Выбрать главу

Licht, wat was het warm. Het zweet stroomde over zijn wangen en kriebelde in zijn nek. Het zou ’s morgens vroeg nog niet zo warm moeten zijn. Het was onnatuurlijk. En die rottige trommels bleven maar roffelen.

Hij zuchtte en stapte van zijn brits, die vochtig was van het zweet. Zijn been deed pijn. Het deed al dagen pijn.

Je bent een oude man, Rodel, dacht hij terwijl hij zijn bezwete onderkleding uittrok en verruilde voor fris gewassen exemplaren. Hij stopte zijn broek in kniehoge rijlaarzen. Hij trok een eenvoudig wit hemd met zwarte knopen aan en vervolgens zijn grijze jas, met knopen helemaal tot aan de kraag.

Hij was bezig zijn zwaard om te gespen toen hij buiten haastige voetstappen en vervolgens gefluister hoorde. Het gesprek raakte verhit, en hij stapte naar buiten net toen iemand zei: ‘Heer Ituralde zal dit willen weten!’

‘Wat wil ik weten?’ vroeg Ituralde. Een jonge boodschapper stond met zijn wachters te ruziën. Alle drie draaiden ze zich schaapachtig naar hem om.

‘Het spijt me, heer,’ zei Connel. ‘We hadden de opdracht u te laten slapen.’

‘Om in deze hitte te kunnen slapen, moet je een halve hagedis zijn, Connel,’ zei Ituralde. ‘Wat is er te melden, jongen?’

‘Kapitein Yoeli staat op de muur, commandant,’ zei de jongeman. Ituralde herkende hem; hij was al bijna vanaf het begin van deze veldtocht bij hem. ‘Hij zei dat u moest komen.’ Ituralde knikte. Hij legde zijn hand op Connels arm. ‘Dank je dat je over me waakt, oude vriend, maar deze botten zijn niet zo broos als je denkt.’

Connel knikte blozend. De wachter liep met hem mee toen Ituralde het plein overstak. De zon was inmiddels opgekomen. Veel soldaten waren wakker. Te veel. Hij was niet de enige die de slaap moeilijk kon vatten.

Boven op de muur wachtte hem een ontmoedigende aanblik. Op het stervende land kampeerden duizenden en nog eens duizenden Trolloks, met brandende vuren. Ituralde dacht maar liever niet aan waar het hout voor die vuren vandaan kwam. Hopelijk hadden alle naburige boeren en dorpelingen geluisterd naar de oproep om te vluchten.

Yoeli stond met zijn handen om de kantelen op de muur geklemd, naast een man in een zwarte jas. Deeper Bhadar was de hoogste onder de Asha’man die Altor hem had gegeven, een van de slechts drie die zowel de draak als de zwaardspeld op hun kraag droegen. De Andoraanse man had een plat gezicht en lang zwart haar. Ituralde had de mannen met zwarte jassen soms in zichzelf horen prevelen, maar Deeper niet. Hij scheen zichzelf volkomen in de hand te hebben.

Yoeli bleef maar naar de Asha’man kijken. Ituralde voelde zich ook niet op zijn gemak bij mannen die konden geleiden, maar ze waren een uitstekend hulpmiddel en hadden hem nog nooit in de steek gelaten. Hij liet zich liever sturen door ervaring dan door geruchten. ‘Heer Ituralde,’ zei Deeper. De Asha’man salueerde nooit naar Ituralde, alleen naar Altor.

‘Wat is er?’ vroeg Ituralde, turend naar de hordes Trolloks. De toestand leek niet te zijn veranderd sinds hij naar bed was gegaan. ‘Uw man beweert dat hij iets voelt,’ zei Yoeli. ‘Daarbuiten.’

‘Ze hebben geleiders, heer Ituralde,’ zei Deeper. ‘Ik vermoed ten minste zes, misschien meer. Mannen, aangezien ik de Kracht voel die ze gebruiken, en ze doen iets waar veel Kracht voor nodig is. Als ik naar de kampen in de verte tuur, geloof ik dat ik af en toe wevingen kan zien, maar misschien verbeeld ik het me.’ Ituralde vloekte. ‘Daar wachtten ze op.’

‘Wat?’ vroeg Yoeli.

‘Met hun eigen Asha’man...’

‘Het zijn géén Asha’man,’ zei Deeper vurig.

‘Goed dan. Met hun eigen geleiders kunnen ze deze muur omver-smijten alsof het een stapel blokken is, Yoeli. Die zee van Trolloks zal ons overspoelen en de straten vullen.’

‘Niet zo lang ik nog overeind sta,’ zei Deeper. ‘Vastberadenheid is een goede eigenschap voor een soldaat, Deeper,’ zei Ituralde, ‘maar jij ziet er net zo moe uit als ik me voel.’ Deeper keek hem woest aan. Zijn ogen waren rood van het slaapgebrek, en hij klemde zijn kiezen op elkaar waardoor de spieren in zijn nek en gezicht aanspanden. Hij keek Ituralde in de ogen en haalde toen diep adem.

‘Dat klopt,’ zei Deeper. ‘Maar daar kunnen we geen van beiden iets aan doen.’ Hij hief zijn hand en deed iets wat Ituralde niet kon zien. Er verscheen een flits van rood licht boven zijn hoofd; het teken dat hij gebruikte om de anderen naar zich toe te roepen. ‘Bereid uw mannen voor, generaal, kapitein. Het zal niet lang meer duren. Ze kunnen zoveel Kracht niet blijven vasthouden zonder... gevolgen.’ Yoeli knikte en haastte zich weg. Ituralde pakte Deepers arm om zijn aandacht te trekken.

‘Je Asha’man zijn te belangrijk om te verliezen,’ zei Ituralde. ‘De Draak heeft ons hierheen gestuurd om te helpen, niet om te sterven. Als deze stad valt, dan wil ik dat je de anderen verzamelt, en zo veel mogelijk gewonden, en vertrekt. Is dat begrepen, soldaat?’

‘Dat zullen mijn mannen niet leuk vinden.’

‘Maar jij weet dat het het beste is,’ zei Ituralde. ‘Toch?’ Deeper aarzelde. ‘Ja. U hebt gelijk, zoals zo vaak. Ik zal ze hier weghalen.’ Hij dempte zijn stem. ‘Dit is een hopeloos verzet, heer. Wat er daarbuiten ook gebeurt, het zal dodelijk zijn. Het bevalt me niet om dit voor te stellen... maar wat u over mijn Asha’man zei, geldt ook voor uw soldaten. Laten we vluchten.’ Hij sprak het woord ‘vluchten’ vol bitterheid uit. ‘De Saldeanen zouden niet met ons meegaan.’

‘Dat weet ik.’

Ituralde overwoog het. Uiteindelijk schudde hij zijn hoofd. ‘Elke dag vertraging die wij hier veroorzaken, houdt die monsters weer een dag langer buiten mijn vaderland. Nee, ik kan niet weg, Deeper. Dit is nog steeds de beste plek om te strijden. Je hebt gezien hoe sterk die gebouwen zijn; we kunnen het binnen wel een paar dagen uithouden, ons opsplitsen, het leger bezighouden.’

‘Dan zouden mijn Asha’man ook moeten blijven, om te helpen.’

‘Je hebt je bevelen, jongen. Volg ze op. Is dat begrepen?’ Deeper liet zijn mond dichtvallen en knikte toen kort. ‘Ik zal...’ De rest hoorde Ituralde niet. Er was een explosie. Ilij voelde het niet aankomen. Het ene ogenblik stond hij naast Deeper, het volgende lag hij op de grond en was de wereld merkwaardig stil om hem heen. Zijn hoofd gonsde van pijn. Hij hoestte, hief een trillende hand en merkte dat zijn gezicht bloedde. Er zat iets in zijn rechteroog; het gloeide schrijnend als hij ermee knipperde. Waarom was het zo stil?

Hij rolde om en hoestte nog eens, met zijn rechteroog dichtgeknepen terwijl het andere traande. De muur eindigde op een paar duim afstand bij hem vandaan.

Hij zoog geschrokken zijn adem naar binnen. Een gigantisch stuk van de noordelijke muur was gewoon wég. Hij kreunde en keek de andere kant op. Deeper had naast hem gestaan... De Asha’man lag verderop op de grond, met een bloedend hoofd. Zijn rechterbeen eindigde boven de knie in een rafelige lap vlees en gebroken bot. Ituralde vloekte, strompelde naar hem toe en liet zich naast de man op zijn knieën vallen. Deeper lag in een plas bloed, maar hij bewoog nog. Hij leefde. Ik moet alarm slaan...

Alarm? Die ontploffing was waarschuwing genoeg geweest. Binnen de muur waren gebouwen verwoest, geplet door stenen die uit de muur waren gebarsten. Buiten kwamen Trolloks naar voren met vlotten om de gracht over te steken.

Ituralde deed de Asha’man zijn riem af en gebruikte die om zijn been mee af te binden. Het was het enige wat hij kon bedenken. Zijn oren suisden nog na van de ontploffing.

De stad is verloren... Licht! Hij is verloren, zomaar ineens. Handen hielpen hem overeind. Verdoofd keek hij om zich heen. Connel; hij had de knal overleefd, hoewel zijn jas aan flarden hing. Hij trok Ituralde mee terwijl twee soldaten zich om Deeper bekommerden.

De volgende ogenblikken waren een waas. Ituralde stommelde de trap van de muur af en viel bijna halsoverkop de laatste vijftien voet naar de keien. Alleen Connels handen voorkwamen dat hij viel. En toen... een tent? Een grote tent met open zijkanten? Ituralde knipperde met zijn ogen. Het zou niet zo stil moeten zijn op een slagveld. Een ijzige kilte spoelde over hem heen. Hij schreeuwde. Geluiden bestookten zijn oren en geest. Geschreeuw, brekend steen, bugels, trommels. Kreten van stervende mannen. Het overspoelde hem allemaal tegelijk, alsof er doppen uit zijn oren waren getrokken. Hij huiverde en hijgde. Hij lag in de ziekentent. Antail – de rustige Asha’man met zijn dunnende haar – stond over hem heen. Licht, wat was Ituralde uitgeput! Te weinig slaap en dan de inspanning van een Heling. Terwijl de strijdgeluiden over hem heen kwamen, werden zijn oogleden verraderlijk zwaar.