Hij deed zijn jas uit. ‘Ik ruik iets vreemds in de wind, Faile. Iets wat ik nog nooit heb geroken.’ Hij aarzelde en keek haar aan. ‘Er zijn geen wolven.’
‘Geen wolven?’
‘Ik voel ze niet in de buurt,’ zei Perijn met een afwezige blik in zijn ogen. ‘Eerder waren er wel een paar. Nu zijn ze weg.’
‘Je zei toch dat ze niet graag in de buurt van mensen komen?’ Hij trok zijn hemd uit en onthulde een gespierde borst met krullend bruin haar. ‘Er waren vandaag te weinig vogels, te weinig dieren in het kreupelhout. Het Licht verzenge die hemel. Is die hier de oorzaak van, of is het iets anders?’ Hij zuchtte en ging op hun slaapvlonder zitten.
‘Ga je... daarheen?’ vroeg Faile.
‘Er is iets mis,’ herhaalde hij. ‘Ik moet uitzoeken wat ik kan voordat het rechtsgeding begint. Er zijn misschien antwoorden te vinden in de wolfsdroom.’
Het rechtsgeding. ‘Perijn, dit bevalt me niet.’
‘Je bent boos vanwege Maighdin.’
‘Natuurlijk ben ik boos vanwege Maighdin,’ zei ze. Ze hadden samen Malden doorstaan, en ze had niet aan Faile verteld dat ze de koningin van heel Andor was? Faile stond voor gek; als een opschepster in een dorp die met haar vaardigheid met het zwaard pochte tegenover een zwaardmeester op doorreis.
‘Ze wist niet of ze ons kon vertrouwen,’ zei Perijn. ‘Ze was kennelijk op de vlucht voor een Verzaker. Ik zou me ook verborgen hebben gehouden.’ Faile keek hem woest aan.
‘Kijk me niet zo aan,’ zei hij. ‘Ze deed het niet om jou voor gek te zetten, Faile. Ze had haar redenen. Laat het los.’ Daardoor voelde ze zich een stukje beter; het was fijn dat hij nu voor zichzelf opkwam. ‘Nou, ik vraag me wel af wie Lini zal blijken te zijn. Een Seanchaanse koningin? En is meester Gil stiekem de koning van Arad Doman in ballingschap?’
Perijn glimlachte, ik vermoed dat ze haar dienaren zijn. Gil is wie hij zegt dat hij is, in ieder geval. Balwer zal zich wel de haren uit het hoofd trekken omdat hij het niet had doorzien.’
‘Ik wed dat hij het wel had doorzien,’ zei Faile, die naast hem neerknielde. ‘Perijn, ik meende wat ik zei over dat rechtsgeding. Ik ben ongerust.’
‘Ik laat me niet gevangennemen. Ik heb alleen gezegd dat ik zou komen opdagen en ze de kans zou geven bewijzen aan te voeren.’
‘Wat is er dan de zin van?’ vroeg Faile.
‘Het geeft me meer tijd om na te denken,’ antwoordde hij, ‘en het zorgt er misschien voor dat ik ze niet hoef te doden. Hun kapitein, Damodred; iets aan hem ruikt beter dan bij de rest. Hij is niet dol van woede of haat. Hiermee krijgen we onze mensen terug en kan ik mijn kant van de zaak bepleiten. Het voelt goed om mijn zegje te kunnen doen. Misschien is dat wat ik al die tijd al nodig had.’
‘Nou, goed dan,’ zei Faile. ‘Maar overweeg me van nu af aan alsjeblieft even te waarschuwen als je plannen hebt.’
‘Zal ik doen,’ zei hij geeuwend terwijl hij ging liggen. ‘Eigenlijk schoot het me pas op het laatste ogenblik te binnen.’ Faile hield met enige moeite haar mond. Er was in ieder geval nog iets goeds uit dat overleg voortgekomen. Ze had naar Berelain gekeken toen die Damodred had ontmoet, en ze had maar zelden vrouwenogen zo zien oplichten. Faile kon daar misschien gebruik van maken.
Ze keek omlaag. Perijn lag al zachtjes te snurken.
Perijn zat met zijn rug tegen iets hards en glads. De te donkere, bijna kwaadaardige lucht in de wolfsdroom kolkte boven het bos van sparren, eiken en lederbladbomen.
Hij stond op, draaide zich om en keek waar hij tegenaan had geleund. Een gigantische stalen toren rees op naar de turbulente hemel. De toren was te recht, met muren die uit een enkel stuk naadloos metaal leken te bestaan, en straalde een volkomen onnatuurlijk gevoel uit.
Ik zei toch dat dit een kwaadaardige plek was, zei Springer, die plotseling naast Perijn zat. Domme welp.
‘Ik ben hier niet uit vrije wil naartoe gekomen,’ wierp Perijn tegen. ‘Ik werd hier wakker.’
Je geest is erop gericht, zei Springer. Of de geest van iemand met wie je verbonden bent.
‘Mart,’ zei Perijn, zonder te begrijpen hoe hij dat wist. De kleuren verschenen niet. Dat gebeurde nooit in de wolfsdroom. Net zo’n domme welp als jij? ‘Misschien nog wel dommer.’
Springer rook ongelovig, alsof hij niet kon bevatten dat zoiets mogelijk was.
Kom, zei de wolf. Het is terug.
‘Wat is...’
Springer verdween. Perijn volgde fronsend. Het kostte hem nu geen moeite om de geur op te vangen van de plek waar Springer naartoe was gegaan. Ze verschenen op de Jehannaweg. Die vreemde, violetkleurige glazen wand stond er weer, dwars over de weg, hoog oprijzend in de lucht en zich ver uitstrekkend naar beide kanten. Perijn liep naar een boom toe. De kale takken ervan leken roerloos gevangen in het glas.
Springer begon te ijsberen. We hebben dit ding eerder gezien, zei hij. Lang, lang geleden. Heel veel levens geleden.
‘Wat is het dan?’
Iets van mensen.
Springers gedachten zonden hem verwarde beelden: vliegende, gloeiende schijven en onmogelijk hoge bouwsels van staal. Dingen uit de Eeuw der Legenden? Springer begreep de toepassing ervan net zomin als hij het gebruik van een paardenkar of kaars begreep. Perijn keek langs de weg. Hij herkende dit deel van Geldan niet; het moest verder naar Lugard liggen. De muur was op een andere plek verschenen dan de vorige keer.
Er viel hem iets in, en Perijn maakte een paar grote sprongen over de weg. Op honderd pas afstand keek hij om en bevestigde zijn vermoeden. Dat glas vormde geen muur, maar een reusachtige koepel.
Hij was doorschijnend, met een violetkleurige tint, en leek zich roeden ver uit te strekken.
Springer bewoog zich in een flits en kwam naast hem staan. We moeten weg.
‘Hij is daarbinnen, nietwaar?’ vroeg Perijn. Hij tastte om zich heen met zijn geest. Eikendanser, Vonken en Tomeloos waren in de buurt. Vóór hem, in de koepel. Ze reageerden met snelle, paniekerige gedachten, op jacht en opgejaagd.
‘Waarom vluchten ze niet?’ vroeg Perijn.
Springer stuurde hem alleen verwarring.
‘Ik ga naar ze toe,’ zei Perijn, die zich naar voren wilde verplaatsen.
Er gebeurde niets.
Perijn voelde een steek van paniek in zijn buik. Wat was er mis? Hij deed nog een poging, en deze keer probeerde hij naar de voet van de koepel te komen.
Dat lukte. Hij was er in een oogwenk, en dat glazige oppervlak rees als een klifwand voor hem op. Het is die koepel, dacht hij. Die blokkeert me. Ineens begreep hij het gevoel van gevangenschap dat de wolven hadden gestuurd. Ze konden niet wegkomen. Was dat dan het doel van deze koepel? Om wolven te vangen zodat Slachter ze kon doden? Perijn gromde en stapte naar het glas toe. Hij kon er niet in door zich met zijn gedachten naar binnen te verplaatsen, maar misschien lukte het op een aardsere manier. Hij hief zijn hand, maar toen aarzelde hij. Hij wist niet wat er zou gebeuren als hij het oppervlak aanraakte.
De wolven stuurden beelden van een man in zwart leer, met een streng, gegroefd gelaat en een glimlach op zijn lippen terwijl hij pijlen afvuurde. Zijn geur klopte helemaal niet. Hij rook naar dode wolven.
Perijn kon hen daar niet achterlaten. Net zomin als hij meester Gil en de anderen kon overlaten aan de Witmantels. Woest op Slachter raakte hij het oppervlak van de koepel aan.
Ineens verdween alle kracht uit zijn spieren. Ze voelden aan als water, en zijn benen konden hem niet meer dragen. Hij viel hard op de grond. Zijn voet raakte de koepel nog, ging erdoorheen. De koepel leek onstoffelijk te zijn.
Zijn longen werkten niet goed; het kostte te veel moeite om zijn borstkas te vullen. In paniek wilde hij zich elders heen verplaatsen, maar dat lukte niet. Hij zat vast, net zoals de wolven! Een grijs met zilveren waas verscheen naast hem. Kaken grepen zijn schouder vast. Toen Springer hem lostrok van de violetkleurige koepel, voelde Perijn onmiddellijk zijn kracht terugkeren. Hij hapte naar adem.