Dit is het, dacht Min, tikkend op de bladzijde. Ze zat in de vensterbank in de Steen van Tyr, genietend van de bries. Proberend niet aan Rhand te denken. Hij was ongedeerd, maar zijn gevoelens waren ontzettend sterk. Woede. Ze hoopte dat hij nooit meer zo boos zou worden.
Ze schudde de bezorgdheid van zich af; ze had werk te doen. Volgde ze de verkeerde draad? Interpreteerde ze dingen op de verkeerde manier? Ze las de regel nog eens. Het licht wordt voor de muil van de eindeloze leegte gehouden, en al wat hij is kan worden gegrepen. Haar overpeinzingen werden verstoord toen ze in de kamer aan de overkant van de gang licht zag verschijnen. Ze liet haar boek vallen en sprong op de grond. Rhand was ineens heel dichtbij. Ze voelde het door de binding.
Twee Speervrouwen bewaakten de kamer aan de andere kant van de gang, voornamelijk om te voorkomen dat mensen zouden binnenwandelen en gewond zouden raken door Poorten. De Poort die nu was geopend, leidde naar een plek waar het naar rook stonk. Rhand kwam er wankelend doorheen. Min rende naar hem toe. Hij leek uitgeput, met rode ogen en een bleek gezicht. Hij leunde met een zucht op haar en liet zich naar een stoel helpen.
‘Wat is er gebeurd?’ vroeg Min aan Evasni, de Speervrouwe die als volgende naar buiten kwam. Ze was een slungelige vrouw met donkerrood haar, kortgeknipt maar met een staart aan de achterkant, zoals de meeste Speervrouwen het droegen.
‘Het gaat de Car’a’carn goed,’ zei de vrouw. ‘Hoewel hij net een jongeling is die één rondje meer om het kamp heeft gerend dan alle anderen, gewoon om te bewijzen dat hij het kon.’
‘Hij heeft vandaag veel ji verworven,’ zei Ifeyna – de andere Speervrouwe – bijna als een tegenwerping. Haar stem klonk plechtig. Rhand zuchtte en ging achteroverzitten in de stoel. Bashere kwam de Poort uit, zijn laarzen galmend op de stenen. Min hoorde geroep van beneden; een groep gewonde soldaten die door een grotere Poort terugkwam. De pleinen rondom de Steen kwamen ineens tot leven. Helers van de Aes Sedai renden heen en weer om zich om de bebloede, beroete mannen te bekommeren.
Na Bashere kwam een slanke Domaanse man van middelbare leeftijd. Rodel Ituralde. Hij zag er behoorlijk gehavend uit, met geronnen bloed op zijn vuile gezicht, zijn kleren gescheurd en met een ruw verband om zijn arm. Rhand had geen zichtbare verwondingen. Zijn kleren waren schoon, hoewel hij die oude bruine mantel maar bleef dragen. Maar Licht, wat zag hij er moe uit. ‘Rhand,’ zei Min, die neerknielde. ‘Rhand, gaat het wel?’
‘Ik werd boos,’ zei Rhand zacht. ‘Ik dacht dat ik daar boven stond.’
Ze verkilde.
‘Het was niet zo’n verschrikkelijke woede als voorheen,’ zei Rhand. ‘Het was niet de woede van de vernietiging, hoewel ik wel heb vernietigd. In Maradon zag ik wat er was gebeurd met de mannen die me volgden. Ik zag Licht in hen, Min. Ze verzetten zich tegen de Duistere, ongeacht de lengte van zijn schaduw. We zullen overleven, zeiden ze met hun verzet. We zullen liefde en hoop kennen. En ik zag hoe hij zo zijn best deed om dat te verwoesten. Hij weet dat als hij hen kan breken, dat betekenis zou hebben. Groter dan Maradon alleen. De geest van mensen breken... daar dórst hij naar. Hij heeft veel harder toegeslagen dan anders, omdat hij mijn wil probeerde te breken.’ Zijn stem werd zachter, hij opende zijn ogen en keek haar aan. ‘En dus heb ik me tegen hem verzet.’
‘Wat je deed was ongelooflijk,’ zei Bashere, die met over elkaar geslagen armen naast Min kwam staan. ‘Maar heb je je daar door hem toe laten drijven?’
Rhand schudde zijn hoofd. ‘Ik heb recht op mijn woede, Bashere. Snap je het niet? Voorheen probeerde ik alles binnen in me verborgen te houden. Dat was verkeerd. Ik móét voelen. Ik moet lijden onder alle pijn, sterfte en verliezen van die mensen. Ik moet me aan die dingen vasthouden, zodat ik weet waarvoor ik vecht. Er zijn ogenblikken wanneer ik de leegte nodig heb, maar daardoor is mijn woede nog niet minder een deel van mij.’
Hij scheen met elk woord zekerder van zichzelf te worden, en Min knikte.
‘Nou, je hebt de stad gered,’ zei Bashere.
‘Niet snel genoeg,’ wierp Rhand tegen. Min voelde zijn verdriet. ‘En mijn handelen van vandaag kan toch een vergissing zijn geweest.’ Min fronste haar voorhoofd. ‘Hoezo?’
‘Het kwam te dicht bij een confrontatie tussen ons,’ antwoordde Rhand. ‘Dat móét gebeuren in Shayol Ghul, en op het juiste ogenblik. Ik mag me niet door hem laten uitlokken. Bashere heeft gelijk. En ik kan het me ook niet veroorloven als de mannen gaan denken dat ik hen altijd zal komen redden.’
‘Misschien,’ zei Bashere. ‘Maar wat je vandaag deed...’ Rhand schudde zijn hoofd. ‘Ik moet deze strijd niet leveren, Bashere. De strijd van vandaag heeft me meer uitgeput dan ik had moeten toestaan. Als mijn vijanden nu naar me toe kwamen, zou het afgelopen met me zijn. Bovendien kan ik maar op één plek tegelijk strijd leveren. Wat er nadert, zal groter zijn. Groter en verschrikkelijker dan één mens kan hopen tegen te houden. Ik zal jullie leiden, maar ik moet jullie verlaten. Deze oorlog is van jullie.’ Hij zweeg toen Flin door de Poort stapte en die daarna liet dichtgaan.
‘Ik moet nu rusten,’ zei Rhand zacht. ‘Morgen ontmoet ik je nicht en de andere Grenslanders, Bashere. Ik weet niet wat ze van me zullen vragen, maar ze móéten terugkeren naar hun posten. Als Saldea er al zo aan toe was terwijl een van de Grote Kapiteins de verdediging aanvoerde, dan kan ik alleen maar raden wat de andere Grenslanden doorstaan.’
Min hielp hem overeind. ‘Rhand,’ zei ze zachtjes. ‘Cadsuane is terug, en ze had iemand bij zich.’ Hij aarzelde. ‘Breng me naar haar toe.’
Min kromp ineen. ‘Ik had niets moeten zeggen. Jij moet rusten.’
‘Dat doe ik ook wel,’ zei hij. ‘Maak je geen zorgen.’
Ze voelde zijn uitputting nog steeds, maar bood geen tegenwerpingen. Ze liepen de kamer uit. ‘Rodel Ituralde,’ zei Rhand, stilstaand bij de deur. ‘Je zult wel met me mee willen. Ik kan je niet terugbetalen voor de moed die je hebt betoond, maar ik heb wel iets wat ik je kan geven.’
De grijze Domani knikte en liep mee. Min hielp Rhand de gang door, ongerust over hem. Móést hij zichzelf zo onder druk zetten? Helaas wel, dacht ze toen. Rhand Altor was de Herrezen Draak. Hij zou leegbloeden, verpletterd worden en opgebruikt raken voordat dit voorbij was. Ze zou bijna ophouden haar best te doen. ‘Rhand...’ zei ze, terwijl Ituralde en enkele Speervrouwen achter hen aan liepen. Gelukkig was het niet ver naar Cadsuanes kamer. ‘Ik red me wel,’ zei hij. ‘Ik beloof het. Heb je nieuwe dingen ontdekt?’ Hij probeerde haar af te leiden.
Helaas riep die vraag alleen maar een andere zorg bij haar op. ‘Heb je je wel eens afgevraagd waarom Callandor in de voorspellingen zo vaak een “angstige kling” of “de kling van de ondergang” wordt genoemd?’
‘Het is een krachtige sa’angreaal,’ zei hij. ‘Misschien vanwege de vernietiging die hij kan veroorzaken?’
‘Misschien,’ zei ze.
‘Jij denkt dat het iets anders is.’
‘Er staat een frase in de Jendai-voorspelling,’ zei Min. ‘Ik wou dat we daar meer over wisten. Maar daarin staat: “En de Kling zal hem binden in koppel.”’
‘Twee vrouwen,’ zei Rhand. ‘Ik moet een cirkel vormen met twee vrouwen om het zwaard te beheersen.’ Ze trok een grimas.
‘Wat is er?’ vroeg Rhand. ‘Je kunt het net zo goed zeggen, Min. Ik moet het weten.’
‘Er is nog een andere frase, uit de Karaethon Reeks. Ik denk dat Callandor misschien nog een ander gebrek heeft. Ik denk dat het misschien... Rhand, Ik denk dat het zwaard je misschien zwak zal maken, je kwetsbaar zal maken voor een aanval, als je het gebruikt.’
‘Misschien is dat dan hoe ik gedood word.’
‘Je wórdt niet gedood,’ zei Min.
‘Ik...’
‘Je overleeft dit, schaapherder,’ drong ze aan. ‘Daar zal ik voor zorgen.’