Выбрать главу

Perijn sloot zijn ogen en ademde diep in. Net zoals deuren open en dicht gingen, kon hij in de wolfsdroom soms dingen ruiken die er kortstondig waren en dan weer verdwenen. Muffe winteraardappelen. De mest van een voorbijgekomen paard. Een gebakken taart. Toen hij zijn ogen opende, zag hij geen van die dingen. Ze waren er niet echt, maar wel bijna. Ze hadden er kunnen zijn. Daar, zei Springer, en hij verdween. Perijn volgde en verscheen naast de wolf voor een smalle steeg. Daarbinnen leek het onnatuurlijk donker.

Ga naar binnen, zei Springer. Je zult het de eerste keer niet lang volhouden. Ik kom je halen. Denk eraan dat het er niet is. Denk eraan dat het vals is.

Ongerust maar vastbesloten stapte Perijn de steeg in. De muren aan weerskanten waren zwart, alsof ze geschilderd waren. Alleen... deze muren waren te donker om geschilderd te zijn. Was dat een pol gras onder zijn voet? De lucht boven hem kolkte niet meer, en hij dacht dat hij sterren omlaag zag gluren. Een bleke maan, veel te groot en omhuld met wolken, verscheen aan de hemel. Hij gaf een kille gloed af, als ijs.

Perijn was niet meer in de stad. Hij draaide zich geschrokken om en zag dat hij in een bos was. De bomen hadden dikke stammen en waren van een voor hem onbekende soort. De takken waren kaal. De bast was bleekgrijs onder het fantoomlicht van de maan en leek wel uit bot te bestaan.

Hij moest terug naar de stad! Van deze verschrikkelijke plek weg. Hij draaide zich om.

Iets flitste in de nacht, en hij draaide terug. ‘Wie is daar!’ riep hij. Een vrouw schoot tevoorschijn uit de duisternis, rennend alsof de Duistere haar op de hielen zat. Ze droeg een wijd wit gewaad, amper meer dan een onderkleed, en ze had lang donker haar dat achter haar aan wapperde. Ze zag hem en verstijfde, draaide zich om en wilde de andere kant op rennen.

Perijn sneed haar de pas af, greep haar hand en trok haar terug. Ze verzette zich, zette haar voeten schrap in de donkere aarde terwijl ze probeerde zich los te trekken. Ze hijgde. In en uit. In en uit. Ze rook doodsbang.

‘Ik moet de weg naar buiten weten!’ zei Perijn. ‘We moeten terug naar de stad.’

Ze keek hem in de ogen. ‘Hij komt eraan,’ zei ze. Haar hand gleed uit de zijne en ze rende weg, verdwijnend in de nacht. De duisternis omvatte haar als een lijkwade. Perijn zette met uitgestoken hand een stap naar voren.

I lij hoorde iets achter zich. Hij draaide zich langzaam om en zag iets reusachtigs: een grote schaduw die het maanlicht opzoog. Het ding leek hem de adem te benemen, zijn leven en wilskracht te absorberen.

De gedaante strekte zich uit. Hij was hoger dan de bomen, een log monster met armen zo dik als vaten, zijn lichaam en gezicht verborgen in de schaduw. Hij opende donkerrode ogen, als twee kolen die ontbrandden.

Ik moet ertegen vechten, dacht Perijn, en zijn hamer verscheen in zijn hand. Hij zette een stap naar voren, maar bedacht zich toen. Licht! Dat ding was gigantisch. Hij kon er niet tegen vechten, niet op zo’n open plek. Hij had dekking nodig.

Hij draaide zich om en rende door het vijandige woud. Het ding volgde. Hij hoorde takken achter zich breken en de voetstappen van het monster deden de grond beven. Verderop zag hij de vrouw, die door haar dunne witte gewaad werd belemmerd toen het achter een tak bleef haken. Ze trok zich los en rende door. Het schepsel doemde op. Het zou hem vangen, opeten, vernietigen! Hij schreeuwde naar de vrouw, reikte naar haar. Ze keek achterom en struikelde.

Perijn vloekte. Hij rende naar haar toe om haar overeind te helpen. Maar het ding was zo dichtbij!

Het werd dus vechten. Zijn hart bonsde snel als een boomleeuwerik die tegen schors klopt. Met bezwete handen draaide hij zich om en greep zijn hamer vast om het verschrikkelijke wezen achter hem het hoofd te bieden. Hij ging tussen het monster en de vrouw in staan.

De gedaante rekte zich uit en werd groter, langer, en die rode ogen gloeiden als vuur. Licht! Daar kon hij het toch niet tegen opnemen? Hij had een of ander voordeel nodig. ‘Wat is dat voor een ding?’ vroeg hij wanhopig aan de vrouw. ‘Waarom zit het achter ons aan?’

‘Hij is het,’ siste ze. ‘De Herrezen Draak.’

Perijn verstijfde. De Herrezen Draak? Maar... maar dat was Rhand. Het is een nachtmerrie, bracht hij zichzelf in herinnering. Niets hiervan is echt. Ik moet me er niet in laten meeslepen! De grond beefde alsof hij kreunde. Hij voelde de hitte van de ogen van het monster. Hij hoorde een krabbelend geluid achter zich toen de vrouw wegrende.

Perijn bleef op trillende benen staan, al schreeuwde zijn instinct hem toe dat hij moest vluchten. Maar nee. En hij kon er ook niet tegen vechten. Hij mocht niét aanvaarden dat dit echt was. Een wolf huilde en sprong de open plek op. Springer leek de duisternis weg te duwen. Het schepsel boog zich naar Perijn toe en stak een reusachtige hand uit, alsof het hem wilde verpletteren.

Dit was een steegje.

In Caemlin.

Het was niet echt.

Niet echt.

De duisternis rondom hen vervaagde. Het gigantische duistere scha-duwschepsel trilde in de lucht, als een stuk stof dat werd uitgerekt. De maan verdween. Rond hun voeten verscheen een klein gedeelte van de grond; de vuile, platgetreden aarde van een steeg. Toen, met een knal, was de droom verdwenen. Perijn stond weer in de steeg, met Springer naast hem, en er was geen spoor meer te zien van het bos of het afgrijselijke wezen dat die vrouw de Herrezen Draak had genoemd.

Perijn blies langzaam zijn adem uit. Het zweet droop van zijn voorhoofd. Hij wilde het met zijn hand wegvegen, maar deed dat toen uitsluitend met wilskracht.

Springer verdween en Perijn volgde, belandend op hetzelfde dak als eerder. Hij ging zitten. Alleen al de gedachte aan die schaduw gaf hem de rillingen. ‘Het voelde zo echt,’ zei hij. ‘Een deel van mij wist dat het een nachtmerrie was. Maar ik kon toch niet anders dan proberen te vechten of te vluchten. Toen ik een van beide deed, werd het sterker, of niet? Omdat ik het als echt aanvaardde?’ Ja. Je moet niet geloven wat je ziet.

Perijn knikte. ‘Er was daar een vrouw. Een deel van de droom? Was zij ook niet echt?’

Nee.

‘Misschien was zij degene die het droomde,’ zei Perijn. ‘Degene die de oorspronkelijke nachtmerrie had, erin gevangen was, hier in de Wereld der Dromen.’

Mensen die dromen, blijven hier niet lang, zei Springer. Voor hem was de kwestie daarmee afgedaan. Je was sterk, Jonge Stier. Je hebt het goed gedaan. Hij rook trots.

‘Het hielp toen ze dat ding de Herrezen Draak noemde. Daardoor wist ik dat het niet echt kon zijn. Het hielp me geloven dat het niet echt was.’

Je hebt het goed gedaan, domme welp, herhaalde Springer. Misschien kun je toch leren.

‘Alleen als ik blijf oefenen. We moeten het nog eens doen. Kun je er nog een vinden?’

Ja, zei Springer. Er zijn altijd nachtmerries als jouw soort in de buurt is. Altijd. De wolf keek echter weer naar het noorden. Perijn had eerder gedacht dat hij werd afgeleid door de dromen, maar dat leek het dus niet te zijn geweest.

‘Wat is daar?’ vroeg Perijn. ‘Waar kijk je steeds naar?’ De tijd nadert, zei Springer. ‘Hoe bedoel je?’

De Laatste Jacht. Hij begint. Of niet.

Perijn fronste zijn voorhoofd en stond op. ‘Je bedoelt... nu meteen?’ Het besluit wordt binnenkort genomen.

‘Welk besluit?’ Springers doorgestuurde gedachten waren verwarrend, en hij kon ze niet ontcijferen. Licht en duisternis, een leemte en vuur, een kilte en een verschrikkelijke, verschrikkelijke hitte. Vermengd met wolven die huilden, riepen, kracht schonken. Kom. Springer stond op, kijkend naar het noordoosten. De wolf verdween. Perijn verplaatste zich achter hem aan en verscheen laag op de hellingen van de Drakenberg, naast een uitstekende rotspunt.