Выбрать главу

‘Licht,’ zei Perijn zachtjes, vol ontzag opkijkend. De storm die al maanden broeide, was gerijpt. Een reusachtige zwarte donderwolk vulde de hemel en bedekte de bergtop. Hij draaide langzaam rond, als een gigantische draaikolk van zwart waar bliksemflitsen uit kwamen die contact maakten met de wolken erboven. In andere delen van de wolfsdroom waren de wolken stormachtig maar ver weg. Dit voelde indringend.

Dit was... het richtpunt van iets. Perijn voelde het. Vaak weerspiegelde de wolfsdroom dingen in de echte wereld op vreemde of onverwachte wijze.

Springer stond op de rotspunt. Perijn voelde wolven overal op de hellingen van de Drakenberg. In nog grotere aantallen dan hij hier de laatste tijd al had bespeurd.

Ze wachten, zei Springer. De Laatste Jacht komt eraan. Toen Perijn met zijn geest om zich heen tastte, ontdekte hij dat er nog andere roedels naderden, nog ver weg maar bewegend in de richting van de Drakenberg. Perijn keek op naar de reusachtige bergtop. De tombe van de Draak, Lews Therin. Het was een monument voor zijn waanzin, zowel voor zijn falen als zijn welslagen. Voor zijn trots en zijn zelfopoffering.

‘De wolven,’ zei Perijn. ‘Verzamelen ze zich voor de Laatste Jacht?’ Ja. Als die komt.

Perijn draaide zich weer naar Springer om. ‘Jij zei van wel. “De Laatste Jacht komt eraan,” zei je.’

Er moet een keus worden gemaakt, Jonge Stier. Eén pad leidt naar de Laatste Jacht.

‘En het andere?’ vroeg Perijn.

Springer antwoordde niet meteen. Hij keek naar de Drakenberg. Het andere pad leidt niet naar de Laatste Jacht. ‘Ja, maar waar dan wél naartoe?’ Naar niets.

Perijn deed zijn mond open om aan te dringen, maar toen raakte het volle gewicht van Springers gedachte hem. Voor de wolf betekende ‘niets’ een leeg hol, alle welpen meegenomen door stropers. Een nachthemel zonder sterren. Een verduisterde maan. De geur van oud bloed; droog, muf en schilferig.

Perijn deed zijn mond weer dicht. In de hemel bleef die zwarte storm kolken. Hij rook het in de wind, de geur van ontwortelde bomen en aarde, van ondergelopen akkers en brand door blikseminslag. Zoals zo vaak, vooral de laatste tijd, leken die geuren in tegenspraak met de wereld om hem heen. Een van zijn zintuigen vertelde hem dat hij zich te midden van een ramp bevond, terwijl de andere niets ongebruikelijks bespeurden.

‘Die keus. Waarom maken we die niet gewoon?’ Het is niet onze keus, Jonge Stier.

Perijn voelde zich tot de wolken aangetrokken. Onwillekeurig liep hij de helling op. Springer draafde met hem mee. Het is gevaarlijk boven, Jonge Stier.

‘Weet ik,’ zei Perijn. Maar hij kon niet stoppen. In plaats daarvan versnelde hij zijn pas, en elke stap bracht hem steeds een stukje verder. Springer rende met hem mee langs bomen, rotsen, groepen toekijkende wolven. Ze gingen almaar verder naar boven, klimmend totdat de bomen uitdunden en de grond koud werd door vorst en ijs.

Uiteindelijk naderden ze de wolk zelf. Het leek een donkere mist, draaiend en trillend door allerlei ongeziene luchtstromen. Perijn aarzelde aan de rand ervan, maar stapte toen naar binnen. Het was alsof hij in een nachtmerrie stapte. De wind was plotseling fel, de lucht knetterde van de energie. Bladeren, zand en gruis werden rondgeblazen in de storm, en hij moest zijn ogen afschermen met zijn hand. Nee, dacht hij.

Hen bel van rustige lucht verscheen om hem heen. De storm bleef razen, op enkele duimen afstand van zijn gezicht, en hij moest zich tot het uiterste inspannen om er niet weer in te worden meegesleept. Deze storm was geen nachtmerrie of droom; het was iets veel groters, veel echters. Deze keer was Perijn degene die iets ongewoons creëerde met zijn bel van veiligheid.

Hij drong zich naar voren, en niet lang erna liet hij sporen in sneeuw achter. Springer vocht tegen de wind, waardoor het effect ervan op hem ook minder werd. Hij was sterker dan Perijn; Perijn kon zijn eigen bel amper in stand houden. Hij vreesde dat hij zonder de bel in die storm zou worden gezogen en de lucht in zou worden gesmeten. Hij zag grote takken door de lucht vliegen, en zelfs een paar kleine bomen.

Even later hield Springer in en ging in de sneeuw zitten. Hij keek naar boven, naar de top. Ik kan niet blijven, zei de wolf. Dit is niet mijn plek.

‘Ik begrijp het,’ zei Perijn.

De wolf verdween, maar Perijn ging verder. Hij kon niet uitleggen wat hem trok, maar hij wist dat hij ergens getuige van moest zijn. Iemand moest het doen. Hij liep wel uren, zo leek het, en richtte zich uitsluitend op slechts twee dingen: de wind van zich af houden en de ene voet voor de andere zetten.

De storm werd almaar feller. Het was hier zo erg dat hij niet alles van zich af kon houden, alleen maar het ergste. Hij liep langs de kartelrand waar de bergtop gebroken was en zocht zich er een weg langs, ineengedoken tegen de windvlagen, met steile ravijnen aan weerskanten. De wind trok aan zijn kleding en hij moest zijn ogen samenknijpen tegen het stof en de sneeuw in de lucht. Maar hij liep door naar de top, die voor hem verrees boven het weggeblazen gedeelte van de berghelling. Hij wist dat hij op die top zou vinden wat hij zocht. Deze verschrikkelijke maalstroom was de reactie van de wolfsdroom op iets groots, iets vreselijks. Op deze plek waren dingen soms echter dan in de wakende wereld. De droom vertoonde een orkaan omdat er iets heel belangrijks gebeurde. Perijn was bang dat het iets vreselijks was.

Hij zette door, wadend door sneeuw, klauterend tegen rotshellingen waar de huid van zijn vingers achterbleef op de ijskoude stenen. Maar hij had in de afgelopen weken goed geoefend. Hij sprong over kloven heen waar hij niet overheen had moeten kunnen springen en beklom rotsen die eigenlijk te hoog voor hem waren. Een gestalte stond helemaal op de punt van de kartelige, gebroken bergtop. Perijn liep door. Iemand moest toekijken. Iemand moest erbij zijn als het gebeurde.

Eindelijk hees Perijn zich boven op de laatste steen en zag dat hij zich binnen tien voet van de top bevond. Hij zag de gestalte nu beter. De man stond roerloos helemaal in het hart van de draaikolk van wind, starend naar het oosten. Hij was vaag en doorschijnend, een weerspiegeling uit de echte wereld. Als een schaduw. Perijn had nog nooit zoiets gezien.

Het was Rhand, natuurlijk. Perijn had geweten dat hij het zou zijn. Hij hield zich met een gehavende hand aan de steen vast en trok met de andere zijn mantel dicht; dat kledingstuk had hij een paar hellingen lager gemaakt. Hij knipperde met rode ogen en keek naar boven. Het merendeel van zijn concentratie moest hij gebruiken om de wind zo veel mogelijk op afstand te houden, zodat hij niet in de orkaan werd gezogen.

Ineens flitste er bliksem, en voor het eerst sinds het begin van zijn klim rommelde de donder. De bliksem boog in een koepelvorm over de bergtop heen. Het licht scheen op Rhands gezicht. Dat harde, onbewogen gezicht, dat zelf wel van steen leek. Waar waren de ronde vormen ervan gebleven? Sinds wanneer had Rhand zoveel rimpels en hoeken? En die ogen, die leken wel van marmer! Rhand droeg een zwart met rode jas. Mooi en versierd, met een zwaard aan zijn middel. De wind liet Rhands kleding onaangeroerd. Het hing onnatuurlijk stil, alsof hij echt een standbeeld was. Uit steen gehouwen. Het enige wat bewoog, was zijn donkerrode haar, dat in de war werd geblazen door de wind.

Perijn hield zich uit alle macht aan de rotsen vast, terwijl de koude wind in zijn gezicht beet en zijn vingers en voeten zo verkild waren dat hij ze nauwelijks nog voelde. Zijn baard zat vol stoffig ijs en sneeuw. Iets zwarts begon om Rhand heen te draaien. Het was geen deel van de storm; het leek wel alsof de nacht zelf uit hem lekte. Flarden ervan groeiden uit Rhands huid, als handjes die omkrulden en zich om hem heen wikkelden. Het leek het kwaad zelf wel, dat gestalte kreeg.