Hij voelde aan dat Springer ernaar verlangde zich bij hen aan te sluiten. Maar hij bleef achter, net als sommige andere wolven. ‘Kom mee,’ zei Perijn. ‘We zoeken een volgende nachtmerrie op.’
De Rozenmars stond in bloei.
Dat was ongelooflijk. Maar weinig andere planten hadden gebloeid in deze verschrikkelijke zomer, en daarna waren ze meteen verwelkt. Maar de Rozenmars bloeide uitbundig, en honderden rode wolken wikkelden zich rond de rekken in de tuin. Hongerige insecten zoemden van bloem naar bloem, alsof elke bij in de stad hierheen was gekomen om zich te voeden.
Gawein hield afstand van de insecten, maar de geur van de rozen was zo doordringend dat hij het gevoel had erin te baden. Als hij terugkwam van zijn wandeling zou zijn kleding er waarschijnlijk nog uren naar blijven ruiken.
Elayne was in gesprek met enkele raadgevers op een van de bankjes bij een kleine vijver met waterlelies. Haar zwangerschap was nu zichtbaar, en ze zag er stralend uit. Haar goudblonde haar weerkaatste het zonlicht als een spiegel; op dat haar leek de Rozenkroon van Andor bijna flets.
Ze had het tegenwoordig vaak druk. Hij had fluisteringen gehoord over de wapens die ze liet maken, die waarvan ze dacht dat ze net zo krachtig konden zijn als gevangen damane. De klokkengieters in Caemlin werkten dag en nacht door, voor zover hij had gehoord.
Caemlin bereidde zich voor op een oorlog, en het gonsde van de activiteiten in de stad. Ze had niet vaak tijd voor hem, hoewel hij blij was met de ogenblikken die hij kreeg.
Ze glimlachte naar hem toen hij naderde en maakte zich even los van haar begeleiders. Ze liep naar hem toe en gaf hem een kus vol genegenheid op zijn wang. ‘Je ziet er bedrukt uit.’
‘Dat heb ik de laatste tijd wel vaker,’ zei hij. ‘Jij ziet er verstrooid uit.’
‘Dat heb ik de laatste tijd wel vaker,’ antwoordde ze. ‘Er is altijd te veel te doen en ik kom handen te kort.’
‘Als je soms...’
‘Nee,’ zei ze, en ze pakte zijn arm. ‘Ik moet met je praten. En ik heb gehoord dat een dagelijkse wandeling door de tuin goed is voor mijn gestel.’
Gawein glimlachte en ademde de geur van rozen en vijvermodder in. De geuren van het leven. Hij keek naar de lucht terwijl ze liepen. ‘Ongelooflijk hoeveel zon we hier hebben gehad. Ik had mezelf er al bijna van overtuigd dat die aanhoudende duisternis iets onnatuurlijks was.’
‘O, dat is het waarschijnlijk ook,’ zei ze achteloos. ‘Een week geleden is het wolkendek boven Caemlin gebroken, maar nergens anders in Andor.’
‘Maar... hoe kan dat?’
Ze glimlachte. ‘Rhand. Iets wat hij heeft gedaan. Hij was op de Drakenberg, denk ik. En toen...’
Ineens leek de dag duisterder. ‘Alweer die Altor,’ snauwde Gawein. ‘Hij volgt me zelfs hiernaartoe.’
‘Zélfs hier?’ vroeg ze vermaakt. ‘Ik meen me te herinneren dat we hem hier in de tuin voor het eerst ontmoetten.’ Gawein reageerde daar niet op. Hij keek naar het noorden, naar de hemel in die richting. Daar hingen onheilspellende donkere wolken. ‘Hij is de vader, hè?’
‘Als hij dat was,’ zei Elayne zonder haperen, ‘dan zou het verstandiger zijn om dat feit verborgen te houden, nietwaar? De Kinderen van de Herrezen Draak zullen doelwitten zijn.’
Gawein voelde zich misselijk. Hij had het al vermoed zodra hij had ontdekt dat ze in verwachting was. ‘Het Licht verzenge me,’ grauwde hij. ‘Elayne, hoe kón je? Na wat hij onze moeder heeft aangedaan!’
‘Hij heeft haar niets aangedaan,’ zei Elayne. ‘Ik kan de ene na de andere getuige oproepen die dat zal bevestigen, Gawein. Moeder verdween vóórdat Rhand Caemlin bevrijdde.’ Ze had een tedere blik in haar ogen toen ze over hem sprak. ‘Er gebeurt iets met hem. Ik voel het. Ik voel hem veranderen. Dingen zuiveren. Hij houdt de wolken op afstand en laat de rozen bloeien.’
Gawein trok zijn wenkbrauw op. Ze dacht dat de rozen bloeiden vanwege Altor? Nou ja, de liefde kon iemand vreemde gedachten geven, en als de betreffende man de Herrezen Draak was, viel wat gebrek aan werkelijkheidszin misschien te verwachten. Ze naderden het steigertje aan de vijver. Hij herinnerde zich nog dat hij daar als kind gezwommen had en er een standje voor had gekregen. Niet van zijn moeder, maar van Galad, hoewel zijn moeder hem wel streng en teleurgesteld had aangekeken. Hij had nooit aan iemand verteld dat hij alleen maar in het water lag omdat Elayne hem erin had geduwd.
‘Dat vergeet je nooit meer, of wel?’ vroeg Elayne.
‘Wat?’ zei hij.
‘Je dacht aan die keer toen je in de vijver viel tijdens moeders bespreking met Huis Farah.’
‘Viel? Jij duwde me!’
‘Helemaal niet,’ zei Elayne nuffig. ‘Je was aan het pochen, stond boven op de palen.’
‘En jij schudde aan de steiger.’
‘Ik stapte erop,’ zei Elayne. ‘Krachtig. Ik ben een krachtige persoon. Ik heb een krachtige tred.’
‘Een krachtige... Dat is een regelrechte leugen!’
‘Nee, alleen maar een creatieve weergave van de waarheid. Ik ben nu Aes Sedai. Het is een gave van ons. Ga je me nu nog op die vijver rondvaren, of hoe zit dat?’
‘Moet ik... jou rondvaren? Hoe komen we daar ineens op?’
‘Zomaar. Heb je niet geluisterd?’
Gawein schudde onthutst zijn hoofd. ‘Best.’ Achter hen vatten enkele gardevrouwen post. Ze waren altijd in de buurt, vaak onder leiding van de lange vrouw die dacht te lijken op de Birgitte uit de verhalen. En misschien leek ze ook wel een beetje op haar; ze had in ieder geval dezelfde naam, en ze was de kapitein-generaal. Bij de wachters sloten zich steeds meer bedienden en boodschappers aan. De Laatste Slag naderde, Andor bereidde zich voor, en helaas behoefden veel van die voorbereidingen Elaynes aandacht. Hoewel Gawein wel een merkwaardig verhaal had gehoord over hoe Elayne een week geleden met bed en al de stadsmuur op was gedragen. Tot nu toe had hij haar nog niet kunnen ontfutselen of het waar was of niet.
Hij zwaaide naar Birgitte, die boos naar hem keek terwijl hij met Elayne naar het roeibootje in de vijver liep. ‘Ik beloof dat ik haar niet in het water smijt,’ riep Gawein. Toen voegde hij er binnensmonds aan toe: ‘Hoewel ik misschien wel “krachtig” roei, waardoor we omslaan.’
‘O, hou toch je mond,’ zei Elayne, die in het bootje plaatsnam. ‘Vijverwater is vast niet goed voor mijn kinderen.’
‘Over je kinderen gesproken,’ zei Gawein, die met zijn voet de boot afduwde en erin stapte. Het vaartuigje wiebelde vervaarlijk toen hij ging zitten. ‘Moet je niet eigenlijk wandelen voor je “gestel”?’
‘Ik zeg wel tegen Melfane dat ik de mogelijkheid moest aangrijpen om mijn ontaarde broer tot inkeer te laten komen. Je kunt van alles maken als je iemand eens flink een veeg uit de pan geeft.’
‘En dat ga je bij mij doen? Me een veeg uit de pan geven?’
‘Niet per se.’ Haar stem klonk bedrukt. Gawein stak de roeiriemen door de ogen en liet ze in het water glijden. De vijver was niet groot, amper groot genoeg om er een bootje in te leggen, maar het had iets sereens om op het water te zijn, te midden van de schaatsenrijders en vlinders.
‘Gawein,’ zei Elayne, ‘waarom ben je naar Caemlin gekomen?’
‘Het is mijn thuis,’ zei hij. ‘Waarom zou ik hier niet komen?’
‘Ik was ongerust over je tijdens het beleg. Ik had je wel bij de gevechten kunnen gebruiken. Maar toen kwam je niet.’
‘Dat heb ik al uitgelegd, Elayne! Ik zat verstrikt in de politiek van de Witte Toren, niet te vergeten dat er een dik pak sneeuw lag. Het steekt me dat ik niet kon helpen, maar die vrouwen hadden hun klauwen in me geslagen.’
‘Ik ben ook een van “die vrouwen”, weet je.’ Ze stak haar hand op, met de Grote Serpent-ring om haar vinger.
‘Jij bent anders,’ zei Gawein. ‘Maar je hebt gelijk. Ik had hier moeten zijn. Ik weet alleen niet hoe ik me verder nog kan verontschuldigen.’