Vanaf deze kant was de deur naar de kamer omkaderd met een gloeiend wit licht; de randen van een Poort die met Scheren was gemaakt. ‘Ik weet niet of je kunt sterven,’ zei Mart zacht. ‘Ik hoop onder het Licht van niet.’ Hij haalde zijn laars uit en schopte het schepsel in zijn rug, waardoor hij van het platform af en in de duisternis werd gesmeten. Hij viel, draaiend in de lucht, vol afgrijzen naar hem opkijkend.
‘Ik hoop dat je niet kunt sterven,’ zei Mart, ‘want ik zal genieten van de gedachte dat jij voor eeuwig door die duisternis blijft vallen, verachtelijke zoon van een berg geitenkeutels.’ Mart spuugde over de zijkant en stuurde wat bloederig speeksel omlaag, meevallend met de gholam. Beide verwenen in de duisternis beneden. Sumeko liep naar hem toe. De stevige Kinsvrouw had lang, donker haar en de uitstraling van iemand die niet graag bevelen aannam. Bijna alle vrouwen hadden die uitstraling. Ze had vlak binnen de Poort gestaan, aan de kant waar ze vanuit de gang niet zichtbaar was. Ze moest daar staan om het witte platform in stand te houden, dat de vorm had van een groot boek. Ze trok haar wenkbrauw naar hem op. ‘Bedankt voor de Poort,’ zei Mart, en hij legde zijn ashandarei op zijn schouder, hoewel er nog altijd wat rook van de steel af kwam. Ze had de Poort vanuit het paleis gemaakt, was daardoor naar hier gekomen en had de Poort in de gang geopend. Ze hadden gehoopt dat de gholam haar niet zou voelen geleiden, aangezien ze de nodige wevingen al in het paleis had gemaakt.
Sumeko snoof. Samen liepen ze door de Poort het huis weer in. Enkele leden van de Bond waren gehaast bezig de brand te blussen. Talmanes kwam aanrennen toen de Poort verdween, vergezeld door een andere Kinsvrouw, Julanya.
‘Weet je zeker dat die duisternis eeuwig doorgaat?’ vroeg Mart. Julanya was een mollige, knappe vrouw die heel aardig op Marts knie zou passen. Het grijs in haar haren deed helemaal niets aan haar schoonheid af.
‘Voor zover wij weten wel,’ antwoordde Sumeko. ‘Dit ging bijna fout, Martrim Cauton. Dat monster leek niet verbaasd over de Poort. Ik denk dat hij hem toch heeft gevoeld.’
‘Maar ik heb hem van het platform af gekregen,’ zei Mart. ‘Maar net. Je had ons met dat beest moeten laten afrekenen.’
‘Dat zou niet zijn gelukt,’ zei Mart, die een vochtige zakdoek van Talmanes aanpakte. Sumeko keek naar zijn arm, maar Mart vroeg niet om Heling. De snee zou vanzelf wel genezen. Misschien hield hij er een fraai litteken aan over. De meeste vrouwen waren onder de indruk van littekens, zolang je ze niet in je gezicht had. Wat vond Tuon er eigenlijk van?
Sumeko snoof. ‘Mannen en hun trots. Vergeet niet dat wij ook vrouwen aan dat monster hebben verloren.’
‘En ik ben blij dat ik jullie heb kunnen helpen wraak te nemen,’ zei Mart. Hij glimlachte naar haar, hoewel ze gelijk had: het was bijna helemaal fout gegaan. Hij wist zeker dat de gholam de Kinsvrouw achter die deur had gevoeld toen ze naderden. Gelukkig had het monster schijnbaar de indruk gehad dat vrouwen die konden geleiden niet gevaarlijk voor hem waren.
Talmanes gaf Mart de twee gevallen penningen weer aan. Hij stopte ze weg, maakte de oorspronkelijke vossenkop van de ashandarei los en deed hem weer om zijn hals. De Kinne keken met een roofdierachtige honger naar de penningen. Nou, ze mochten dat zoveel doen als ze wilden. Hij wilde er een aan Olver geven, en de andere aan Tuon, als hij haar kon vinden.
Kapitein Guybon, Birgittes onderbevelhebber, liep het gebouw in. ‘Is het beest dood?’
‘Nee,’ zei Mart, ‘maar het komt er dicht genoeg bij in de buurt voor het contract met de Kroon.’
‘Contract met de Kroon?’ vroeg Guybon fronsend. ‘Je had om de hulp van de koningin gevraagd bij deze onderneming. Dit is niet gebeurd onder enig contract met haar.’
‘Eigenlijk,’ zei Talmanes, die zijn keel schraapte, ‘hebben we de stad zojuist ontdaan van een moordenaar die, volgens de laatste telling, bijna twaalf van haar onderdanen heeft gedood. We hebben dus recht op soldij, denk ik.’ Hij zei het met een volkomen uitgestreken gezicht. Het Licht zegene die man.
‘Dat heb je goed,’ zei Mart. De gholam tegenhouden én ervoor betaald krijgen. Dat klonk voor de verandering eens als een zonnige dag. Hij gooide zijn zakdoek naar Guybon toe en liep weg. De Kinsvrouwen bleven staan, sloegen hun armen over elkaar en keken vol ongenoegen toe. Hoe kon een vrouw boos naar een man kijken, ook al had hij exact gedaan wat hij had beloofd en zelfs zijn leven gewaagd?
‘Het spijt me van die brand, Mart,’ zei Talmanes. ‘Ik had die lantaarn niet moeten laten vallen. Ik weet dat ik hem alleen dat gebouw maar in moest zien te krijgen.’
‘Het kwam best goed uit,’ zei Mart, die de steel van zijn ashandarei bekeek. De schade viel mee.
Ze hadden niet geweten waar – en zelfs maar of – de gholam hem zou aanvallen, maar Guybon had zijn werk goed gedaan. Hij had iedereen uit de gebouwen eromheen weggehaald en toen een gang gekozen waar de Kinsvrouw een Poort naartoe kon maken. Hij had een lid van de Bond naar Talmanes gestuurd om hem te vertellen waar hij heen moest. En Elayne en Birgittes plan met die Poort was gelukt, ook al was het dan niet helemaal gegaan zoals verwacht. Het was nog altijd beter dan wat Mart had kunnen verzinnen; zijn enige voornemen was geweest om de gholam zo’n penning door de strot te duwen.
‘Laten we Setalle en Olver uit hun herberg ophalen en teruggaan naar het kamp,’ zei Mart. ‘Voorlopig is de opwinding voorbij. En het zou verdomme eens tijd worden.’
32
Een storm van licht
De stad Maradon stond in brand. Van tientallen gebouwen stegen woest kolkende zuilen van rook op. Het zorgvuldig uitgekiende stadsplan zorgde ervoor dat de branden zich niet te snel verspreidden, maar hield ze niet geheel tegen. Mensen en droog hout. Die gingen goed samen.
Ituralde zat gehurkt in een beschadigd gebouw, met links van hem puin en rechts van hem een groepje Saldeanen. Hij had het paleis al vroeg verlaten; het was overspoeld door Schaduwgebroed. Hij had het vol gezet met alle olie die ze hadden kunnen vinden en het toen door de Asha’man in brand laten steken, waardoor honderden Trolloks en Schimmen die binnen zaten waren gedood. Hij keek uit het raam van zijn huidige schuilplaats. Hij had durven zweren dat hij daarbuiten net een stukje heldere hemel zag, maar door het waas van as en rook in de lucht was het lastig te bepalen. Het gebouw naast hen brandde zo hevig dat hij de hitte ervan dwars door de stenen voelde.
Hij maakte gebruik van de rook en het vuur. Bijna alles kon op een slagveld voordeel opleveren. In dit geval was Yoeli, zodra hij aanvaardde dat de stad verloren was, opgehouden die te verdedigen. Nu gebruikten ze de stad als slachtterrein. De straten vormden een doolhof waar Ituralde – met de hulp van de Saldeanen – de weg kende, maar zijn vijanden niet. Elk dak was een hoger gelegen terrein, elke steeg een geheime uitweg, elk plein een mogelijke valstrik. De Trolloks en hun bevelvoerders hadden een vergissing begaan. Zenamen aan dat Ituralde de stad wilde beschermen. Dat hadden ze mis. Het enige waar hij om gaf, was om hun zo veel mogelijk schade toe te brengen. Dus gebruikte hij hun aannames tegen hen. Ja, ze hadden een groot leger. Maar iedereen die ooit had geprobeerd ratten te doden, wist dat de grootte van je hamer er niet toe deed als de ratten wisten hoe ze zich moesten verstoppen. Een aarzelende groep van die wezens schuifelde door de zwartgeblakerde straat voor Ituraldes gebouw. De Trolloks blaften en joelden argwanend tegen elkaar. Sommige snuffelden, maar de rook belemmerde hun reukvermogen. Ze hadden Ituralde en zijn groepje, in het gebouw, niet door.
Aan het andere uiteinde van de straat klonken hoefslagen. De Trolloks begonnen te schreeuwen en een groep haastte zich naar voren, waar ze speren met nare weerhaken tegen de keien klemzetten. Als de cavalerie daarop af stormde, zou het hun dood worden. De Trolloks leerden voorzichtiger te zijn.