Выбрать главу

Ze knikte omdat ze niet met hem wilde redetwisten. Het Licht zij dank dat Elaida er niet bij was om die logica aan te horen! ‘Hoe dan ook,’ zei hij, ‘we zullen aan hun zijde vechten, en aan die van de Herrezen Draak, en van die Perijn Aybara als het moet. De strijd tegen de Schaduw gaat boven alle andere zorgen.’

‘Laten we ons dan bij die strijd aansluiten,’ zei ze. ‘Galad, vergeet dat rechtsgeding! Aybara wil een deel van zijn leger ontmantelen en de rest aan Altor schenken.’

Hij keek in haar ogen, en toen knikte hij. ‘Ja. Ik zie nu wel dat het Patroon je naar me toe heeft geleid. We zullen met jou meereizen. Na het geding.’ Ze zuchtte.

‘Ik doe dit niet omdat ik het wil,’ zei Galad. ‘Aybara bood zelf aan om over zich te laten oordelen. Zijn geweten speelt op, en het zou verkeerd zijn om hem die mogelijkheid te ontzeggen. Laat hem zijn onschuld maar bewijzen, aan ons en aan zichzelf. Daarna kunnen we verder.’ Hij aarzelde, stak zijn hand uit en raakte het in een witte schede gestoken zwaard op tafel aan. ‘En als we zonder hem verdergaan, dan zal hij rusten in het Licht, nadat hij heeft geboet voor zijn misdaden.’

‘Galad,’ zei ze, ‘je weet dat Lini ook bij de mensen uit Perijns kamp was die je gevangen had genomen.’

‘Ze had iets moeten zeggen, zich bekend moeten maken. Ik zou haar hebben vrijgelaten.’

‘En toch deed ze dat niet. Ik heb gehoord dat je zo ongeveer dreigde de gevangenen terecht te stellen als Perijn niet wilde vechten. Zou je dat echt hebben gedaan?’

‘Hun bloed zou aan Aybara’s handen hebben gekleefd.’

‘Lini’s bloed, Galad?’

‘Ik... Ik zou haar hebben herkend en hebben gered.’

‘Dus je zou de anderen hebben gedood,’ zei Morgase. ‘Mensen die niets verkeerd hadden gedaan, die alleen maar schuldig waren aan het feit dat ze zich hadden laten inpalmen door Aybara?’

‘Die terechtstellingen zouden nooit hebben plaatsgevonden. Het was maar een dreigement.’

‘Een leugen.’

‘Bah! Waar wil je heen, moeder?’

‘Ik wil je aan het denken zetten, jongen,’ antwoordde Morgase. ‘Op manieren die ik eerder had moeten aanmoedigen, in plaats van je over te laten aan je illusies. Het leven is niet zo eenvoudig als het werpen van een munt, de ene kant of de andere. Heb ik je wel eens verteld over de rechtszitting van Tham Felmy?’ Galad schudde zijn hoofd en keek geërgerd.

‘Luister naar me. Hij was steenhouwer in Caemlin, een beroemde. Hij werd in de begindagen van mijn bewind beschuldigd van de moord op zijn broer. Hij had een goede naam, en de zaak was zo belangrijk dat ik er zelf over oordeelde. Aan het eind kreeg hij de strop.’

‘Een passend einde voor een moordenaar.’

‘Ja,’ beaamde Morgase. ‘Maar helaas bleef de moordenaar op vrije voeten. Een van zijn arbeiders was de werkelijke dader. Dat kwam pas twee jaar later aan het licht, toen de man werd opgepakt voor een andere moord. Hij lachte ons nóg uit terwijl de strop om zijn nek werd gelegd. Felmy was al die tijd onschuldig geweest. De echte moordenaar had zelfs tegen hem getuigd bij zijn rechtsgeding.’ Galad zweeg.

‘Dat is de enige keer,’ zei Morgase, ‘waarvan ik zeker weet dat ik de verkeerde heb laten ophangen. Dus zeg jij het maar, Galad. Moet ik hangen voor mijn fout, voor het veroordelen van een onschuldig man?’

‘Je hebt je best gedaan, moeder.’

‘En toch is er een man dood die dat niet verdiende.’

Galad keek verontrust.

‘De Kinderen zeggen graag dat het Licht hen beschermt,’ zei Morgase, ‘dat het hun oordeel ondersteunt en mensen naar de gerechtigheid leidt. Zo werkt het niet, Galad. Valda, die beweerde de zegen te hebben van het Licht, was tot verschrikkelijke dingen in staat. En ik, hopend op de hulp van het Licht, heb onterecht iemand van het leven beroofd.

Ik zeg niet dat Aybara onschuldig is. Daarvoor heb ik nog niet genoeg gehoord. Maar ik wil dat je het begrijpt. Soms kan een goed mens verkeerde dingen doen. Soms is het passend om hem dan te straffen. In andere gevallen dient een straf niemand en is het het beste om hem te laten gaan, zodat hij kan leren. Net zoals ik de draad weer oppakte en leerde van mijn slechte oordeel.’ Galad fronste zijn voorhoofd. Dat was mooi. Uiteindelijk schudde hij zijn hoofd en trok zijn gezicht glad. ‘We zullen zien wat dat geding brengt. Het...’

Er werd op de tentpaal geklopt. Galad draaide zich om en fronste weer. ‘Ja?’

‘Kapiteinheer-gebieder,’ zei een Witmantel, die de flap optilde en de tent instapte. Het was een slanke man met diepliggende ogen waar donkere kringen onder lagen. ‘We hebben zojuist bericht ontvangen uit het kamp van dat schepsel Aybara. Ze verzoeken ons de dag van het rechtsgeding uit te stellen.’ Galad stond op. ‘Waarom?’ vroeg hij.

‘Een verstoring in hun kamp, beweren ze,’ zei de Witmantel. ‘Iets over gewonden die verzorging nodig hebben. Kapiteinheergebieder... dit is overduidelijk een list. Een of andere misleiding. We zouden moeten aanvallen, of in ieder geval dat zinloze uitstel moeten weigeren.’

Galad aarzelde. Hij keek Morgase aan.

‘Het is geen list, jongen,’ zei ze. ‘Dat kan ik je beloven. Als Aybara zegt dat hij meer tijd nodig heeft, dan is er echt iets aan de hand.’

‘Bah,’ zei Galad, die de boodschapper wegstuurde met de woorden: ‘Ik zal erover nadenken.’ Daarna wendde hij zich weer naar Morgase. ‘En ik zal ook nadenken over de andere dingen die je hebt gezegd, moeder. Misschien is wat extra tijd voor overpeinzing wel... welkom.’

‘De geleiders zeggen dat ze zo hard mogelijk werken,’ zei Gaul, lopend naast Perijn op een ronde langs de verschillende delen van het kamp. ‘Maar ze zeggen dat het dagen kan duren om iedereen te verzorgen.’

De zon zakte naar de horizon, maar het zou met al die gewonden waarschijnlijk een lange nacht voor hen allemaal worden. Er waren er duizenden, hoewel het meeste letsel gelukkig meeviel. Er waren ook slachtoffers gevallen. Te veel, misschien wel evenveel als er ten prooi waren gevallen aan de slangenbeten.

Perijn gromde. Gaul had zelf ook verband om zijn arm; hij had zijn speren afgeweerd, maar was toen bijna gedood door een van zijn pijlen, die hij had opgevangen in zijn onderarm. Toen Perijn ernaar vroeg, lachte hij en zei dat het jaren geleden was dat hij zichzelf met een pijl had geraakt. Aielhumor.

‘Hebben we al iets teruggehoord van de Witmantels?’ vroeg Perijn aan Aravine, die aan de andere kant liep.

‘Ja,’ antwoordde ze. ‘Maar niets specifieks. Hun commandant zei dat hij zou “nadenken” over het uitstel.’

‘Nou, hij is niet degene die dat beslist,’ zei Perijn. Ze liepen het Mayeense gedeelte van het kamp in om bij Berelains mensen te gaan kijken. ‘Ik wil geen strijd aangaan terwijl een kwart van mijn mannen gewond is en mijn Asha’man doodmoe zijn van het Helen. We gaan naar dat rechtsgeding als ik het zeg. Als Damodred het er niet mee eens is, moet hij ons maar aanvallen.’

Gaul gromde instemmend. Hij droeg zijn speren, maar Perijn zag dat ze steviger vastgebonden zaten dan gebruikelijk. Aravine droeg een lantaarn, hoewel ze die nog niet hadden hoeven aansteken. Zij verwachtte ook dat het laat zou worden.

‘Laat het me weten als Tam en Elyas terug zijn,’ zei Perijn tegen Gaul. Perijn had hen afzonderlijk naar naburige dorpen gestuurd om na te gaan of de mensen daar – degenen die zich nog niet hadden aangesloten bij een langstrekkend leger – niet hadden geleden onder de bel van kwaad.

Berelain had zich hersteld, en haar hand was verbonden. Ze bracht zelf verslag aan hem uit in haar tent, vertelde hoeveel van haar soldaten gewond waren geraakt en gaf hem de namen van de mannen die waren gesneuveld. Slechts zes in haar kamp. Perijn geeuwde toen hij de tent verliet en stuurde Aravine naar de Aes Sedai om bij hen te gaan kijken. Gaul moest weg om te helpen bij het verplaatsen van enkele gewonden, en Perijn bleef alleen achter op het pad naar Alliandres deel van het kamp. Zijn hamer had niet geprobeerd hem te doden. Voor zover hij wist, was dat het enige wapen dat iemand bij zich had gedragen, dat niet had gereageerd op de bel van kwaad. Wat betekende dat? Hij schudde zijn hoofd en bleef even staan nadenken, toen hij iemand over het pad naar hem toe hoorde draven. Hij ving Tams geur op en draaide zich om om de potige man op te wachten.