Выбрать главу

‘We moeten de stad uit,’ zei Bashere dringend. ‘Het spijt me, man. Maradon is verloren.’

‘Nee,’ zei Altor zachtjes. ‘De Schaduw krijgt deze stad niet. Niet na wat die mannen hebben doorstaan om hier stand te houden. Ik sta het niét toe.’

‘Een eerzaam voornemen,’ zei Bashere, ‘maar we hebben...’ Hij liet zijn stem wegsterven toen Altor naar hem keek. Die ogen. Zo indringend. Ze leken bijna te gloeien. ‘Ze krijgen deze stad niet, Bashere,’ zei Altor, en de woede klonk in zijn zachte stem door. Hij gebaarde opzij, waarop een Poort de lucht spleet. Het geluid van trommels en schreeuwende Trolloks werd ineens luider. ‘Ik ben het zat dat ze mijn mensen kwaad doen. Haal je soldaten terug.’

Met die woorden stapte Altor door de Poort. Twee Speervrouwen van de Aiel haastten zich de kamer in, en hij liet de Poort net lang genoeg openstaan zodat zij achter hem aan konden springen. Toen liet hij hem verdwijnen.

Bashere keek stomverbaasd toe, met zijn mond een stukje open. ‘Vervloekte kerel!’ zei hij uiteindelijk, en hij draaide zich weer naar het raam om. ‘Ik dacht dat hij dit soort dingen niet meer zou doen!’ Ituralde ging bij Bashere staan, hief zijn kijkglas en keek naar het reusachtige gat in de muur. Buiten stak Altor het platgetrapte terrein over, gekleed in zijn bruine mantel en gevolgd door de twee Speervrouwen.

Ituralde dacht dat hij het gejank van de Trolloks kon horen. Hun trommels roffelden. Ze zagen drie mensen alleen. De Trolloks golfden naar voren en stormden hem tegemoet. Met honderden tegelijk. Duizenden. Ituralde zoog zijn adem naar binnen. Bashere zei stilletjes een gebedje.

Altor stak één hand op en duwde die toen – met de handpalm naar voren – in de richting van het getijde van Schaduwgebroed. En ze stierven.

Het begon met golven van vuur, ongeveer net zoals de Asha’man die gebruikten. Alleen waren deze veel groter. De vlammen brandden in verschrikkelijke uitbarstingen door de Trolloks heen. Ze volgden het verloop van het land, suisden de heuvel op, doken omlaag in de loopgraven en vulden die met witheet vuur, schroeiend en vernietigend.

Wolken Draghkar wentelden de lucht in en doken op Altor af. De lucht boven hem werd blauw en ijsscherven schoten naar buiten, suizend door de lucht als pijlen van de bogen van een heel baander boogschutters. De beesten krijsten van onmenselijke pijn en karkassen ploften op de grond.

Licht en Kracht explodeerden vanuit de Herrezen Draak. Hij leek wel een heel leger van geleiders. Duizenden leden van het Schaduwgebroed stierven. Doodspoorten sprongen op, stuiterden over de grond en doodden er honderden.

De Asha’man Naeff – die naast Bashere stond – slaakte een kreet. ‘Ik heb nog nooit zoveel wevingen tegelijk gezien,’ fluisterde hij. ‘Ik kan ze niet eens allemaal volgen. Hij is een storm. Een storm van Licht en stromen van Kracht!’

Boven de stad vormden zich wervelende wolken. De wind wakkerde aan tot een gierende snelheid en bliksems sloegen in. Luide donderslagen overstemden het tromgeroffel terwijl Trolloks tevergeefs probeerden bij Altor te komen, klimmend over de smeulende karkassen van hun broeders. De kolkende witte wolken beukten tegen de razende zwarte storm aan en mengden zich ermee. De wind draaide om Altor heen, waardoor zijn mantel flapperde. De man zelf leek te gloeien. Was het een weerspiegeling van al dat vuur, of misschien van de bliksemschichten? Altor leek feller dan al dat andere, met zijn hand geheven tegen het Schaduwgebroed. Zijn Speervrouwen zaten ineengedoken naast hem, met hun blik naar voren en hun schouders opgetrokken tegen de harde wind. Wolken die om elkaar heen draaiden, stuurden trechters omlaag naar de menigten Trolloks, veegden over de top van de heuvel en sleepten schepsels mee de lucht in. Grote fonteinen volgden, gemaakt van vlees en vuur. De beesten regenden omlaag en vielen op de andere. Ituralde keek vol ontzag toe, en het haar op zijn armen en hoofd stond recht overeind. Er hing een soort energie in de lucht. Vlakbij hoorden ze een schreeuw. Binnen in het gebouw, in een van de aangrenzende kamers. Ituralde wendde zich niet van het raam af. Hij móést kijken naar dit schitterende, verschrikkelijke tafereel van vernietiging en Kracht.

Golven van Trolloks braken, de trommels vielen stil. Hele legioenen monsters draaiden zich om en vluchtten, klauterend tegen de helling op en over elkaar heen, terugvluchtend naar de Verwording. Sommige bleven staan; te kwaad, te bang voor hun meesters of te dom om te vluchten. De orkaan van vernietiging scheen een hoogtepunt te bereiken, bliksemflitsen knetterden omlaag in de maat van de huilende wind, zoemende golven van vlammen en tinkelende scherven van ijs.

Het was een meesterwerk. Een verschrikkelijk, verwoestend, wonderbaarlijk meesterwerk. Altor tilde zijn hand naar de lucht. De wind werd sneller, de blikseminslagen werden groter, de vuren heter. Trolloks schreeuwden, kermden, jankten. Ituralde merkte dat hij stond te trillen.

Altor balde zijn hand tot een vuist, en alles was afgelopen. De laatste door de wind gegrepen Trolloks vielen uit de lucht als bladeren bij een plotseling wegvallende bries. Alles werd stil. De vlammen doofden, de zwart met witte wolken trokken weg en lieten een blauwe hemel achter.

Altor liet zijn hand zakken. Op het veld voor hem lagen stapels karkassen. Tienduizenden smeulende, dode Trolloks. Recht voor Altor vormde een stapel van honderd passen breed een richel van vijf voet hoog; een berg doden die hem bijna had bereikt. Hoe lang had het geduurd? Ituralde merkte dat hij de tijd niet kon inschatten, hoewel de stand van de zon leek aan te geven dat er minstens een uur was verstreken. Misschien meer. Het hadden slechts enkele tellen geleken.

Altor draaide zich om en liep weg. De Speervrouwen kwamen bibberig overeind en strompelden achter hem aan. ‘Wat was dat voor schreeuw?’ vroeg Naeff. ‘Die vlakbij, in het gebouw. Hebben jullie dat ook gehoord?’

Ituralde fronste zijn voorhoofd. Ja, wat was dat eigenlijk geweest? Hij liep door de kamer en de anderen – onder wie enkele officiers van Bashere – volgden hem. Vele andere mannen bleven echter in de kamer, starend naar het veld dat was gezuiverd met ijs en vuur. Het was vreemd, maar Ituralde had geen enkele toren op de heuvel zien vallen. Het leek wel alsof Altors aanval alleen het Schaduwgebroed had geraakt. Kon een man werkelijk zo nauwkeurig zijn? De gang buiten was verlaten, maar Ituralde had nu een vermoeden waar de schreeuw vandaan was gekomen. Hij liep naar heer Torkumens deur; Bashere deed hem open en ze stapten naar binnen. De kamer leek verlaten. Ituralde voelde een steek van angst. Was de man ontsnapt? Hij trok zijn zwaard.

Nee. Een gestalte zat ineengedoken in de hoek bij het bed, zijn fraaie kleding gekreukeld, zijn vest besmeurd met bloed. Ituralde liet zijn zwaard zakken. Heer Torkumens ogen waren verdwenen. Hij had ze zo te zien uitgestoken met een schrijfveer; de bebloede pen lag naast hem op de grond.

De ruit was gebroken. Bashere keek naar buiten. ‘Vrouwe Torkumen ligt daarbeneden.’

‘Ze is gesprongen,’ fluisterde Torkumen, klauwend naar zijn oogkassen met vingers die onder het bloed zaten. Hij klonk versuft. ‘Dat licht... Dat verschrikkelijke licht.’

Ituralde wierp een blik op Bashere.

‘Ik kan er niet naar kijken,’ mompelde Torkumen. ‘Ik kan het niet! Grote Heer, waar is uw bescherming? Waar zijn uw legers om te verscheuren, uw zwaarden om te doorboren? Dat licht vreet aan mijn geest, als ratten die zich te goed doen aan een lijk. Het brandt in mijn gedachten. Het heeft me gedood. Dat licht heeft me gedood.’

‘Hij is gek geworden,’ zei Bashere grimmig, neerknielend bij de man. ‘Beter dan hij verdiende, te oordelen naar dat geijl. Licht! Mijn eigen neef een Duistervriend. En nog wel met de macht over de stad!’

‘Waar heeft hij het over?’ vroeg een van Basheres mannen. ‘Een licht? Hij kan de strijd niet hebben gezien. Geen van die ramen kijkt uit op de goede kant.’

‘Ik denk niet dat hij het over de strijd had, Vogeler,’ zei Bashere. ‘Kom mee. De Draak zal wel moe zijn. Ik wil zorgen dat iemand zich om hem bekommert.’