De vrouw zuchtte, maar ze gaf haar belofte. Elayne had niet de bedoeling de wapens in te zetten tegen anderen dan Trolloks en Seanchanen. Maar ze zou zich veel geruster voelen als ze wist dat ze de Draken tot haar beschikking had.
Ze glimlachte toen ze daaraan dacht en kon haar opwinding moeilijk bedwingen. Birgitte liet eindelijk haar glas zakken. Ze voelde... plechtig.
‘Wat is er?’ vroeg Elayne toen de wachters om beurten haar kijkglas overnamen om de vernietiging te bekijken. Ze had een vreemd gevoel in haar maag. Had ze iets verkeerds gegeten bij het middagmaal?
‘De wereld is zojuist veranderd, Elayne,’ zei Birgitte hoofdschuddend, waarbij haar lange vlecht enigszins mee zwaaide. ‘Hij is zojuist ingrijpend veranderd. Ik heb het verschrikkelijke voorgevoel dat dit nog maar het begin is.’
30
Mensen dromen hier
Die Witmantels zijn een zwijgzaam stel, vrouwe,’ zei Lacile met een zelfingenomen glimlachje, ‘maar het blijven mannen. Mannen die al een hele tijd geen vrouw meer hebben gezien, geloof ik. Daardoor raken ze altijd de weinige hersens kwijt die ze al hadden.’
Faile liep langs de piketlijnen onder een donkere hemel, met een lantaarn voor zich uitgestoken. Perijn lag te slapen; hij ging al een paar dagen vroeg naar bed, op zoek naar de wolfsdroom. De Witmantels hadden met tegenzin de rechtszitting uitgesteld, maar Perijn zou zich er nog altijd op moeten voorbereiden. Hij knorde dat hij al wist wat hij zou zeggen. Hem kennende, zou hij Morgase gewoon vertellen wat er was gebeurd, onomwonden als altijd.
Lacile en Selande liepen aan weerskanten van Faile. Andere leden van Cha Faile liepen achter hen en hielden zorgvuldig in de gaten of niemand hen afluisterde.
‘Ik denk dat de Witmantels wisten dat we daar waren om te verspieden,’ zei Selande. De kleine, bleke vrouw liep met haar hand op haar zwaard. Die houding oogde niet meer zo onbeholpen als voorheen; Selande had haar zwaardoefeningen overtuigd aangepakt. ‘Nee, ik denk niet dat ze het doorhadden,’ weersprak Lacile. Ze droeg nog altijd een eenvoudig lichtbruin hemd en donkerbruine rokken. Selande had zich onmiddellijk na haar terugkeer weer in een broek gehuld en een zwaard omgegespt – ze had nog steeds een snee in haar arm van het zwaard dat had geprobeerd haar te doden – maar Lacile scheen te genieten van het dragen van rokken. ‘Ze zeiden nauwelijks iets bruikbaars,’ wierp Selande tegen. ‘Nee,’ antwoordde Lacile, ‘maar volgens mij is dat alleen maar een gewoonte van ze. Onze uitvlucht om te gaan kijken bij Maighdin en de anderen was geloofwaardig, vrouwe. We hebben uw briefje kunnen afleveren en wat met de mannen kunnen praten. Ik heb genoeg van ze losgekregen om enigszins van nut te zijn.’ Faile trok haar wenkbrauw op, hoewel Lacile zweeg toen ze langs een verzorger kwamen die nog laat bezig was met het borstelen van een paard.
‘De Witmantels eerbiedigen Galad,’ zei Lacile toen ze de verzorger voorbij waren. ‘Hoewel sommigen morren over de dingen die hij hun heeft verteld.’
‘Wat voor dingen?’ vroeg Faile.
‘Hij wil dat ze zich aansluiten bij de Aes Sedai voor de Laatste Slag,’ legde Lacile uit.
‘Iedereen had je kunnen vertellen dat ze daar niet verheugd over zouden zijn,’ zei Selande. ‘Het zijn Witmantels!’
‘Ja,’ zei Faile, ‘maar het betekent dat die Galad redelijker is dan zijn mannen. Een nuttig feit, Lacile.’
De jonge vrouw zwol op, streek in een bescheiden gebaar door haar korte haar en gooide de rode linten die ze erin had gebonden achterover. Ze droeg er nu twee maal zoveel, sinds haar gevangenschap bij de Shaido.
Verderop stapte een slungelige gestalte tussen twee paarden vandaan. Hij had een dikke snor, zoals de Taraboners, en hoewel hij nog jong was, had hij de uitstraling van iemand die in zijn leven veel gezien heeft. Dannil Lewin, de leider van de mannen uit Tweewater nu Tam om geheimzinnige redenen had besloten te vertrekken. Het Licht geve dat Tam veilig was, waar hij ook naartoe was gegaan. ‘Ach, Dannil,’ zei Faile, ‘wat een vreemd toeval om jou hier aan te treffen.’
‘Toeval?’ vroeg hij, krabbend op zijn hoofd. Hij hield zijn boog in de ene hand, als een soort staf, hoewel hij er behoedzaam naar bleef kijken. Veel mensen deden dat nu met hun wapens. ‘U had me gevraagd om hierheen te komen.’
‘Toch moet het toeval zijn,’ zei Faile, ‘voor het geval dat iemand ernaar vraagt. Vooral als die iemand mijn man is.’
‘Ik hou niet graag dingen verborgen voor heer Perijn,’ zei Dannil, die met haar meeliep.
‘Neem je dan liever de gok dat hij wordt onthoofd door dolle Witmantels?’
‘Nee. Dat geldt voor geen van de mannen. ‘
Dus je hebt gedaan wat ik had gevraagd?’
Dannil knikte. ‘Ik heb Gradi en Neald gesproken. Heer Perijn heeft hun al opgedragen in de buurt te blijven, maar we hebben overlegd. Gradi zegt dat hij wevingen van Lucht klaar zal houden, en hij zal heer Perijn grijpen en wegwezen als het akelig wordt, terwijl Neald hun aftocht dekt. Ik heb ook de mannen uit Tweewater gesproken. Een groep boogschutters tussen de bomen zal klaarstaan om de Witmantels af te leiden. ’
Faile knikte. Geen van beide Asha’man was gewond geraakt in de bel van kwaad, gelukkig. Ze hadden allebei een mes bij zich gehad, maar volgens de verslagen hadden ze naar de zwevende wapens gekeken, achteloos met hun hand gezwaaid en ze uit de lucht gemept. Toen boodschappers met nieuws over Failes ontdekking van aarde gooien bij het deel van het kamp waren aangekomen waar de Asha’man waren, hadden ze de chaos bedwongen. Gradi en Neald waren door het kamp gelopen en hadden wapens uitgeschakeld waar ze die maar zagen.
Eén reden voor het uitstel van de rechtszitting was omdat ze zich om Heling moesten bekommeren, maar er was nog een andere belangrijke reden. Perijn wilde de kampsmeden en ambachtslieden de tijd geven om wapens te maken, ter vervanging van de wapens die ze waren kwijtgeraakt, gewoon voor het geval dat de zitting in een veldslag veranderde. En Faile was er steeds meer van overtuigd dat het dat zou worden.
‘Heer Perijn zal het niet op prijs stellen als hij bij eventuele gevechten wordt weggehaald, ’ zei Dannil. ‘Bepaald niet. ‘
Die tent zou kunnen veranderen in een dodelijke val, ’ drong Faile aan. ‘Perijn mag de strijd aanvoeren als hij wil, maar dan wel vanaf een veiligere plek. Jullie halen hem daar weg. ’ Dannil zuchtte, maar hij knikte. ‘Ja, vrouwe. ’
Perijn begon te leren dat hij Jonge Stier niet hoefde te vrezen. Stap voor stap vond hij een evenwicht. De wolf wanneer de wolf nodig was; de man wanneer de man nodig was. Hij liet zich meetrekken in de jacht, maar hield Faile – zijn thuis – in gedachten. Hij liep over het scherp van een zwaard, maar elke stap maakte hem zelfverzekerder.
Vandaag joeg hij op Springer, een grillige en ervaren prooi. Maar Jonge Stier leerde snel, en zijn menselijke geest bood hem bepaalde voordelen. Hij kon zich verplaatsen in de gedachten van iets of iemand anders.
Was Noam ook zo begonnen? Waar zou dit pad naar het begrip toe leiden? Er zat hier een geheim achter, een geheim dat Jonge Stier zelf moest ontdekken.
Hij mocht niet falen. Hij móést leren. Het leek erop dat hoe zekerder hij werd in de wolfsdroom, hoe meer hij zich op zijn gemak voelde met zichzelf in de wakende wereld.
Jonge Stier rende door een onbekend bos. Nee, een oerwoud, met hangende lianen en varens met grote bladeren. De ondergroei was zo dicht dat een rat zich er slechts met moeite doorheen zou kunnen persen. Maar Jonge Stier eiste dat de wereld zich voor hem opende. Lianen trokken zich terug. Struiken weken uiteen. Varens bogen opzij, als moeders die hun kinderen voor een galopperend paard wegtrokken.
Hij ving glimpen op van Springer die voor hem uit rende. Zijn prooi verdween. Jonge Stier hield niet in, maar rende door die plek heen en ving de geur op van Springers bestemming. Hij verplaatste zich naar een open vlakte zonder bomen, waar hier en daar onbekende struiken groeiden. Zijn prooi was een reeks van streperige vlekken in de verte. Jonge Stier volgde, en met elke sprong verplaatste hij zich honderden passen.