Выбрать главу

Toen, vreemd genoeg, draaide hij zich om en rende weg.

Mart vloekte. Was hij door iets verjaagd? Maar nee, hij vluchtte niet.

Hij ging op Marts mannen af!

‘Terugtrekken!’ riep Mart hun toe. ‘Achteruit! Het Licht verzenge je, smerig monster. Ik ben hier! Vecht tegen mij!’ De leden van de Bond verspreidden zich op zijn bevel, hoewel Talmanes met een grimmige blik achterbleef. De gholam lachte, maar hij joeg niet achter de soldaten aan. Het schepsel schopte de eerste lantaarn omver, zodat die uitging. Het rende langs de kring en schopte ze een voor een omver, waardoor de straat in duisternis werd gedompeld.

Bloedas! Mart rende achter het schepsel aan. Als het al die lichten uit kreeg, met dat wolkendek, moest Mart er straks tegen vechten zonder dat hij iets zag!

Talmanes – zonder acht te slaan op zijn eigen veiligheid – sprong naar voren en griste zijn lantaarn van de keien om hem te beschermen. Hij vluchtte door de straat, en Mart vloekte toen de gholam de achtervolging inzette.

Mart rende achter hen aan. Talmanes had een goede voorsprong, maar de gholam was ontzettend snel en bereikte hem bijna. Talmanes sprong opzij en liep achteruit de trap naar een gebouw op. Het monster dook op hem af, en Talmanes struikelde naar achteren terwijl Mart zo snel hij kon naar hen toe rende. De lantaarn viel uit Talmanes’ hand, waardoor olie tegen de voorgevel van het gebouw spetterde. Het droge hout vatte vlam. Tongen van vuur kropen over de lampolie en verlichtten de gholam. Hij sprong op Talmanes af. Mart gooide zijn ashandarei.

De speer met de brede punt was niet bedoeld als werpspeer, maar hij had geen mes bij de hand. Hij richtte op het hoofd van de gholam. Dat zou je echter nooit hebben geraden, want het was volkomen mis. Gelukkig dook het wapen omlaag en ging tussen de benen van de gholam door.

Het monster struikelde en belandde met een smak op de keien. Talmanes krabbelde achteruit, het trapje naar het inmiddels brandende gebouw op.

Het Licht zegene dat geluk van me, dacht Mart. De gholam stond op en scheen van zins te zijn Talmanes te volgen, maar toen keek hij omlaag en zag waarover hij was gestruikeld. Het schepsel keek naar Mart met een valse grijns, de helft van zijn gezicht beschenen door het licht van het brandende gebouw. Hij raapte Marts ashandarei op – met de vossenkoppenning er nog aan vastgebonden – en smeet met een snelle polsbeweging het wapen van zich af. De ashandarei ging met veel gerinkel door een ruit heen en belandde in het brandende gebouw.

Binnen gingen lichten aan, alsof de bewoners nu pas merkten dat er een gevecht voor hun huis was uitgebroken. Talmanes en Mart keken elkaar even aan. De Cairhienin dook tegen de deur van het brandende huis en brak erdoorheen. De gholam draaide zich naar Mart om, met achter hem de steeds hogere, razende vlammen. Marts hart ging geschrokken tekeer toen het schepsel onnatuurlijk snel op hem af kwam.

Mart groef met bezwete vingers in zijn jaszakken. Net voordat de gholam hem bereikte – zijn handen graaiend naar Marts nek – trok Mart met beide handen iets tevoorschijn en gooide het in de handpalmen van de gholam. Een gesis steeg op in de lucht, als van vlees dat op een braadrooster wordt gelegd, en de gholam krijste van pijn. Hij struikelde en keek met grote ogen naar Mart. Die een vossenkoppenning in elke hand hield.

Hij liet ze naar voren schieten, elk aan een lange, dikke ketting, en draaide ze. De penningen vingen het vuurlicht en leken te gloeien toen Mart ze op de gholam af liet zwiepen en zijn arm raakte. Het schepsel jankte en ging nog een stap achteruit. ‘Hoe?’ vroeg het. ‘Hoe!’

‘Weet ik eigenlijk zelf niet eens.’ Elayne had gezegd dat haar namaak-exemplaren niet volmaakt waren, maar kennelijk werkten ze best aardig. Zolang ze de gholam maar pijn deden, kon het hem niet schelen wat ze nog meer voor mogelijkheden hadden. Mart grijnsde en liet de tweede penning naar voren schieten. ‘Gewoon geluk gehad, denk ik.’

De gholam keek hem woest aan en strompelde de trap naar het brandende gebouw op. Hij sprong naar binnen, misschien om te vluchten. Mart was niet van zins hem deze keer te laten ontkomen. Hij rende achter het monster aan en dook de brandende deuropening door, en hij stak zijn hand uit toen Talmanes vanuit een zijgang zijn ashandarei naar hem toe gooide.

Mart ving het wapen op, maar liet de extra penningen om zijn onderarmen gewikkeld zitten. De gholam draaide zich naar hem om; de gang stond al in brand en de hitte van de zijkanten en vanboven was benauwend. Er hing rook tegen de zoldering. Talmanes hoestte en drukte een zakdoek tegen zijn gezicht.

De gholam viel Mart grauwend aan. Mart ontmoette het beest midden in de brede gang en bracht zijn ashandarei omhoog om de klauw-handen van de gholam af te weren. De steel van Marts ashandarei was verschroeid door het vuur, en het hout smeulde. Het liet een spoor van rook in de lucht achter.

Hij viel aan met alles wat hij in zich had, draaiend met de ashandarei, terwijl het uiteinde een spoor van rook om hem heen achterliet. De gholam probeerde naar hem uit te halen, maar Mart liet met één hand de ashandarei zakken, smeet een van de penningen als een mes naar voren en raakte het schepsel in zijn gezicht. Het jankte en struikelde achteruit, met een verbrande en walmende wang. Mart stapte naar voren, sloeg met het uiteinde van de ashandarei op de penning toen die de vloer raakte, wipte hem omhoog en raakte het schepsel nog een keer.

Hij bleef naar voren springen, hakkend met de ashandarei, en enkele vingers van het schepsel vlogen door de lucht. Goed, de gholam bloedde niet en scheen geen pijn te voelen van gewone wonden, maar dat zou hem wel enigszins vertragen.

De gholam herstelde zich sissend, met grote ogen van woede. Zijn glimlach was verdwenen. Hij sprong in een waas naar voren, maar Mart draaide zich om en sneed door het lichtbruine hemd van het schepsel, waardoor zijn borst werd ontbloot. Daarna zwiepte hij de tweede penning opzij, raakte de gholam toen die naar zijn arm klauwde en Marts huid openharkte, waardoor er bloed tegen de muur spoot.

Mart gromde. De gholam jankte en struikelde achteruit, verder de brandende gang in. Mart zweette van de hitte, van de inspanning. Hij kon dit schepsel niet aan. Niet lang. Dat maakte niet uit. Hij zette door en liet zijn ashandarei razendsnel draaien. Met het plat ervan – en de penning – raakte hij de gholam. Toen die zich herstelde, schoot hij de tweede penning op zijn gezicht af, zodat hij moest bukken. Maar toen wipte hij de derde omhoog om hem in de nek te raken.

Marts wapensteel liet strepen rook in de lucht achter toen hij de ashandarei draaide en weer met twee handen vastgreep. Het uiteinde van zijn wapen gloeide en smeulde. Hij hoorde zichzelf schreeuwen in de Oude Spraak.

‘Al dival, al kiserai, al mashi!’ Voor Licht, glorie en liefde! De gholam stapte achteruit en grauwde onder de bestoking. Hij keek achterom en scheen iets te zien, maar Marts aanval trok zijn aandacht weer.

‘Tai’daishar!’ Het Ware Bloed van de Strijd!

Mart dwong het schepsel naar een open deur achter in de gang. De kamer erachter was geheel donker. Er kaatste geen licht van de brand terug van de muren daar.

‘Carai manshimaya Tylin. Carai an manshimaya Nalesean. Carai an manshimaya ayend’an!’ De eer van mijn kling voor Tylin. De eer van mijn kling voor Nalesean. De eer van mijn kling voor de gesneuvelden.

De roep om wraak.

De gholam ging achteruit de donkere kamer in, stapte op een vloer zo wit als bot, en zijn blik schoot omlaag.

Na een diepe ademteug sprong Mart met een laatste krachtsinspanning door de deur en ramde het smeulende uiteinde van zijn ashandarei tegen de slaap van het schepsel. Een regen van vonken en as stoof op. Het monster vloekte en struikelde naar rechts. En daar stapte hij bijna van de rand van een platform dat boven een uitgestrekte leegte hing. De gholam siste kwaad, met één been boven de leegte hangend en maaiend met zijn armen om in evenwicht te blijven.