Выбрать главу

Ituralde hield zijn adem in. De Trolloks braken door en renden joelend en brullend de stad in, en groepen verspreidden zich als ze mogelijkheden zagen om te plunderen en doden.

De deur achter Ituralde vloog open en Yoeli haastte zich naar binnen. ‘De laatste gelederen staan op hun plek. Gaat alles goed?’ Ituralde antwoordde niet; het antwoord was buiten te zien. De Trolloks namen aan dat hun slag gewonnen was. De aanvallen van de Asha’man leken een laatste verzetspoging te zijn geweest, en de stad verkeerde ogenschijnlijk in chaos. De Trolloks renden allemaal met overduidelijke uitgelatenheid door de straten. Zelfs de Myrddraal die binnenkwamen, leken op hun gemak.

De Trolloks sloegen de brandende gebouwen en het paleis over, aangezien daar een muur omheen stond. Ze gingen verder de stad in en achtervolgden de vluchtende soldaten over een brede laan aan de oostkant. Zorgvuldig opgestapeld puin stuurde het overgrote deel over die laan.

‘Heb je de aspiratie om generaal te worden, kapitein Yoeli?’ vroeg Ituralde zachtjes.

‘Mijn aspiraties doen er niet toe,’ zei Yoeli. ‘Maar een man is dom als hij niet hoopt te zullen leren.’

‘Let dan nu goed op, jongen.’ Beneden werden de luiken voor vensters open gesmeten in gebouwen langs de laan waar de Trolloks over renden. Boogschutters stapten balkons op. ‘Als je ooit de indruk hebt dat je doet wat de vijand van je verwacht, doe dan iets anders.’

De pijlen werden gelost, en Trolloks stierven. Grote kruisbogen, die schichten bijna ter grootte van speren afvuurden, mikten op de Schimmen, en veel daarvan wankelden over de straat, niet wetend dat ze al dood waren, terwijl tientallen Trolloks die aan hen verbonden waren ook vielen. Verward en woedend begonnen de nog levende schepsels te brullen en op de deuren te bonzen van gebouwen vol met boogschutters. Maar terwijl ze dat deden, begon de donder. Hoefslagen. Yoeli’s beste cavalerie denderde met vooruitgestoken lansen de straat in. Ze vertrapten de Trolloks en slachtten ze af. De stad werd één grote hinderlaag. Je kon je geen betere uitkijkpunten wensen dan die gebouwen, en de straten waren breed genoeg voor een bestorming als je de weg wist. Het gebrul van vreugde van de Trolloks ging over in geschreeuw van pijn, en ze klommen over elkaar heen in hun haast om te ontkomen. Ze dromden het plein bij de gebroken muur op.

De Saldeaanse ruiters volgden, de hoeven en flanken van hun paarden nat van het smerige bloed van de gesneuvelden. Mannen verschenen achter de vensters van ‘brandende’ gebouwen – waarin branden zorgvuldig in afgescheiden kamers waren gesticht – en begonnen pijlen af te vuren op het grote plein. Anderen brachten nieuwe lansen naar de ruiters, die vervolgens een rij vormden en over de Trolloks heen reden. De pijlenregen stopte en de cavalerie maakte een golvende zwaai over het plein.

Honderden Trolloks stierven. Misschien wel duizenden. Degene die niet stierven, klommen de bres weer uit. De meeste Myrddraal vluchtten. Elk monster dat achterbleef, werd een doelwit voor de boogschutters. Als je er daar een van doodde, kon je tientallen Trolloks doden die met hem verbonden waren. De Schimmen gingen neer, vele ervan doorzeefd met pijlen.

‘Ik zal het bevel geven om bijeen te komen en de bres weer te verdedigen,’ opperde Yoeli gretig.

‘Nee,’ zei Ituralde.

‘Maar...’

‘Gevechten bij de bres leveren ons niets op,’ verhelderde Ituralde. ‘Geef het bevel dat de mannen naar andere gebouwen gaan, en laat de boogschutters andere plekken innemen. Zijn er pakhuizen of andere grote gebouwen waar de ruiters zich kunnen verbergen? Verplaats ze daar snel naartoe. En dan wachten we af.’

‘Ze zullen zich niet weer laten vangen.’

‘Nee,’ zei Ituralde. ‘Maar ze zullen langzaam en voorzichtig zijn. Als we regelrecht tegen ze strijden, verliezen we. Als we standhouden, tijd rekken, dan winnen we. Dat is de enige uitweg, Yoeli. Overleven totdat er hulp komt. Als die komt.’

Yoeli knikte.

‘Bij onze volgende valstrik zullen er minder sterven,’ vervolgde Ituralde, ‘maar Trolloks zijn lafaards. De wetenschap dat een weg plotseling in een dodelijke valstrik kan veranderen, zal ze doen aarzelen en levert ons meer tijd op dan wanneer we de helft van onze mannen verspelen bij het verdedigen van die muur.’

‘Goed,’ zei Yoeli. Hij aarzelde. ‘Maar... betekent dit niet dat ze ons door hebben? Deze fase van de strategie zal alleen lukken omdat ze onze hinderlagen verwachten.’

‘Ja, dat is waar.’

‘Moeten we dan niet iets anders doen? Je zei dat als we de indruk hadden dat de vijand weet wat we gaan doen, we onze aanpak moeten veranderen.’

‘Je denkt er te veel over na, jongen. Ga doen wat ik gezegd heb.’

‘Eh, ja, heer.’ Hij haastte zich weg.

Dit, dacht Ituralde, is waarom ik nooit tactiek zou moeten onderwijzen. Het was lastig aan leerlingen uit te leggen dat er een regel was die boven alle andere ging: vertrouw altijd op je intuïtie. De Trolloks zouden bang zijn. Daar kon hij gebruik van maken. Hij zou alles gebruiken wat ze hem boden.

Hij dacht liever niet te veel over die regel na, anders zou hij stilstaan bij het feit dat hij die al geschonden had. Want zijn intuïtie schreeuwde hem toe dat hij de stad uren geleden al had moeten verlaten.

29

Een verschrikkelijk voorgevoel

‘Wat heeft Perijn zich voorgenomen, denk je?’ vroeg Berelain. Ze maakte samen met Faile en Alliandre een wandeling.

Faile antwoordde niet. De late middag werd zacht verlicht door een verre zon gehuld in wolken. Straks zou hij de horizon laten gloeien terwijl hij omlaag zonk voor de nacht. Over twee dagen zou Perijns rechtsgeding plaatsvinden. Hij had specifiek om uitstel gevraagd, wist ze, zodat de Asha’man meer tijd hadden om zich te verdiepen in het vreemde probleem met de Poorten.

Hun leger groeide doordat er nog steeds meer mensen bij kwamen. Verslagen van verkenners wezen erop dat ook het leger van de Witmantels groter werd. Langzamer dan dat van hen, maar het dijde toch uit. In dit soort tijden was een leger een symbool van kracht en dat in ieder geval – voedsel. Een groepje vingerwortelbomen deed zich te goed aan het water van het stroompje vlak bij Perijns kamp. Het waren merkwaardige planten, met wortels die in het water hingen en stammen als vloeibaar glas dat in druipers was uitgehard. Zulke bomen zag je niet in Saldea. Het leek wel alsof je hier in een moeras kon belanden als je twee stappen in de verkeerde richting deed.

‘Krijg ik geen antwoord?’ vroeg Berelain. Ze leek de laatste tijd verstrooid. ik heb nagedacht. Misschien is het verstandig om een afvaardiging naar het Witmantelleger te sturen. Denk je dat Perijn het goed zou vinden als ik erheen ging om met ze te praten? Ik zou een goed woordje voor hem kunnen doen.’

Ze blééf daar maar over beginnen. ‘Nee,’ zei Faile. ‘Je weet dat hij vastbesloten is over dat rechtsgeding, Berelain.’ De Eerste tuitte haar lippen, maar ze drong niet verder aan. De drie vervolgden hun wandeling, vergezeld door tien Speervrouwen. Ooit zou Faile misschien over al die aandacht hebben geklaagd. Dat was voordat ze zo onverwachts was ontvoerd, en met zoveel gemak. In de verte zag ze een kleine groep vluchtelingen in zuidoostelijke richting weglopen bij het kamp. Voordat het was misgegaan met de Poorten, waren er ongeveer tienduizend naar plattelandsgebieden in Cairhien gestuurd. Ze hadden allemaal de opdracht gekregen hun mond te houden. Perijn wilde nog niet dat zijn locatie bekend werd. De vrouwen zouden wel zwijgen, maar natuurlijk zouden de mannen roddelen; dat deden ze altijd.