Выбрать главу

Mart knielde achteloos neer, veegde de munten bij elkaar en gooide ze in zijn buidel. De dobbelstenen liet hij liggen. Ze waren verzwaard, zodat ze bijna altijd op drie zouden belanden. Hij had dat afgeleid uit een paar korte worpen voordat ze munten hadden ingezet. Het gefluister kroop door de gelagkamer van de herberg als een zwerm mieren over een lijk. Stoelen werden naar achteren geschoven. Gesprekken veranderden van tempo; sommige verstilden, andere werden indringender. Mart stond op en wilde vertrekken. Mensen haastten zich uit de weg.

Mart legde een gouden kroon op de rand van de toog en tikte tegen zijn hoed naar Luik, de waard. De man stond achter de tapkast een glas op te poetsen, met zijn vrouw naast hem. Ze was knap, maar Luik hield een knuppel bij de hand voor mannen die te lang naar haar staarden. Mart keek dus maar heel even naar haar. Hij deed zijn zwarte halsdoek af en liet die op de vloer vallen. Er zat nu toch een gat in. Hij stapte naar buiten, de nacht in, en op datzelfde ogenblik hield het geratel van de dobbelstenen in zijn hoofd op.

Het werd rijd om aan het werk te gaan.

Hij liep de straat op. De hele avond had hij zijn gezicht onbedekt gelaten. Hij wist zeker dat hij een paar keer was herkend, voornamelijk door mannen die de nacht in waren geglipt zonder iets te zeggen. Terwijl hij de stoep van de herberg af stapte, verzamelden mensen zich achter de ramen en deur.

Mart probeerde al die ogen niet te voelen als messen die in zijn rug staken. Licht, hij had het gevoel dat hij weer in een strop bungelde. Hij voelde aan het litteken in zijn hals. Het was lang geleden dat hij had rondgelopen met een ontblote hals. Zelfs bij Tylin had hij meestal de halsdoek omgehouden.

Vanavond danste hij echter met Schemerige Jak. Hij bond zijn penning aan de ashandarei. Hij zette hem zodanig vast dat de penning tegen het plat van het lemmet rustte en een rand ervan voor de punt uit stak. Het zou lastig te gebruiken zijn – hij zou in de meeste gevallen met het plat van het lemmet moeten toeslaan om de penning huid te laten raken – maar zo had hij veel meer bereik dan wanneer hij de penning met zijn hand rondzwaaide.

Nu dat gedaan was, koos hij een richting en liep weg. Hij was in de Nieuwe Stad, een plek vol door mensen gemaakte gebouwen, heel anders dan het prachtige werk van de Ogier elders in Caemlin. Deze gebouwen waren van goede makelij, maar ze waren smal en hoog en stonden dicht tegen elkaar aan.

De eerste groep probeerde hem al te doden voor hij een straat van Het Geruchtenwiel verwijderd was. Het waren er vier. Terwijl zij aanvielen, sprong er een groep schaduwen uit een naburige steeg tevoorschijn, met Talmanes voorop. Mart draaide zich om naar zijn belagers, die tot stilstand kwamen toen zijn soldaten hem bereikten. De schurken vluchtten halsoverkop, en Mart knikte naar Talmanes. De mannen van de Bond gingen weer op in de duisternis, en Mart vervolgde zijn weg. Hij liep langzaam, met zijn ashandarei over zijn schouder. Zijn mannen hadden de opdracht om afstand te houden, behalve als hij werd aangevallen.

Uiteindelijk had hij hen dat uur nog drie keer nodig, en elke keer moesten ze een grotere groep schurken verjagen. De laatste keer raakte de Bond daadwerkelijk in gevecht met de aanvallers. De schurken konden niet op tegen geoefende soldaten, zelfs niet op de donkere straten die ze goed kenden. Na de schermutseling waren er vijf schurken dood, maar slechts één van zijn mannen was gewond geraakt. Mart stuurde Harvel met twee wachters weg. Het werd almaar later. Mart begon zich al zorgen te maken dat hij dit toneelstuk de volgende avond zou moeten herhalen, maar toen zag hij verderop iemand op straat staan. De keien waren vochtig van een regenbuitje eerder op de avond en weerspiegelden de zilverachtige maan.

Mart bleef staan en liet zijn wapen naast zich zakken. Hij kon geen bijzonderheden aan de gestalte ontwaren, maar zijn houding... ‘Wou je me in een hinderlaag laten lopen?’ vroeg de gholam, en hij klonk vermaakt. ‘Met je mannetjes die zo gemakkelijk stukgaan, zo gemakkelijk doodgaan, al bijna als ik ze alleen maar aanraak?’

‘Ik ben het zat om te worden achtervolgd,’ zei Mart luid. ‘Dus geef je je aan me over? Wat een aardig geschenk.’

‘Natuurlijk,’ zei Mart, die zijn ashandarei draaide, zodat de vossenkop aan de achterzijde het maanlicht ving. ‘Pas alleen wel op voor de scherpe randjes.’

Het schepsel schreed naar voren, en Marts mannen staken lantaarns aan. Ze zetten de lantaarns op de grond en gingen achteruit, en enkelen van hen renden weg om boodschappen te vervoeren. Ze hadden strikte bevelen om zich er niet in te mengen. Vanavond zouden ze waarschijnlijk moeite hebben zich daaraan te houden. Mart spreidde zijn voeten en wachtte op de gholam. Alleen een held ging op een beest zoals dat af, en Mart was verdomme geen held. Zijn mannen zouden proberen iedereen op straat weg te houden, de omgeving vrij te houden zodat niemand de gholam zou verjagen. Dat was geen heldenmoed. Het was misschien stommiteit, dat wel. De vloeiende bewegingen van de gholam wierpen schaduwen van lantaarnlicht op de grond. Mart ontmoette hem met een zwaai van zijn ashandarei, maar het monster danste opzij en ontweek hem met gemak. Bloedas, wat was dat kreng snel! Hij stak een arm uit en hakte met het mes dat hij vasthield naar de punt van de ashandarei. Mart rukte de ashandarei achteruit, zodat de gholam de penning er niet af kon snijden. Hij danste om Mart heen, maar hij draaide mee en bleef binnen de kring van lantaarns. Hij had een betrekkelijk brede straat gekozen, met een huivering terugdenkend aan die dag in het steegje in Ebo Dar waar de gholam hem op zo korte afstand bijna te pakken had gekregen.

Het schepsel gleed weer naar voren, en Mart maakte een schijnbeweging en lokte het dichterbij. Hij maakte bijna een misrekening, maar draaide de ashandarei nog op tijd om de gholam met het plat van het wapen te slaan. De penning siste toen hij de arm van de gholam raakte.

De gholam vloekte en ging achteruit. Flikkerend lantaarnlicht scheen op zijn gelaatstrekken, onthulde vlakken van duisternis en vlakken van licht. Hij glimlachte weer, ondanks het sliertje rook dat opsteeg van zijn arm. Voorheen had Mart het gezicht van dat schepsel onopvallend gevonden, maar in het ongelijkmatige licht – en met die glimlach – bood het een afschrikwekkende aanblik. Hoekiger, met weerspiegeld lantaarnlicht, waardoor zijn ogen gloeiden als gele vlammetjes verteerd in de duisternis van zijn oogkassen. Onopvallend bij dag, een verschrikking bij nacht. Dit monster had Tylin afgeslacht terwijl ze hulpeloos op de grond lag. Mart klemde zijn kiezen op elkaar. Toen viel hij aan.

Het was een verrekt stomme daad. De gholam was sneller dan hij, en Mart had geen flauw benul of de vossenkop hem kon doden of niet. Toch viel hij aan. Hij viel aan voor Tylin, voor de mannen die hij aan de verschrikking was kwijtgeraakt. Hij viel aan omdat hij geen keus had. Als je echt wilde weten wat een man waard was, moest je hem in een hoek drukken en voor zijn leven laten vechten. Mart stond nu in de hoek. Bebloed en gekweld. Hij wist dat dit monster hem uiteindelijk zou vinden; of erger nog, Tuon of Olver. Het was het soort situatie waarin een verstandig man zou zijn gevlucht. Maar hij was een stommerd. In de stad blijven vanwege een eed aan een Aes Sedai? Nou, als hij het leven liet, zou hij in ieder geval sterven met zijn wapen in de hand.

Mart werd een wervelwind van staal en hout, brullend terwijl hij aanviel. De gholam, die geschokt leek, deinsde warempel achteruit. Mart sloeg met zijn ashandarei tegen zijn hand, verbrandde zijn vlees, draaide zich om en sloeg hem de dolk uit zijn hand. Het schepsel sprong weg, maar Mart dook naar voren en ramde de steel van zijn speer tussen zijn benen.

De gholam viel. Zijn bewegingen waren vloeiend, en hij ving zichzelf op, maar hij ging wél neer. Terwijl hij weer opsprong, hakte Mart met het lemmet van de ashandarei naar zijn hiel. Hij sneed netjes de pees van de gholam door, en als hij menselijk was geweest, zou hij zijn gevallen. In plaats daarvan belandde hij op de grond zonder zelfs maar een grimas van pijn, en uit de snee kwam geen bloed. Het monster draaide zich om en dook met geklauwde vingers naar Mart toe. Hij werd gedwongen achteruit te struikelen, zwaaiend met de ashandarei om het schepsel af te weren. De gholam grijnsde hem aan.