Выбрать главу

‘Uw verdediging van de stad was ronduit wonderbaarlijk, heer Ituralde,’ zei Bashere. Zijn toon klonk vormelijk; Saldea en Arad Doman waren geen vijanden, maar twee sterke naties konden geen grens delen zonder tijden van vijandschap te kennen. ‘Het aantal dode Trolloks vergeleken met het aantal mannen dat u had... en met een zo grote bres in de muur... Ik moet zeggen dat ik onder de indruk ben.’ Basheres toon gaf aan dat hij dergelijke loftuitingen niet vaak deed. ‘Hoe is het met Yoeli?’ vroeg Ituralde.

Basheres gezicht werd grimmig. ‘Mijn mannen troffen een kleine groep aan, die zijn lijk verdedigde. Hij is dapper gestorven, hoewel ik ervan stond te kijken dat hij het bevel had. En dat Torkumen – een verre neef van me en de stadhouder hier – in zijn kamers opgesloten was, alleen, waar de Trolloks hem hadden kunnen pakken.’

‘Yoeli was een goed mens,’ zei Ituralde stijfjes. ‘Een van de moedigste die ik ooit heb gekend. Hij heeft mijn leven gered en heeft mijn mannen de stad in gelaten tégen het bevel van Torkumen in. Het is verschrikkelijk jammer dat we hem kwijt zijn. Verschrikkelijk jammer. Zonder Yoeli zou Maradon nu niet meer overeind staan.’

‘Het staat ook nog amper overeind,’ zei Bashere terneergeslagen. Ituralde aarzelde. Hij is de oom van de koningin; deze stad is waarschijnlijk zijn thuis, dacht hij.

De twee keken elkaar aan als oude wolven, leiders van rivaliserende roedels. Behoedzaam. ‘Ik betreur uw verlies,’ zei Ituralde. ‘De stad staat nog deels overeind dankzij u,’ zei Bashere. ‘Ik ben niet boos, man. Ik ben bedroefd, maar niet boos. En ik geloof u voor wat betreft Yoeli. Om eerlijk te zijn heb ik Torkumen nooit gemogen. Voorlopig heb ik hem in de kamer laten zitten waar we hem vonden – nog altijd in leven, gelukkig – hoewel ik wel een donderpreek van de koningin zal krijgen om wat hem is aangedaan. Ze is altijd op hem gesteld geweest. Bah! Anders heeft ze altijd zo’n goede kijk op mensen.’

Bashere knikte opzij toen hij het over Torkumen had, en geschrokken besefte Ituralde dat hij dit gebouw herkende. Dit was Torkumens huis, waar Yoeli Ituralde heen had gebracht op zijn eerste dag in de stad. Het was logisch dat dit gebouw was gekozen als bevelspositie; het stond dicht genoeg bij de noordelijke muur om een goed uitzicht naar buiten te hebben, maar ver genoeg ervandaan om de ontploffing te hebben doorstaan, anders dan de raadszaal. Nou, het zou Torkumens verdiende loon zijn geweest als de Trolloks hem in hun klauwen hadden gekregen. Ituralde ging achteroverzitten en sloot zijn ogen terwijl Bashere met zijn officiers overlegde. Bashere was vaardig, dat was wel duidelijk. Hij had heel snel de straten schoongeveegd; zodra de Trolloks in de gaten kregen dat er een groter leger tegenover hen stond, hadden ze de stad verlaten. Ituralde was trots dat die monsters deels door zijn vasthoudendheid zo snel waren gevlucht.

Ituralde bleef luisteren. De meeste van Basheres soldaten waren de stad binnengekomen door Poorten, nadat ze een verkenner naar binnen hadden gestuurd om veilige plekken ervoor te zoeken. Gevechten op straat zouden hem niet dienen zoals ze Ituralde hadden gediend; de tactiek van toeslaan en vluchten was erop gericht geweest zo veel mogelijk schade aan te richten voordat ze zouden sterven.

Het was een verliezende tactiek.

De Trolloks hadden zich teruggetrokken naar de bolwerken, maar ze zouden daar niet lang blijven. Terwijl hij met gesloten ogen bleef zitten en met moeite wakker bleef, hoorde Ituralde dat Bashere en zijn kapiteins tot dezelfde gevolgtrekking kwamen: Maradon was verloren. Het Schaduwgebroed zou wachten tot het donker werd en dan weer in groten getale aanvallen.

Na dit alles zouden ze gewoon vluchten? Nadat Yoeli was gesneuveld in de verdediging van de stad? Nadat Rajabi was gedood door een Draghkar? Nadat Ankaer en Rossin waren gesneuveld tijdens de schermutselingen binnen de muren? Na al het bloedvergieten, nu er eindelijk hulp kwam, bleek het onvoldoende? ‘Misschien kunnen we ze van die heuvel verdrijven,’ zei een van Basheres mannen. ‘De bolwerken schoonvegen.’ Hij klonk niet erg optimistisch.

‘Jongen,’ zei Ituralde, die met moeite zijn ogen opende, ‘ik heb die heuvel wekenlang verdedigd tegen een overmacht. Je mensen hebben hem goed gebouwd, maar het punt met goed gebouwde forten is dat de vijand ze tegen je kan gebruiken. Je verliest mannen als je daar aanvalt. Een heleboel.’

Het werd stil in de kamer.

‘Dus we vertrekken,’ zei Bashere. ‘Naeff, we hebben Poorten nodig.’

‘Ja, heer Bashere.’ De man, met een vierkant gezicht en een slank lichaam, droeg een zwarte jas en de drakenspeld van een Asha’man. ‘Malain, verzamel de cavalerie en stel ze buiten op; laat het eruitzien alsof we een aanval op die bolwerken willen proberen. Dat houdt ze op hun tenen. We evacueren de gewonden en dan laten we de cavalerie de andere kant op stormen, de...’

‘Bij het Licht en mijn hoop op wedergeboorte!’ riep een stem plotseling uit. Iedereen in de kamer draaide zich geschrokken om; dat was niet het soort vloek dat je elke dag hoorde. Ken jonge soldaat stond bij het raam en keek door een kijkglas naar buiten. Bashere vloekte en haastte zich naar het venster, met de anderen om hem heen, èn er verschenen nog meer kijkglazen. Wat nu weer, dacht Ituralde, die ondanks zijn vermoeidheid opstond en zich bij hen voegde. Wat hadden ze nu weer verzonnen? Nog meer Draghkar? Duisterhonden?

Hij tuurde uit het raam, en iemand gaf hem een kijkglas aan. Zoals hij al had vermoed, stond dit gebouw hoog genoeg om uit te kijken over de stadsmuur, het terrein erachter en daar voorbij. De torenposities op de kam van de heuvel zaten vol met raven. Door het glas zag hij vele Trolloks bovenin, in het hoge kamp en de torens en bolwerken daar.

Achter de heuvel, oprukkend door de pas, kwam een ontzagwekkend leger van Trolloks aan, vele keren het aantal dat Maradon had aangevallen. De stroom monsters leek eeuwig door te gaan. ‘We moeten weg,’ zei Bashere, die zijn kijkglas liet zakken. ‘Onmiddellijk.’

‘Licht!’ fluisterde Ituralde. ‘Als dat leger langs ons heen komt, is er niets meer in Saldea, Andor of Arad Doman dat hen kan tegenhouden. Zeg alsjeblieft dat de Draak vrede heeft gesloten met de Seanchanen, zoals hij had beloofd?’

‘Daarin,’ zei een rustige stem achter hem, ‘net als in zoveel andere dingen, heb ik gefaald.’

Ituralde draaide zich met een ruk om en liet het kijkglas zakken. Een lange man met rossig haar stapte de kamer in; een man die een vreemde had kunnen zijn, ondanks zijn bekende gezicht. Rhand Altor was veranderd.

De Herrezen Draak had datzelfde zelfvertrouwen, diezelfde rechte rug, diezelfde uitstraling van gezag. En toch leek alles aan hem tegelijkertijd anders. Hoe hij stond, niet langer vagelijk argwanend. Hoe hij Ituralde bezorgd en onderzoekend opnam. Die ogen, kil en gevoelloos, hadden Ituralde ooit overtuigd om deze man te volgen. Maar die ogen waren ook veranderd. Ituralde had er nooit eerder wijsheid in gezien.

Wees geen stomme dwaas, dacht Ituralde. Je kunt niet zien of een man wijs is door naar zijn ogen te kijken.

En toch kon hij dat.

‘Rodel Ituralde,’ zei Altor, die naar voren stapte en zijn hand op Ituraldes arm legde. ‘Ik heb jou en je mannen geïsoleerd en onder de voet gelopen achtergelaten. Vergeef me alsjeblieft.’

‘Ik heb deze keus zelf gemaakt,’ zei Ituralde. Vreemd genoeg voelde hij zich nu ineens minder moe.

‘Ik heb je mannen bezocht,’ zei Altor. ‘Er zijn er nog maar zo weinig over, en ze zijn gedesillusioneerd en verslagen. Hoe heb je de stad in handen weten te houden? Wat jij hebt gedaan, is een wonder.’

‘Ik doe wat er gebeuren moet.’

‘Je zult wel veel vrienden hebben verloren.’

‘Ik... Ja.’ Wat kon hij anders zeggen? Als hij het afdeed als niets, onteerde hij hen. ‘Wakeda is vandaag gevallen. Rajabi... een Draghkar kreeg hem te pakken. Ankaer. Hij hield vol tot vanmiddag. Nooit ontdekt waarom die bugelblazer zo vroeg blies. Rossin was het aan het uitzoeken. Hij is ook dood.’