Выбрать главу

Domme welp, zei Springer.

‘Zou je ze dan achterlaten?’ vroeg Perijn hortend. Niet dom omdat je in het gat graaft. Dom omdat je niet op mij hebt gewacht voor het geval dat er horzels uitkwamen. Springer draaide zich om naar de koepel. Help me als ik val. Hij stapte naar voren en zette zijn neus tegen de koepel. Springer struikelde, maar herstelde zich en zette langzaam door. Aan de andere kant viel hij op de grond, hoewel zijn borstkas nog op en neer ging. ‘Hoe deed je dat?’ vroeg Perijn, die opstond.

Ik ben ik. Springer stuurde hem een beeld van hoe hij zichzelf zag, identiek aan wie hij was. En geuren van kracht en standvastigheid. Het kunstje, kennelijk, was om volledig te beheersen wie je was. Net als veel dingen in de wolfsdroom was de kracht van je eigen mentale beeld groter dan de substantie van de wereld zelf. Kom, zei Springer. Wees sterk, stap erdoor.

‘Ik weet iets beters,’ zei Perijn. Hij rende in volle vaart naar voren. Hij raakte de violetkleurige wand en zijn lichaam werd meteen slap, maar door zijn vaart werd hij naar de andere kant geslingerd, waar hij rollend tot stilstand kwam. Hij kreunde. Zijn schouder deed pijn en hij had zijn arm geschaafd. Domme welp, zei Springer. Je moet leren.

‘Niet nu,’ zei Perijn terwijl hij opkrabbelde. ‘We moeten de andere helpen.’

Pijlen in de wind; dik, zwart en dodelijk. Het gelach van de jager. De geur van een man die verschaald was. De moordenaar was hier. Springer en Perijn renden over de weg, en Perijn merkte dat hij zijn snelheid binnen de koepel kon verhogen. Voorzichtig probeerde hij naar voren te springen met een gedachte, en dat lukte. Maar als hij zichzelf de koepel uit wilde sturen, gebeurde er niets. Dus de koepel was een versperring. Erbinnen kon hij zich vrijelijk bewegen, maar hij kon niet naar buiten door zichzelf naar een andere plek te wensen. Hij moest lijfelijk door de wand van de koepel als hij eruit wilde.

Eikendanser, Tomeloos en Vonken waren verderop. En Slachter ook. Perijn gromde toen paniekerige gedachten hem bereikten. Donkere bossen. Slachter. Hij kwam de wolven zo groot voor, een duister monster met een als uit steen gehouwen gezicht. Bloed op het gras. Pijn, woede, doodsangst, verwarring. Vonken was gewond. De andere twee sprongen heen en weer om Slachter te sarren en af te leiden terwijl Vonken naar de wand van de koepel kroop. Pas op, Jonge Stier, zei Springer. Die man jaagt goed. Hij beweegt zich bijna als een wolf, hoewel hij iets is wat niet zou moeten bestaan.

‘Ik leid hem af. Haal jij Vonken.’

Jij hebt armen. Jij draagt hem. Er kwam meer mee met die gedachte, uiteraard: Springers leeftijd en ervaring, Perijn nog een welp. Perijn klemde zijn kiezen op elkaar, maar bracht er niets tegen in. Springer had meer ervaring dan hij. Ze splitsten zich op. Perijn tastte naar Vonken om te kijken waar hij was – verborgen tussen een groepje bomen – en bracht zich daar rechtstreeks naartoe. De donkerbruine wolf had een pijl in zijn poot en jankte zachtjes, met een spoor van bloed achter hem aan. Perijn knielde snel neer en trok de pijl eruit. De wolf bleef janken en rook angstig. Perijn hield de pijl omhoog. Hij róók kwaadaardig. Walgend smeet hij de pijl opzij en tilde de wolf op.

Vlakbij kraakte iets, en Perijn draaide zich snel om. Tomeloos sprong tussen twee bomen door, met een ongeruste geur. De andere twee wolven lokten Slachter weg. Perijn draaide zich om en rende met Vonken in zijn armen naar de dichtstbijzijnde koepelwand. Hij kon niet rechtstreeks naar de rand van de koepel springen, omdat hij niet wist waar die zich bevond.

Met een bonzend hart sprong hij tussen de bomen vandaan. De wolf in zijn armen scheen sterker te worden toen ze de pijl achter zich lieten. Perijn versnelde zijn tred, rende op een roekeloze snelheid, verplaatste zich honderden passen in razende vaart. De koepelwand doemde op en hij kwam tot stilstand.

Ineens stond Slachter voor hem, met een aangespannen boog. Hij droeg een zwarte mantel die rondom hem opwapperde; hij glimlachte niet langer en zijn ogen waren stormachtig. Hij liet de pijl gaan. Perijn verplaatste zich en zag niet eens waar de pijl terechtkwam. Hij verscheen op de plek waar hij voor het eerst de koepel binnen was gekomen; hij had daar meteen naartoe moeten gaan. Hij dook door de violetkleurige wand en viel neer aan de andere kant, waardoor Vonken uit zijn armen tuimelde. De wolf jankte. Perijn kwam hard neer.

Jonge Stier! Vonken stuurde hem een beeld van Slachter, donker als een donderwolk, met aangespannen boog aan de andere kant van de versperring.

Perijn keek niet om. Hij verplaatste zich naar de hellingen van de Drakenberg. Eenmaal daar sprong hij ongerust overeind, en de hamer verscheen in zijn hand. Groepen wolven die in de buurt waren, begroetten hem. Perijn negeerde hen voorlopig. Slachter volgde niet. Na een paar gespannen ogenblikken verscheen Springer. ‘Zijn de anderen ontkomen?’ vroeg Perijn. Ze zijn vrij, antwoordde de wolf. Fluisteraar is dood. De gedachte toonde hem de wolvin – vanuit het gezichtspunt van de andere in het roedel – die in de ogenblikken na het verschijnen van de koepel was gedood. Vonken had een pijl in zijn poot gekregen toen hij angstig aan haar snuffelde.

Perijn gromde. Hij sprong bijna weg om het weer tegen Slachter op te nemen, maar een waarschuwing van Springer hield hem tegen. Het is te vroeg! Je moet leren!

‘Het gaat niet alleen om hem,’ zei Perijn. ‘Ik moet het gebied rondom mijn kamp en dat van de Witmantels doorzoeken. Er ruikt iets niet goed in de wakende wereld. Ik moet kijken of er iets vreemds is.’

Iets vreemds? Springer stuurde hem een beeld van de koepel. ‘Het heeft waarschijnlijk met elkaar te maken.’ De twee eigenaardigheden leken hem meer dan gewoon toeval. Zoek een andere keer. Slachter is te sterk voor je. Perijn haalde diep adem. ik moet hem een kéér het hoofd bieden, Springer.’ Niet nu.

‘Nee,’ beaamde Perijn. ‘Niet nu. Nu gaan we oefenen.’ Hij keek de wolf aan. ‘Zoals we van nu af aan elke nacht zullen doen totdat ik er klaar voor ben.’

Rodel Ituralde draaide zich om op zijn brits en voelde dat zijn nek kletsnat was van het zweet. Was het altijd zo warm en benauwd geweest in Saldea? Hij verlangde naar huis, naar de koele oceaanwind in Bandar Eban.

Alles voelde verkéérd. Waarom had het Schaduwgebroed niet aangevallen? Honderd mogelijkheden gingen door zijn hoofd. Wachtten ze op nieuwe belegeringsmachines? Doorzochten ze de bossen naar grondstoffen om ze te bouwen? Of waren hun commandanten tevreden met een beleg? De hele stad was omsingeld, maar er moesten daarbuiten inmiddels voldoende Trolloks zijn om de aanval te beginnen.

Ze hadden tromgeroffel ingezet. Dag en nacht. Bonk, bonk, bonk. Regelmatig, als de hartslag van een reusachtig dier, het Grote Serpent zelf, kronkelend rond de stad.

De ochtend begon te gloren. Hij was pas ver na middernacht naar bed gegaan. Durhem – die het bevel voerde over de ochtendwacht -had de mannen bevolen Ituralde niet voor noen te storen. Zijn tent stond in een beschaduwde nis op het plein. Hij had dicht bij de muur willen slapen en een echt bed geweigerd. Dat was dom geweest. Hoewel hij vroeger uitstekend op een brits had kunnen slapen, was hij niet meer de jongste. Morgen zou hij verhuizen.

En nu, hield hij zich voor, ga je slapen.

Zo gemakkelijk was het niet. De beschuldiging dat hij een Draakgezworene was, had hem onthutst. In Arad Doman had hij gevochten voor zijn koning, iemand in wie hij geloofde. Nu vocht hij in een vreemd land voor een man die hij slechts één keer had ontmoet. Allemaal vanwege een buikgevoel.