Maar ze leerden niet snel genoeg. De cavalerie kwam in zicht en onthulde één man voor aan een groep gewonde en uitgeputte paarden. Een afleiding.
‘Nu,’ zei Ituralde. De boogschutters naast hem sprongen op en begonnen uit de ramen op de Trolloks te schieten. Vele van hen stierven; andere draaiden zich om en vielen aan. En vanuit een zijstraat galoppeerde een groep ruiters – de paardenhoeven omwonden met lappen om het geluid te dempen – tevoorschijn, hun nadering overstemd door het luidere hoefgetrappel van de afleidingspaarden. De Saldeanen denderden over de Trolloks heen, vertrapten en doodden hen.
De boogschutters juichten en trokken zwaarden en bijlen om de gewonde Trolloks af te maken. Er was geen Schim bij deze groep, het Licht zij dank. Ituralde stond op en drukte een natte zakdoek tegen zijn gezicht tegen de rook. Zijn vermoeidheid – die eerder diep was weggestopt – kwam langzaam weer boven. Hij was bang dat als het echt toesloeg, hij bewusteloos zou omvallen. Dat zou slecht zijn voor het moreel.
Nee, dacht hij, je verbergen in de rook terwijl je huis afbrandt, wetend dat de Trolloks je langzaam insluiten... dat is slecht voor het moreel.
Zijn mannen maakten korte metten met de vuist Trolloks en haastten zich vervolgens naar een ander van tevoren uitgezocht gebouw waar ze zich konden verbergen. Ituralde had ongeveer dertig boogschutters en een groep cavaleristen, die hij heen en weer schoof tussen vijf afzonderlijke groepen strijders zoals deze. Hij gebaarde dat zijn mannen weer dekking moesten zoeken terwijl zijn verkenners hem inlichtingen brachten. Zelfs met verkenners was het moeilijk om een goed beeld te krijgen van de grote stad. Hij wist vagelijk waar het verzet het sterkst was en stuurde de bevelen die hij kon, maar de strijd was over een te groot gebied uitgespreid om de gevechten effectief te kunnen aansturen. Hij hoopte dat het goed ging met Yoeli.
De Asha’man waren weg, op zijn bevel ontsnapt door de kleine Poort – slechts groot genoeg om doorheen te kruipen – die Antail had gemaakt. Sinds hun vertrek, nu al uren geleden, was er nog geen spoor geweest van de ‘redding’ die onderweg zou moeten zijn. Voordat de Asha’man vertrokken, had hij nog een verkenner door een Poort naar de richel gestuurd waar de Laatste Ruiters zouden moeten zijn. Alles wat de verkenner daar aantrof, was een verlaten kamp met een vuur dat brandde zonder dat iemand zich erom bekommerde. Ituralde sloot zich bij zijn mannen aan in de nieuwe schuilplaats, en hij hing zijn zakdoek – nu besmeurd met roet – aan de deurklink om de verkenners te laten weten waar hij zat. Eenmaal daar verstijfde hij toen hij buiten iets hoorde.
‘Stil,’ zei hij tegen de mannen. Ze hielden hun rammelende pantsers vast.
Voetstappen. Een heleboel. Dat was beslist een bende Trolloks; zijn mannen hadden het bevel om geruisloos te lopen. Hij knikte naar zijn soldaten en stak zes vingers op. Strategie nummer zes. Ze zouden zich verstoppen en wachten, hopend dat de schepsels voorbij zouden lopen. Als ze dat niet deden – als ze bleven rondhangen of de omringende gebouwen gingen doorzoeken – dan zou zijn groep naar buiten gaan en hen aanvallen.
Het was de gevaarlijkste strategie die hij had. Zijn mannen waren doodmoe en de cavalerie was naar een andere groep verdedigers gestuurd. Maar ze konden beter aanvallen dan ontdekt of omsingeld te worden.
Ituralde schuifelde naar het raam, wachtend, luisterend, oppervlakkig ademend. Licht, wat was hij moe. De groep ging buiten de hoek om, met gelijke voetstappen. Dat was vreemd. Trolloks marcheerden niet zo geordend.
‘Heer,’ fluisterde een van zijn mannen. ‘Er zijn geen hoeven bij.’ Ituralde verstijfde. Die man had gelijk. Zijn vermoeidheid maakte hem onoplettend. Dat is een leger van honderden man, dacht hij. Hij stond op, kon een hoestbui niet onderdrukken en duwde de deur open. Hij stapte naar buiten.
Een windvlaag blies over straat toen Ituraldes mannen na hem naar buiten kwamen. De wind blies de rook even weg en onthulde een grote groep infanterie met zilveren pantsers en spiesen. Eerst leken ze wel spoken; gloeiend in een gouden fantoomlicht van boven, komend van een zon die hij in geen maanden had gezien. De nieuwkomers begonnen te roepen zodra ze hem en zijn mannen zagen, en twee officiers renden naar hem toe. Het waren Saldeanen. ‘Waar is jullie commandant?’ vroeg een van hen. ‘De man die Rodel Ituralde heet?’
‘Ik...’ Ituralde moest weer hoesten. ‘Dat ben ik. Wie bent u?’
‘Het Licht zij gedankt,’ zei een van hen, en hij draaide zich om naar de anderen. ‘Geef het door aan heer Bashere! We hebben hem gevonden!’
Ituralde knipperde met zijn ogen. Hij keek om naar zijn vuile mannen, hun gezichten zwart van het roet. Er waren er meerdere die hun arm in een band droegen. Hij was begonnen met tweehonderd man. Nu waren het er nog vijftig. Ze zouden blij moeten zijn, maar de meesten gingen op de grond zitten en sloten hun ogen. Ituralde hoorde zichzelf lachen. ‘Nu? Nü stuurt de Draak hulp?’ Hij struikelde, ging zitten en staarde op naar de brandende hemel. Hij zat te lachen en kon er niet mee ophouden. Al snel liepen de tranen hem over de wangen. Ja, daarboven was zonlicht.
Ituralde had zich enigszins hersteld tegen de tijd dat de soldaten hem naar een goed verdedigd deel van de stad hadden geleid. De rook was hier een stuk minder dicht. Kennelijk hadden Altors troepen – onder leiding van Davram Bashere – het grootste deel van Maradon weer opgeëist. Wat ervan over was. Ze waren begonnen met het blussen van de branden.
Het was zo vreemd om soldaten te zien met glanzende pantsers, nette uniformen en schone gezichten. Ze waren aangekomen met grote aantallen Asha’man en Aes Sedai, en een leger dat voorlopig voldoende groot was geweest om het Schaduwgebroed terug te drijven naar de heuvelbolwerken aan de overkant van de rivier. Altors mannen leidden hem naar een hoog gebouw in de stad. Nu het paleis was uitgebrand en grotendeels verwoest, leek het erop dat ze dit gebouw als uitvalsbasis hadden gekozen.
Ituralde voerde nu al wekenlang een uitputtende oorlog. Altors soldaten leken bijna té schoon. Zijn eigen mannen waren gesneuveld, terwijl deze mannen zich konden wassen, konden slapen, en warme maaltijden hadden gehad?
Hou op, vermaande hij zichzelf toen hij het gebouw binnenging. Het was veel te gemakkelijk om anderen de schuld te geven als een strijd de verkeerde kant op ging. Het was niet die mannen hun schuld dat hun leven de laatste tijd gemakkelijker was geweest dan het zijne. Hij sleepte zich de trap op en wenste dat ze hem met rust zouden laten. Een goede nacht slapen, een bad, en dan kon hij Bashere ontmoeten. Maar nee, dat zat er niet in. De strijd was nog niet gestreden, en Altors mannen hadden inlichtingen nodig. Alleen lieten zijn hersens hem in de steek en waren zijn gedachten erg stroperig. Hij kwam boven aan en volgde Basheres soldaten naar een kamer aan de rechterkant. Bashere was daar, met een gepoetste borstplaat maar zonder de bijpassende helm. Hij stond met zijn handen op zijn rug uit het raam te kijken. Hij had zo’n overdreven grote Saldeaanse snor en droeg een olijfgroene broek die hij in kniehoge laarzen had gestopt.
Bashere draaide zich om en schrok. ‘Licht! Je lijkt de Dood zelf wel, man!’ Hij wendde zich naar zijn soldaten. ‘Hij hoort in de ziekentent! Laat iemand een Asha’man gaan halen!’
‘Het gaat wel,’ zei Ituralde, die overtuiging in zijn stem wist te leggen. ‘Ik zie er slechter uit dan ik me voel, durf ik te wedden.’ De soldaten aarzelden, kijkend naar Bashere. ‘Nou,’ zei de man, ‘haal dan in ieder geval een stoel voor hem, en iets om zijn gezicht mee af te vegen. Arme kerel; we hadden hier dagen geleden al moeten zijn.’ Buiten hoorde Ituralde de geluiden van strijd in de verte. Bashere had een hoog gebouw gekozen, van waaruit hij de gevechten kon overzien. De soldaten kwamen aan met een stoel en – ondanks zijn verlangen om zich sterk te betonen aan een medegeneraal – Ituralde liet zich er zuchtend op zakken.
Hij keek omlaag en was verbaasd te zien hoe vuil zijn handen waren, alsof hij een haard had uitgeschrobd. Ongetwijfeld zat zijn gezicht ook onder het roet, met strepen zweet en waarschijnlijk ook nog geronnen bloed. Zijn kleding was gerafeld door de ontploffing die de muur had verwoest, en dan was er nog die haastig verbonden snee in zijn arm.