‘Perijn, jongen,’ zei Tam, buiten adem van het rennen. ‘Er is net iets merkwaardigs gebeurd.’
‘Heeft de bel van kwaad het dorp geraakt?’ vroeg Perijn geschrokken. ‘Zijn er mensen gewond?’
‘O nee,’ zei Tam. ‘Dat is het niet. In het dorp was niets aan de hand.
Ze hadden niet eens gemerkt dat er iets mis was. Dit gaat om iets anders.’ Tam rook vreemd: bedachtzaam, ongerust.
Perijn fronste zijn voorhoofd. ‘Wat dan? Wat is er?’
‘Ik... nou, ik moet weg, jongen,’ zei Tam. ‘Het kamp verlaten. Ik weet niet wanneer ik terug ben.’
‘Heeft dit...’
‘Het heeft niets met de Witmantels te maken,’ zei Tam. ‘Ik mag niet veel vertellen, maar het gaat om Rhand.’
De kleuren wervelden. Rhand liep door de gangen van de Steen van Tyr. Zijn gezicht stond duister. Gevaarlijk.
‘Perijn,’ zei Tam, ‘ik denk dat ik dit moet doen. Het heeft met Aes Sedai te maken, en ik móét je nu verlaten. Meer kan ik niet zeggen. Ze hebben het me laten zweren.’
Perijn keek in Tams ogen en zag de oprechtheid daar. Hij knikte. ‘Goed dan. Heb je hulp nodig? Iemand die met je meegaat naar waar je dan ook naartoe moet?’
‘Ik red me wel,’ zei Tam. Hij rook beschaamd. Wat was er aan de hand? ‘Ik zal proberen hulp bij je te krijgen, jongen.’ Hij legde zijn hand op Perijns schouder. ‘Je hebt het hier goed gedaan. Ik ben trots op je, en dat zou je vader ook zijn. Ga zo door. Ik zie je bij de Laatste Slag, of misschien eerder.’
Perijn knikte. Tam haastte zich naar zijn tent toe om zijn spullen te pakken.
Het viel niet mee om er koninklijk uit te zien terwijl ze op een draagbaar de stadsmuur rondom Caemlin op werd gedragen, maar Elayne deed haar best. Soms was je zin krijgen belangrijker dan er koninklijk uitzien.
Bedrust! Voor een koningin! Nou, om te voorkomen dat Melfane om haar heen zou blijven draaien, had ze beloofd dat ze niet zou gaan rondlopen. Maar ze had niet gezegd dat ze in haar slaapkamer zou blijven.
Vier Gardisten droegen de draagbaar hoog op hun schouders. Elayne zat veilig tussen armleuningen, in een scharlakenrood gewaad, haar haren netjes gekamd en met de Rozenkroon van Andor op haar hoofd. Het was een benauwde dag. Het werd warm, maar aan de hemel hingen nog donkere wolken. Ze stond zichzelf even wat schuldgevoel toe omdat ze die arme mannen, in hun uniform, haar door deze vroege zomerwarmte liet dragen. Maar diezelfde mannen zouden ten strijde trekken in haar naam; ze konden een beetje warmte wel aan. Hoe vaak kregen Gardisten immers de eer dat ze hun koningin mochten dragen?
Birgitte beende naast de draagbaar mee, en volgens de binding vond ze dit allemaal reuze grappig. Elayne had gevreesd dat ze een stokje voor het uitstapje zou steken, maar in plaats daarvan had ze gelachen! Birgitte moest hebben besloten dat de activiteiten van vandaag – hoewel Melfane er vast boos om zou worden – geen gevaar opleverden voor Elayne of haar kinderen. Voor de Zwaardhand betekende dit een kans om Elayne als een wicht door de stad te zien worden gedragen.
Elayne grimaste. Wat zouden de mensen zeggen? De koningin die op een draagbaar naar de buitenste muur werd gesjouwd? Nou, ze zou zich niet door geruchten laten weerhouden om de proef met eigen ogen te zien, en ze zou zich ook niet laten koeioneren door een tirannieke vroedvrouw.
Vanaf de muur kon ze ver zien. De open akkers tussen hier en Aringil lagen links van haar; de drukke stad lag rechts. Die akkers waren te bruin. De verslagen die van overal in het rijk binnenkwamen, waren afschrikwekkend. Op negen van de tien akkers stierven de gewassen.
Elaynes dragers brachten haar naar een van de spitsen op de muur, maar ze stuitten op een probleem toen ze beseften dat de palen van de draagbaar te lang waren om de bochten van de torentrap te maken; de demonstratie zou daarboven plaatsvinden. Gelukkig waren er kortere handgrepen voorzien voor dit soort omstandigheden. Ze maakten de palen los, omvatten de kortere handgrepen en vervolgden hun weg.
Terwijl ze naar boven werd gedragen, zocht ze afleiding door te denken aan Cairhien. De adellijke Huizen daar bewéérden allemaal dat ze niet konden wachten tot zij de troon besteeg, maar toch bood geen van hen meer dan de allerzwakste steun. Daes Dae’mar was nog volop in gang, en het gedraai rondom Elaynes troonsbestijging – of het falen daarvan – was begonnen zodra Rhand had bekendgemaakt dat hij haar het land wilde geven.
In Cairhien bliezen honderd verschillende politieke winden altijd in honderd verschillende richtingen. Ze had geen tijd om zich in de uiteenlopende groeperingen te verdiepen voordat ze de troon besteeg.
Bovendien zou ze, als men zag dat ze hun spel meespeelde, worden beschouwd als iemand die mogelijk te verslaan was. Ze moest de Zonnetroon in handen zien te krijgen zonder zich te veel in de plaatselijke politiek van de Huizen te mengen.
Elaynes draagbaar ging krakend naar boven en bereikte de top van de torenspits. Boven stond Aludra met een van haar eerste Draken. De bronzen buis was behoorlijk lang en in een stelling van hout ingebouwd. Het was maar een voorbeeld, en deze werkte niet. Een tweede, werkende Draak was boven op de volgende toren langs de muur geplaatst. Hij stond zo ver weg dat Elayne geen gevaar zou lopen als er iets misging.
De slanke Tarabonse vrouw scheen er niet bij stil te staan dat ze een potentieel wereldveranderend wapen overhandigde aan de koningin van een vreemd land; alles wat Aludra leek te willen, was wraak nemen op de Seanchanen, of dat had Mart althans gezegd. Elayne had enige tijd met die vrouw doorgebracht terwijl ze met Luca’s beestenspul meereisde, maar ze wist nog altijd niet helemaal hoe betrouwbaar Aludra was. Ze zou meester Norrij een oogje op haar laten houden.
Gesteld, natuurlijk, dat de Draken werkten. Elayne keek nog eens naar de mensen beneden. Toen pas besefte ze op welke hoogte ze zich eigenlijk bevond. Licht!
Ik ben veilig, bracht ze zichzelf in herinnering. Mins visioen. Niet dat ze dat tegen Birgitte zou zeggen; nu niet meer. En ze had zich echt voorgenomen om zichzelf niet meer zo in gevaar te brengen. Dit was niet gevaarlijk. Niet echt.
Ze wendde zich af voordat ze duizelig werd en bekeek de Draak eens wat beter. Hij had de vorm van een grote bronzen klok, hoewel hij langer en smaller was. Als een reusachtige vaas, op zijn kant. Elayne had meerdere brieven ontvangen van ziedende klokkengieters in de stad. Aludra stond erop dat haar opdrachten tot de letter werden opgevolgd en had de mannen gedwongen de buis drie keer opnieuw te gieten.
De vorige avond laat had er een luide knal over de stad geklonken. Alsof ergens een stenen muur was omgevallen of bliksem was ingeslagen. Vanochtend had Elayne een briefje van Aludra gekregen. Eerste proef geslaagd, stond erin. Ontmoet me vandaag op stadsmuur voor een demonstratie. ‘Majesteit,’ zei Aludra. ‘Het gaat u... goed, ja?’
‘Best, Aludra,’ zei Elayne, die probeerde haar waardigheid te bewaren. ‘Is de Draak klaar?’
‘Ja,’ antwoordde Aludra. Ze droeg een lang bruin gewaad en haar zwarte, golvende haar hing los tot aan haar middel. Waarom had ze vandaag geen vlechten in? Aludra scheen niet te geven om sieraden, en Elayne had haar die nooit zien dragen. Vijf mannen uit Marts Bond van de Rode Hand stonden bij haar, een van hen met een schoorsteenborstel of zoiets in zijn hand. Een tweede had een metalen bol vast, en de derde een houten vaatje.
Elayne zag net zo’n groep op de volgende toren staan. Iemand daar stak een hoed in de lucht en zwaaide naar haar. Mart wilde kennelijk toekijken vanaf de toren met de werkende Draak. Domkop. Stel dat dat ding als een nachtbloem de lucht in ging? ‘De demonstratie, dan,’ zei Aludra. ‘Laten we maar beginnen. Deze mannen hier doen u voor wat er op de andere toren gebeurt.’ Ze aarzelde terwijl ze naar Elayne keek. ‘Hare Majesteit moet denk ik wat hoger geplaatst worden, zodat ze het beter kan zien.’ Even later hadden ze een paar kistjes gevonden om onder de draagbaar te plaatsen en werd Elayne opgetild, zodat ze over de torentransen kon kijken. Het leek erop dat er iets was gebouwd op een heuvel in de verte, maar het was te ver weg en ze kon het niet goed zien. Aludra haalde enkele kijkglazen tevoorschijn en gaf Elayne en Birgitte er elk een.