Hij glimlachte naar haar. Hij zag er ontzettend moe uit. ‘Ik kan bijna geloven dat je dat zult doen, Min. Misschien ben ik niet degene waar het Patroon omheen buigt, maar jij.’ Hij draaide zich om en klopte op een deur in de gang.
De deur ging op een kiertje open en Merise gluurde naar buiten. Ze bekeek Rhand van top tot teen. ‘Het lijkt wel alsof je amper op je benen kunt blijven staan, Altor.’
‘Dat is waar,’ antwoordde hij. ‘Is Cadsuane Sedai er?’
‘Ze heeft gedaan wat je hebt gevraagd,’ zei Merise. ‘En, mag ik wel zeggen, ze is zeer inschikkelijk geweest, als je nagaat hoe jij...’
‘Laat hem binnen, Merise,’ zei Cadsuane vanuit de kamer. Merise aarzelde en wierp Rhand een boze blik toe voordat ze de deur helemaal opende. Cadsuane zat op een stoel, in gesprek met een oudere man met lang grijs haar dat loshing tot op zijn schouders. Hij had een grote haakneus en droeg fraaie kleding. Rhand stapte opzij. Achter hem zoog iemand geschrokken zijn adem naar binnen. Rodel Ituralde stapte naar de deur toe, stomverbaasd, en de man in de kamer keek om. Hij had vriendelijke ogen en een koperkleurige huid.
‘Mijn leenheer,’ riep Ituralde. Hij haastte zich naar binnen en liet zich op zijn knie zakken. ‘U leeft nog!’
Min voelde een overstelpend geluksgevoel van Rhand komen. Ituralde, zo leek het, huilde. Rhand stapte achteruit. ‘Kom, we gaan naar mijn kamers om te rusten.’
‘De koning van Arad Doman. Waar heeft ze hem gevonden?’ vroeg Min. ‘Hoe wist je dat?’
‘Een kennis had een geheim voor me achtergelaten,’ zei Rhand. ‘De Witte Toren had Mattin Stepaneos opgehaald om hem te “beschermen”. Nou, het was niet zo ver gezocht om te bedenken dat ze dat misschien ook met andere monarchen hadden gedaan. En als ze maanden geleden al zusters naar Arad Doman hadden gestuurd om hem te gaan halen, voordat ze Poorten hadden, dan waren ze misschien op de terugweg vast komen zitten door de sneeuw.’ Hij leek ontzettend opgelucht. ‘Graendal heeft hem nooit in handen gehad. Ik heb hem niet gedood, Min. Eén onschuldige van wie ik dacht dat ik hem gedood had, leeft nog. Dat is al iets. Een klein iets. Maar het helpt.’
Ze liep met hem mee naar hun kamers, er tevreden mee om – voorlopig – te delen in zijn warme gevoel van vreugde en opluchting.
33
Lekkere soep
Siuans soep was verrassend lekker.
Ze nam nog een hapje en trok haar wenkbrauw op. Het was eenvoudige kost – vleesnat met groenten en wat stukjes kip -maar als het meeste voedsel in het beste geval muf smaakte, dan leek dit een wonder. Ze proefde het broodje dat erbij lag. Geen kalanders? Heerlijk!
Nynaeve zweeg nu, ook met een dampende kom voor zich. Ze was net verheven en had eerder die dag de geloften afgelegd. Ze zaten in de werkkamer van de Amyrlin, met de luiken open zodat het gouden licht kon binnenkomen, en er lagen nieuwe groene en goudkleurige kleden op de vloer.
In stilte berispte Siuan zichzelf omdat ze zich had laten afleiden door de soep. Nynaeves verslag moest overpeinsd worden. Ze had gesproken over haar tijd bij Rhand Altor, en vooral over gebeurtenissen zoals het wegnemen van de smet. Natuurlijk had Siuan wel gehoord dat saidin was gezuiverd; een Asha’man had het kamp van de opstandelingen bezocht. Ze was er sceptisch over gebleven, maar nu viel het moeilijk te ontkennen.
‘Nou,’ zei de Amyrlin, ‘ik ben heel blij met deze langere uitleg, Nynaeve. Het feit dat saidin is gereinigd, maakt het minder onrustbarend te denken aan Asha’man en Aes Sedai die elkaar binden. Ik wou dat Rhand daarover met me had willen praten tijdens onze ontmoeting.’ Ze zei het op vlakke toon, maar Siuan wist dat ze net zomin blij was met het gegeven van mannen die vrouwen bonden als een scheepskapitein met brand in zijn ruim.
‘Dat zal wel,’ zei Nynaeve met omlaag gebogen mondhoeken. ‘Als het uitmaakt, Rhand was het er niet mee eens dat de mannen vrouwen bonden.’
‘Dat maakt niet uit,’ zei Egwene. ‘De Asha’man zijn zijn verantwoordelijkheid.’
‘Net zoals de Aes Sedai die hem hadden geketend en geslagen de jouwe zijn, Moeder?’ vroeg Nynaeve.
‘Een erfenis van Elaida, misschien,’ zei Egwene, en ze kneep haar ogen een heel klein beetje samen.
Het is goed dat ze Nynaeve terug heeft gehaald, dacht Siuan, die nog een hapje soep nam. Ze kiest veel te vaak zijn kant. Nynaeve zuchtte en pakte haar lepel op om aan haar soep te beginnen. ‘Ik bedoelde dat niet als uitdaging, Moeder. Ik wil je alleen laten zien hoe hij denkt. Licht! Ik heb geen goed woord over voor veel van wat hij heeft gedaan, vooral de laatste tijd. Maar ik begrijp wel hoe hij ertoe gekomen is.’
‘Maar hij is wel veranderd,’ zei Siuan peinzend. ‘Dat zei je zelf.’
‘Ja,’ antwoordde Nynaeve. ‘De Aiel zeggen dat hij de dood heeft omhelsd.’
‘Dat heb ik ook van hen gehoord,’ zei Egwene. ‘Maar ik heb in zijn ogen gekeken, en er is nog iets anders veranderd, iets onverklaarbaars. De man die ik zag...’
‘Dat leek je niet iemand die Natrins Terp zou vernietigen?’ Siuan huiverde toen ze daaraan terugdacht.
‘De man die ik zag, zou zo’n plek niet hoeven vernietigen,’ zei Egwene. ‘Degenen die er woonden, zouden hem gewoon volgen. Zich aan zijn wensen onderwerpen. Omdat hij bestond.’ De drie zwegen.
Egwene schudde haar hoofd en nam een hapje soep. Ze zweeg even, en toen glimlachte ze. ‘Nou, de soep is heel lekker. Misschien is alles niet zo slecht als ik dacht.’
‘De ingrediënten komen uit Caemlin,’ merkte Nynaeve op. ‘Ik heb de keukenmeiden horen praten.’
‘O.’
Meer stilte.
‘Moeder,’ zei Siuan behoedzaam, ‘de vrouwen zijn nog altijd ongerust over de moorden in de Toren.’
‘Dat is ook mijn indruk, Moeder,’ vulde Nynaeve aan. ‘Zusters staren elkaar vol wantrouwen aan. Het baart me zorgen.’
‘Dat hebben jullie allebei al eens eerder gezien,’ zei Egwene. ‘Onder Elaida’s bewind.’
‘Als het erger was dan dit,’ zei Nynaeve, ‘dan ben ik blij dat ik dat niet heb gezien.’ Ze keek naar haar Grote Serpent-ring. Dat deed ze de laatste tijd vaak. Zoals een visser met een nieuwe boot vaak naar de haven keek en glimlachte. Ondanks haar aandringen dat ze al een Aes Sedai was, en ondanks het feit dat ze die ring nu al een hele tijd droeg, was ze overduidelijk blij dat ze de beproeving had doorstaan en de geloften had afgelegd.
‘Het was vreselijk,’ zei Egwene. ‘En ik ben niet van zins het weer zover te laten komen. Siuan, het plan moet in werking worden gesteld.’ Siuan trok een gezicht. ‘Ik heb de anderen onderwezen. Maar dit lijkt me niet verstandig, Moeder. Ze hebben nog nauwelijks geoefend.’
‘Waar gaat dit over?’ vroeg Nynaeve.
‘Aes Sedai,’ zei Egwene. ‘Zorgvuldig uitgekozen en voorzien van droom-ter’angrealen. Siuan maakt ze wegwijs in Tel’aran’rhiod.’
‘Moeder, die plek is gevaarlijk.’
Egwene nam nog een hapje soep. ‘Ik geloof dat ik dat beter weet dan wie ook. Maar het Is nodig; we moeten de moordenaars uit hun tent lokken. Ik zal een “geheime” ontmoeting regelen met mijn trouwste Aes Sedai, in de Wereld der Dromen, en misschien aanwijzingen achterlaten dat er nog andere belangrijke mensen bij zullen zijn. Siuan, heb je de Windvindsters gesproken?’
‘Ja,’ zei Siuan. ‘Maar ze willen weten wat het ze oplevert als ze instemmen met een ontmoeting.’
‘De lening van droom-ter’angrealen moet maar genoeg zijn,’ antwoordde Egwene droogjes. ‘Niet alles hoeft tot een overeenkomst te leiden.’
‘Voor hen vaak wel,’ zei Nynaeve. ‘Maar dat doet er niet toe. Wil je Windvindsters meenemen naar die bespreking om Mesaana te lokken?’
‘Niet helemaal,’ zei Egwene. ‘Ik ontmoet de Windvindsters op hetzelfde tijdstip, maar op een andere plek. En ook enkele Wijzen. Voldoende om bij Mesaana de indruk te wekken – als ze althans de andere groepen vrouwen die kunnen geleiden in de gaten laat houden door verspieders – dat ze écht wil horen wat we die dag in Tel’aran’rhiod uitvoeren.
Jij en Siuan houden een bespreking in de Zaal van de Toren, maar dat is een afleiding om Mesaana of haar volgelingen uit hun schuilplaats te lokken. Met bannen – en enkele zusters die toekijken vanaf verborgen plekken – kunnen we hen in de val laten lopen. Siuan laat me roepen zodra de valstrik is dichtgeklapt.’ Nynaeve fronste haar voorhoofd. ‘Het is een goed plan, op één ding na. Het bevalt me niet dat jij in gevaar zult zijn, Moeder. Laat mij dit gevecht aanvoeren. Ik kan het wel aan.’