Выбрать главу

Egwene keek Nynaeve onderzoekend aan, en Siuan zag iets van de echte Egwene. Nadenkend. Stoutmoedig maar berekenend. Ze zag ook Egwenes vermoeidheid, de last van de verantwoordelijkheid. Siuan kende dat gevoel goed.

‘Ik geef toe dat je zorgen gerechtvaardigd zijn,’ zei Egwene. ‘Sinds ik me buiten Tar Valon heb laten vangen door Elaida’s handlangers, vraag ik me al af of ik er te rechtstreeks bij betrokken ben, te rechtstreeks in gevaar.’

‘Dat bedoel ik,’ zei Nynaeve.

‘Maar,’ zei Egwene, ‘het eenvoudige feit blijft dat ik van ons allemaal het meest deskundig ben waar het Tel’aran’rhiod aangaat. Jullie twee zijn goed, dat wel, maar ik heb meer ervaring. In dit geval ben ik niet alleen de leidster van de Aes Sedai, ik ben een middel dat de Witte Toren moet gebruiken.’ Ze aarzelde. ‘Ik heb dit Gedroomd, Nynaeve. Als we Mesaana hier niet verslaan, is alles misschien wel verloren. Dan is alles verloren. Dit is geen tijd om onze hulpmiddelen op het schap te laten liggen, hoe waardevol ze ook zijn.’ Nynaeve reikte naar haar vlecht, maar die kwam nu niet eens meer tot op haar schouders. Ze knarsetandde. ‘Je hebt misschien gelijk, maar het bevalt me niet.’

‘De Droomlopers van de Aiel,’ zei Siuan. ‘Moeder, je zei dat je hen zou ontmoeten. Zouden zij bereid zijn te helpen? Ik zou me veel geruster voelen als je het gevecht in ging terwijl zij in de buurt waren om een oogje in het zeil te houden.’

‘Ja,’ zei Egwene. ‘Dat is een goed voorstel. Ik zal contact met hen opnemen voordat we elkaar ontmoeten en het hun vragen, gewoon voor de zekerheid.’

‘Moeder,’ zei Nynaeve. ‘Misschien kan Rhand...’

‘Dit is een zaak van de Toren, Nynaeve,’ zei Egwene. ‘Wij handelen dit af.’

‘Zoals je wilt.’

‘Zo,’ vervolgde Egwene, ‘en nu moeten we kijken hoe we de juiste geruchten kunnen verspreiden, zodat Mesaana het niet zal kunnen weerstaan om te komen afluisteren...’

Perijn belandde rennend in de nachtmerrie. De lucht boog zich om hem heen en de huizen in de stad – deze keer de Cairhiense bouwstijl met platte daken – verdwenen. De weg werd zacht onder zijn voeten, als modder, en veranderde vervolgens in vloeistof.

Hij belandde met een plons in zee. Alweer water, dacht hij geërgerd. Dieprode bliksems knetterden langs de hemel en wierpen strepen bloedrood licht over het water. Elke uitbarsting onthulde schimmige wezens die zich verborgen onder de golven. Reusachtige dingen, kwaadaardig en kronkelend in de schokkerige rode bliksems. Mensen klemden zich vast aan de brokstukken van wat een schip was geweest, schreeuwend van angst en roepend naar naasten. Mannen op gebroken planken, vrouwen die probeerden hun zuigelingen boven water te houden terwijl torenhoge golven over hen heen braken, en lijken die ronddobberden als zakken graan. De dingen onder de golven sloegen toe, gristen mensen weg van het wateroppervlak en sleurden ze de diepte in met gespetter van vinnen en fonkelende, vlijmscherpe tanden. Het water borrelde al snel rood op, en deze keer niet door de bliksem.

Wie deze nachtmerrie ook had, hij had een bijzonder verknipte verbeelding.

Perijn weigerde zich erin mee te laten trekken. Hij onderdrukte zijn angst en zwom niet naar de planken toe. Het is niet echt. Het is niet echt. Het is niet echt, bleef hij zich voorhouden. Ondanks dit besef wist een deel van hem zeker dat hij hier zou sterven. In dit verschrikkelijke, bloederige water. Het gekerm van de anderen bestookte hem en hij wilde hen dolgraag helpen. Ze waren niet echt, dat wist hij. Alleen maar verzinsels. Maar het viel hem zwaar. Perijn begon op te stijgen uit het water en de golven veranderden weer in aarde. Maar hij slaakte een kreet toen er iets langs zijn been streek. De bliksem knetterde en doorboorde de lucht. Een vrouw naast hem verdween onder de golven, omlaag getrokken door ongeziene kaken. In paniek lag Perijn ineens weer in het water, drijvend op een totaal andere plek, met één arm over een stuk wrakhout geslagen.

Dit gebeurde soms. Als hij heel even twijfelde – als hij zichzelf toestond de nachtmerrie als iets echts te beschouwen – dan trok die hem naar binnen en bewoog hem daadwerkelijk om hem in te passen in het afschrikwekkende mozaïek van de droom. Vlakbij bewoog iets in het water, en hij zwom geschrokken weg. Een golf tilde hem de lucht in.

Het is niet echt. Het is niet echt. Het is niet echt.

Het water was zo koud. Iets raakte zijn been weer aan en hij schreeuwde, maar zijn schreeuw brak af toen hij een mond vol zout water binnen kreeg.

HET IS NIET ECHT!

Hij was in Cairhien, vele roeden van de zee. Dit was een straat. Harde stenen onder zijn voeten. De geur van gebakken brood uit een bakkerij verderop. Langs de straat stonden essen met dunne stammen.

Met een schreeuw hield hij zich vast aan die wetenschap zoals de mensen om hem heen zich vasthielden aan de brokstukken. Perijn balde zijn handen tot vuisten en concentreerde zich op de werkelijkheid.

Er lagen keien onder zijn voeten. Geen golven. Geen water. Geen tanden en vinnen. Langzaam rees hij weer uit het water op. Hij stapte eruit en zette zijn voet op het oppervlak, dat stevig aanvoelde onder zijn laars. De andere laars volgde. Hij stond op een kleine, drijvende schijf van stenen.

Iets reusachtigs kwam links van hem het water uit, een gigantisch beest dat deels vis, deels monster was, met een muil zo groot dat een man er rechtop in kon staan. Zijn tanden waren zo groot als Perijns hand, en ze glinsterden en dropen van het bloed. Het was niét echt.

Het schepsel ontplofte in mist. De druppels raakten Perijn en droogden meteen. Rondom hem begon de nachtmerrie te vervormen, een bel van werkelijkheid die zich vanuit hem verspreidde. Donkere lucht, koude golven, schreeuwende mensen, alles liep als natte verf door elkaar heen.

Er was geen bliksem; hij zag het niét door zijn oogleden. Er was geen donder. Hij hoorde géén gerommel in de lucht. Er waren geen golven, niet midden in het door land omgeven Cairhien. Perijn deed zijn ogen open en de hele nachtmerrie brak aan stukken en verdween als een laagje vorst onder een lentezonnetje. De gebouwen verschenen weer, de straat kwam terug, de golven verdwenen. De hemel werd weer die kolkende zwarte storm. Bliksem, fel en wit, schoot door de wolken, maar er klonk geen gedonder. Springer zat een stukje verderop op straat. Perijn liep naar de wolf toe. Hij had meteen naar hem toe kunnen springen, natuurlijk, maar hij wilde niet alles op de gemakkelijke manier doen. Dat zou hem opbreken als hij terugkeerde naar de echte wereld.

Je wordt sterk, Jonge Stier, zei Springer goedkeurend.

‘Het kost me nog steeds te veel tijd,’ zei Perijn, achteromkijkend. ‘Elke keer als ik er binnenga, duurt het enkele minuten voordat ik de omgeving beheers. Ik moet sneller zijn. In een strijd tegen Slachter kunnen een paar minuten een eeuwigheid zijn.’

Hij zal niet zo sterk zijn als deze dromen.

‘Maar nog altijd sterk genoeg,’ antwoordde Perijn. ‘Hij heeft jaren de tijd gehad om te leren de wolfsdroom te beheersen. Ik ben net begonnen.’

Springer lachte. Jonge Stier, je begon al toen je hier de eerste keer kwam.

‘Ja, maar ik ben mijn oefeningen pas een paar weken geleden begonnen.’

Springer bleef lachen. Ergens had hij gelijk. Perijn had zich inderdaad twee jaar lang voorbereid en ’s nachts de wolfsdroom bezocht. Maar hij moest nog altijd leren zoveel hij kon. Eigenlijk was hij blij met het uitstel van de rechtszitting.

Maar hij kon het niet te lang uitstellen. De Laatste Jacht was aangebroken. Veel wolven renden naar het noorden; Perijn voelde hen langskomen. Ze trokken naar de Verwording, naar de Grenslanden. Ze gingen zowel in de echte wereld als in de wolfsdroom die kant op, maar de wolven hier verplaatsten zich er niet rechtstreeks naartoe. Ze renden erheen, in roedels.