Выбрать главу

‘Rhand!’ brulde Perijn. ‘Vecht ertegen! Rhand!’

Zijn stem werd weggerukt door de wind, en hij betwijfelde hoe dan ook of Rhand hem wel had kunnen horen. De duisternis bleef naar buiten sijpelen, als vloeibaar teer dat uit Rhands poriën kwam en een zwart waas rondom de Herrezen Draak vormde. In een oogwenk zag Perijn Rhand amper nog door het zwart. Het omhulde hem, isoleerde hem, verbande hem. De Herrezen Draak was verdwenen. Er was alleen nog het kwaad.

‘Rhand, alsjeblieft.,.’ fluisterde Perijn.

En toen – uit de zwartheid, vanuit het middelpunt van de razernij en de orkaan – spleet een klein scherfje licht door het kwaad heen. Als de gloed van een kaars op een heel donkere avond. Het licht scheen naar boven, naar de verre hemel, als een baken. Heel broos. De orkaan hield het licht tegen. De wind draaide, gierde, krijste. De bliksem sloeg in op de top van de rotspunt, beukte er brokken steen uit los, verschroeide de grond. De zwartheid golfde en pulseerde. Maar het licht bleef schijnen.

Een web van scheuren verscheen in de zijkant van de schil van kwaadaardig zwart, en van binnen kwam licht. Nog een breuk verscheen, en nog een. Er zat iets sterks binnenin, iets gloeiends, iets stralends. De schil ontplofte, verdampte en bevrijdde een zuil van licht dat zo fel was, zo ongelooflijk fel, dat het leek alsof Perijns ogen uit zijn hoofd werden gebrand. Maar hij keek toch toe, zonder zijn hand te heffen om zijn ogen voor het schitterende beeld dat hij zag af te schermen. Rhand stond in dat licht, met zijn mond open alsof hij naar de hemel brulde. De zongele zuil schoot de lucht in, en de storm leek te beven terwijl de hemel golfde.

De orkaan verdween.

De zuil van fel licht werd zonlicht dat omlaag stroomde en de top van de Drakenberg verlichtte. Perijn trok zijn vingers los van het steen en keek vol verwondering naar Rhand die in het licht stond. Het leek zo lang geleden, zo ontzettend lang geleden, dat Perijn een zuivere zonnestraal had gezien.

De wolven begonnen te huilen. Het was een gehuil van overwinning, van blijdschap. Perijn gooide zijn hoofd in zijn nek en huilde ook, waarbij hij even Jonge Stier werd. Hij voelde dat de poel van zonlicht groeide en over hem heen spoelde, waardoor de warmte de ijzige kou verdreef. Hij merkte het amper toen Rhands beeltenis verdween, want hij liet dat zonlicht achter.

Wolven verschenen rondom Perijn, doken midden in een sprong op. Ze bleven blaffen, tegen elkaar op springen, uitgelaten en dansend in het zonlicht. Ze keften en blaften, gooiden sneeuw in de lucht tijdens hun sprongen. Springer was bij hen, en hij sprong de lucht in en zweefde naar Perijn toe.

De Laatste jacht begint, Jonge Stier! riep Springer. We leven nog. We leven nog!

Perijn draaide zich om naar de plek waar Rhand had gestaan. Ais die duisternis Rhand had meegenomen...

Maar dat was niet gebeurd. Hij glimlachte breed. ‘De Laatste Jacht is aangebroken!’ riep hij tegen de wolven. ‘Laat het beginnen!’ Ze huilden instemmend, zo luid als de storm even daarvoor was geweest.

31

De leegte in

Mart dronk de rest van zijn wijn op, genietend van de zoete, koele smaak. Hij zette de beker neer en gooide vijf dobbelstenen. Ze tuimelden over de houten vloer van de taveerne en kletterden tegen elkaar aan.

Het was er bedompt. De lucht was vervuld van geluid, van gevloek, van geuren. Rook, indringende drankluchten, een biefstuk met zoveel peper dat het vlees nauwelijks nog te proeven was. Dat was waarschijnlijk maar beter ook. Zelfs in Caemlin kon vlees onvoorspelbaar snel bederven.

De riekende mannen rondom Mart keken naar zijn rollende dobbelstenen; een van de mannen stonk naar knoflook, een ander naar zweet, een derde naar een looierij. Hun haar was piekerig en hun vingers waren vettig, maar hun geld was goed. Het spel heette Koronko’s spuug en kwam uit Shienar. Mart kende de regels niet.

‘Vijf enen,’ meldde de man die naar knoflook stonk. Hij heette Rittel. Hij leek ontdaan. ‘Dat is een verliezende worp.’

‘Niet waar,’ zei Mart zacht. Nee, hij kende de regels niet, maar hij wist dat hij had gewonnen; hij voelde het. Zijn geluk zat hem mee. En maar goed ook. Hij had het vanavond nodig. De man die naar een looierij rook, reikte naar zijn riem, waar hij een akelig mes droeg. Hij heette Zadelmaker, en hij had een kin waar je zwaarden aan kon slijpen. ‘Ik dacht dat je zei dat je dit spel niet kende, vriend.’

‘Doe ik ook niet, vriend,’ zei Mart. ‘Maar dat is een winnende worp. Moeten we het even bij wat andere mensen navragen, kijken of ze het bevestigen?’

De drie mannen keken elkaar met duistere blikken aan. Mart stond op. De muren van de herberg waren donker geworden doordat er jarenlang pijp was gerookt, en de vensters – hoewel ze van goed glas waren gemaakt – waren ondoorzichtig geworden van het vuil en de rook. Het was gebruik dat ze nooit werden gewassen. Op het verweerde bord dat buiten hing was een wagenwiel geschilderd, en de eigenlijke naam van de taveerne was Het Stoffige Wiel. Maar iedereen noemde het hier Het Geruchtenwiel; het was de beste plek in Caemlin om roddels op te vangen. De meeste daarvan waren niet waar, maar dat was een deel van de pret.

Bijna iedereen hier dronk bier, maar Mart had de laatste tijd een voorkeur voor goede rode wijn. ‘Wil je nog wat, meester Purper?’ vroeg Kati, de dienster. Ze was een schoonheid met ravenzwart haar en een glimlach zo breed dat hij halverwege naar Cairhien reikte. Ze lonkte de hele avond al naar hem. Ondanks het feit dat hij tegen haar gezégd had dat hij getrouwd was. Hij had niet eens naar haar gelachen. Nou, niet veel althans. En niet eens met zijn mooiste glimlach. Sommige vrouwen wilden de waarheid gewoon niet inzien, zelfs al stond die op hun eigen voorhoofd geschreven, en zo was het. Hij wuifde haar weg. Maar één beker vanavond, voor de moed. Hij mocht branden, maar hij had daar wel een beetje van nodig. Gelaten trok hij zijn halsdoek af en gooide hem aan de kant. Hij haalde de vossenkoppenning – Licht, wat was het fijn om die weer te dragen! – onder zijn kleding vandaan en liet hem erboven hangen. Hij droeg de nieuwe rood met zilverkleurige jas die Thom voor hem had gekocht.

Mart pakte zijn ashandarei die hij tegen de muur had gezet en haalde het stoffen omhulsel eraf om het lemmet te ontbloten. Hij legde het wapen over zijn schouder. ‘Hé,’ zei hij luid, ‘kent iemand hier in die verrekte tent de regels van Koronko’s spuug?’ De drie mannen met wie hij had gedobbeld keken naar het wapen; de derde, Snelle, stond op, haakte zijn duimen achter zijn broekband, duwde zijn jaspand naar achteren en toonde het korte zwaard dat hij aan zijn middel droeg.

De meeste mensen negeerden Mart. De gesprekken gingen door: verhalen over het leger van Grenslanders dat was langsgekomen, over de zwangerschap van de koningin, over de Herrezen Draak, over raadselachtige en minder raadselachtige sterfgevallen. Iedereen had wel een gerucht te vertellen. Veel gasten van de herberg droegen weinig meer dan lompen, maar enkele anderen waren gehuld in kostbare kleding. Edelen, burgers en alles daartussenin kwam naar Het Geruchten wiel toe.

Een paar mannen aan de toog keken naar Mart vanwege zijn uitbarsting. Een van hen aarzelde en knipperde met zijn ogen. Mart pakte zijn breedgerande hoed van de tafel naast zich, hield hem bij de bol vast en zette hem op zijn hoofd. De man gaf zijn metgezellen een por. De zwetende, kalende man met wie Mart had gedobbeld, wreef peinzend over zijn kin, alsof hij zich iets probeerde te herinneren. Snelle glimlachte naar Mart. ‘Het lijkt erop dat je geen antwoord krijgt, vriend. Dan zul je ons maar moeten vertrouwen. Je had die dobbelstenen niet moeten gooien als je de regels niet kende. En ga je nu nog betalen, of...’

Rittels ogen werden groot, hij stond haastig op en pakte zijn vriend bij de arm. Hij boog zich naar hem toe en fluisterde iets. Snelle keek omlaag naar Marts penning. Hij keek weer omhoog en ontmoette Marts blik.

Mart knikte.

‘Verontschuldig ons,’ zei Rittel, die weg wankelde. De andere twee gingen met hem mee. Ze lieten hun dobbelstenen en munten op de grond liggen.