik denk niet dat ik jou daarvan kan overtuigen.’
‘ Je kunt me niet overtuigen van iets wat niet waar is,’ bevestigde Galad.
‘En je wilt me ook niet met rust laten.’
‘Dan zitten we dus met een patstelling,’ vervolgde Galad. ‘Je hebt misdaden bekend die ik, als dienaar van de gerechtigheid, voor het gerecht móét brengen. Ik kan niet weglopen. Dus je ziet in waarom ik vond dat verder overleg zinloos was?’
‘Stel dat ik bereid zou zijn om terecht te staan?’ vroeg Perijn. Aybara’s vrouw legde haar hand op zijn schouder. Hij legde zijn hand eroverheen, maar wendde zijn blik niet van Galad af. ‘Als je naar ons toe komt en straf aanvaardt voor wat je hebt gedaan...’ zei Galad. Het zou zijn dood betekenen. Dat schepsel zou zich heus niet overgeven.
Achter in het paviljoen waren bedienden aangekomen die theezetten. Thee. Bij een oorlogsoverleg. Aybara had blijkbaar weinig ervaring met dit soort dingen.
‘Geen straf,’ zei Aybara scherp. ‘Een rechtsgeding. Als mijn onschuld wordt bewezen, ben ik vrij en beveel jij als Kapiteinheer-gebieder je mannen om me niet langer lastig te vallen. Vooral Bornhald en die kerel achter je, die gromt als een welp die zijn eerste luipaard ziet.’
‘En als je schuldig wordt bevonden?’
‘Dat hangt ervan af.’
‘Luister niet naar hem, mijn Kapiteinheer-gebieder!’ riep Byar. ‘Hij heeft al eens eerder beloofd zich aan ons over te geven, en toen brak hij zijn woord!’
‘Niet waar!’ zei Aybara. ‘Jullie hielden je niet aan jullie deel van de afspraak!’
‘Ik...’
Galad sloeg op tafel. ‘Dit heeft geen zin. Er komt geen rechtsgeding.’
‘Waarom niet?’ wilde Aybara weten. ‘Je hebt het over gerechtigheid, maar wilt me geen geding bieden?’
‘Wie zou er moeten oordelen?’ vroeg Galad. ‘Zou je mij dat toevertrouwen?’
‘Natuurlijk niet,’ zei Perijn. ‘Maar Alliandre kan het doen. Zij is koningin.’
‘En jouw metgezel,’ kaatste Galad terug. ‘Ik wil haar niet beledigen, maar ik vrees dat ze je zou vrijpleiten zonder de bewijzen aan te horen. Zelfs de vrouwe Eerste zou niet toereikend zijn. Hoewel ik zelf natuurlijk op haar woord zou vertrouwen, vrees ik dat datzelfde niet voor mijn mannen opgaat.’
Licht, maar wat was die vrouw mooi! Hij wierp een korte blik op haar en zag dat ze bloosde toen ze naar hem keek. Het was heel licht, maar hij wist het zeker. Hij voelde zijn eigen wangen ook warm worden.
‘De Aes Sedai, dan,’ opperde Aybara.
Galad rukte zijn blik los van Berelain en keek Aybara vlak aan. ‘Als je denkt dat het oordeel van iemand uit de Witte Toren mijn mannen tevredenstelt, weet je niet veel over de Kinderen van het Licht, Perijn Aybara.’
Aybara’s ogen werden hard. Ja, dat wist hij. Het was jammer. Een rechtsgeding zou hieraan een ordelijk einde maken. Er kwam een bediende naar de tafel met twee kommen thee, maar die waren niet nodig. Dit overleg was afgelopen.
‘Dan heb je gelijk,’ zei Aybara, en hij leek gefrustreerd. ‘Deze ontmoeting was zinloos.’
‘Nee,’ zei Galad, die nog stiekem een blik op Berelain wierp. ‘Voor mij was het niet zinloos.’ Hij wist nu meer over Aybara’s kracht; dat zou hem helpen in de strijd. Verder was het goed geweest om de gevechten een tijdje uit te stellen, om zeker te weten dat ze nodig waren. Er was nog meer dan genoeg daglicht over om de strijd te laten aanvangen.
Maar... die vrouw dan... de vrouwe Eerste? Hij dwong zichzelf weg te kijken. Het kostte hem moeite.
Galad stond op en boog naar Alliandre en vervolgens naar Berelain. Hij wilde vertrekken. Toen hoorde hij een kreetje. Vreemd genoeg was het geslaakt door de bediende die de thee had gebracht. Galad keek naar haar.
Het was Morgase.
Galad bleef stokstijf staan. Hij was door de ene na de andere zwaardmeester opgeleid om zich nooit door zijn verbazing te laten verlammen, maar op dat ogenblik was al die zorgvuldige oefening voor niets. Dat was zijn stiefmoeder. Dat goudkleurig rode haar waar hij als kind aan had getrokken. Dat gezicht, zo mooi en sterk. Die ogen. Dat waren haar ogen.
Een geest? Hij had de verhalen gehoord. Manifestaties van het kwaad van de Duistere waardoor de doden weer tot leven kwamen. Maar niemand anders in het paviljoen leek ontdaan, en die vrouw was te echt. Aarzelend stak Galad zijn hand uit en raakte de wang van de verschijning aan. Haar huid was warm. ‘Galad?’ zei ze. ‘Wat doe jij hier? Hoe...’
Ze brak haar zin af toen hij haar omhelsde, waardoor de andere aanwezigen verbaasd opkeken. Zij schrok ook. Ze leefde nog! Hoe kon dat?
Ik heb Valda gedood, dacht Galad meteen. Hem gedood vanwege de moord op mijn moeder. Die niet dood is. Ik heb iets verschrikkelijks gedaan.
Nee. Valda verdiende zijn dood voor de aanval op Morgase. Of was dat gedeelte ook niet waar? Hij had Kinderen gesproken die ervan overtuigd waren, maar ze hadden ook zeker geweten dat Morgase dood was.
Dat zou hij later wel uitzoeken. Nu moest hij ophouden zich voor gek te zetten in het bijzijn van zijn mannen. Hij liet zijn stiefmoeder los, maar zij hield zijn arm vast. Ze leek aangeslagen. Hij had haar maar zelden zo gezien.
Perijn Aybara was opgestaan en keek hen fronsend aan. ‘Ken je Maighdin?’
‘Maighdin?’ vroeg Galad. Ze droeg een eenvoudig gewaad en geen sieraden. Probeerde ze zich te verbergen als bediende? ‘Aybara, dit is Morgase Trakand, Verdedigster van het Rijk, Beschermvrouwe van het Volk, Hoogzetel van Huis Trakand. Ze is je koningin!’ Daarop viel er een stilte in het paviljoen. Aybara krabde peinzend in zijn baard. Zijn vrouw keek met grote ogen naar Morgase, geschokt of boos.