Выбрать главу

‘Ik... Dank je,’ zei hij, hoewel hij niet zeker wist of hij dankbaar was. Het klonk te veel als Egwenes aandringen dat hij haar deur niet hoefde te bewaken.

Elayne kneep nog eens in zijn hand, draaide zich om en liep naar haar medewerkers toe. Gawein zag dat ze rustig met hen sprak. Ze leek met de dag vorstelijker te worden; ze was net een bloem die tot bloei kwam. Hij wenste dat hij vanaf het begin in Caemlin was geweest om het allemaal mee te maken.

Hij merkte dat hij glimlachte toen hij zich omdraaide om verder te lopen over de Rozenmars. Zijn spijt had moeite stand te houden na die gezonde dosis optimisme van Elayne. Alleen zij kon een man voor afgunstig uitmaken en hem er een goed gevoel bij geven. Hij liep door de bloemengeuren en voelde de zon in zijn nek. Hij kwam langs de plekken waar hij en Galad als kinderen hadden gespeeld en dacht aan zijn moeder die door deze tuinen had gewandeld met Brin. Hij herinnerde zich haar zorgvuldige lessen als hij een misstap beging, en haar glimlach als hij zich gedroeg zoals het een prins betaamde. Haar glimlach was altijd net een zonsopgang voor hem geweest.

Deze plek was zij. Zij leefde voort in Caemlin, in Elayne – die met het uur meer op haar ging lijken – en in de veiligheid en kracht van het volk van Andor. Hij bleef bij de vijver staan, op de plek waar Galad hem als kind van de verdrinkingsdood had gered. Misschien had Elayne wel gelijk. Misschien had Altor niets te maken gehad met Morgases dood. Zo wel, dan kon Gawein het toch nooit bewijzen. Maar dat maakte niet uit. Rhand Altor was al veroordeeld om te sterven bij de Laatste Slag, dus waarom zou hij die man blijven haten?

‘Ze heeft gelijk,’ fluisterde Gawein, kijkend naar de vliegjes die boven het wateroppervlak dansten. ‘We zijn klaar, Altor. Van nu af aan geef ik niets meer om jou.’

Het voelde alsof er een zware last van zijn schouders viel. Gawein slaakte een diepe, ontspannen zucht. Pas nu Elayne hem had bevrijd, besefte hij hoe schuldig hij zich had gevoeld over zijn afwezigheid uit Andor. Dat was nu ook weg.

Tijd om zich op Egwene te richten. Hij reikte in zijn zak, haalde het mes van de sluipmoordenaar eruit en hield het omhoog in het zonlicht, kijkend naar die rode stenen. Hij had inderdaad de plicht om Egwene te beschermen. En wat dan nog als ze tegen hem tekeerging, een hekel aan hem kreeg en hem verbande? Zou het niet alle straf waard zijn als hij haar in leven wist te houden? ‘Bij het graf van mijn moeder,’ zei een scherpe stem achter hem. ‘Hoe komt u daar aan?’

Gawein draaide zich om. De vrouwen die hij eerder had gezien, stonden achter hem op het pad. Dimana stond vooraan, met grijs in haar haren en rimpeltjes om haar ogen. Moest het werken met de Kracht die ouderdomsverschijnselen eigenlijk niet tegengaan? Er waren nog twee vrouwen bij haar. Een van hen was een mollige jonge vrouw met zwart haar, de andere een kloeke vrouw van middelbare leeftijd. De tweede was degene die had gesproken; ze had grote, onschuldige ogen die vol afgrijzen naar hem keken. ‘Wat is er, Marille?’ vroeg Dimana.

‘Dat mes,’ zei Marille, wijzend naar Gaweins hand. ‘Marille heeft er al eerder zo een gezien!’

‘fk heb zoiets eerder gezien,’ verbeterde Dimana. ‘Je bent een mens, geen ding.’

‘Ja, Dimana. Verontschuldigingen, Dimana. Marille... ik zal het niet nog eens doen, Dimana.’

Gawein trok zijn wenkbrauw op. Wat mankeerde die jonge vrouw? ‘Vergeef haar, heer,’ zei Dimana. ‘Marille is lange tijd damane geweest en heeft moeite zich aan te passen.’

‘Ben je Seanchaans?’ vroeg Gawein. Natuurlijk. Hij had haar tongval moeten herkennen.

Marille knikte gretig. Een voormalige damane. Gawein verkilde. Die vrouw was opgeleid om te doden met de Kracht. De derde vrouw bleef zwijgen, toekijkend met nieuwsgierige ogen. Zij leek niet zo onderdanig.

‘We kunnen beter doorlopen,’ zei Dimana. ‘Het is niet goed voor haar om te worden herinnerd aan Seanchan. Kom, Marille. Het is maar een ding dat heer Trakand in de strijd heeft gewonnen, vermoed ik.’

‘Nee, wacht,’ zei Gawein, en hij stak zijn hand op. ‘Herken je dit mes?’

Marille keek naar Dimana alsof ze toestemming vroeg om te antwoorden. De Kinsvrouw knikte gelaten.

‘Het is een Bloedmes, heer,’ antwoordde Marille. ‘U hebt het niet in de strijd gewonnen, want niemand kan Bloedmessen verslaan. Ze zijn onhoudbaar. Ze sneuvelen pas wanneer hun eigen bloed zich tegen hen keert.’

Gawein fronste zijn voorhoofd. Wat was dit voor onzin? ‘Dus dit is een Seanchaans wapen?’

‘Ja, heer,’ antwoordde Marille. ‘Het wapen van de Bloedmessen.’

‘Ik dacht dat je zei dat dit een Bloedmes was.’

‘Dat is het ook, maar degenen die ze gebruiken heten ook zo. Gehuld in de nacht, gestuurd door de Keizerin – moge ze eeuwig leven – om haar vijanden te doden en te sterven voor haar naam en roem.’ Marille sloeg haar blik nog verder neer. ‘Marille spreekt te veel. Het spijt haar.’

‘Het spijt mij,’ zei Dimana, met enige ergernis in haar stem. ‘Het spijt mij,’ herhaalde Marille.

‘Dus die... Bloedmessen,’ zei Gawein, ‘dat zijn Seanchaanse moordenaars?’ Hij voelde een diepe kilte. Hadden ze misschien zelfmoordtroepen achtergelaten om Aes Sedai te vermoorden? Ja. Dat kon best. De moordenaar was géén Verzaker.

‘Ja, heer,’ zei Marille. ‘Ik heb zo’n mes in de kamer van mijn meesteres zien hangen; het was van haar broer geweest, die het met eer had gedragen tot zijn bloed zich tegen hem keerde.’

‘Zijn familie?’

‘Nee, zijn bloed.’ Marille kromp nog verder ineen. ‘Vertel me over hen,’ beval Gawein haar indringend. ‘Gehuld in de nacht,’ zei Marille, ‘gestuurd door de Keizerin – moge ze eeuwig leven – om haar vijanden te doden en te sterven voor...’

‘Ja, ja,’ zei Gawein. ‘Dat heb je al verteld. Welke methoden gebruiken ze? Hoe verstoppen ze zich zo goed? Wat weet je over hoe zo’n moordenaar toeslaat?’

Marille kromp bij elke vraag dieper ineen en begon te jammeren. ‘Heer Trakand!’ zei Dimana. ‘Houd u in.’

‘Marille weet niet veel,’ zei de damane. ‘Het spijt Marille. Straf haar alstublieft omdat ze niet beter luistert.’

Gawein bond in. De Seanchanen behandelden hun damane nog slechter dan dieren. Marille had vast niets specifieks gehoord over waar die Bloedmessen toe in staat waren. ‘Waar heb je deze damane vandaan?’ vroeg Gawein. ‘Zijn er Seanchaanse soldaten gevangengenomen? Ik moet er een spreken; bij voorkeur een officier.’ Dimana tuitte haar lippen. ‘Deze zijn gevonden in Altara, en alleen de damane zijn naar ons toe gestuurd.’

‘Dimana,’ zei de andere vrouw. Zij had geen Seanchaanse tongval. ‘En de sul’dam? Kaisea is van het lagere Bloed.’ Dimana fronste haar voorhoofd. ‘Kaisea is... onbetrouwbaar.’

‘Alsjeblieft,’ smeekte Gawein. ‘Dit zou levens kunnen redden.’

‘Goed dan,’ zei Dimana. ‘Wacht hier. Ik ga haar halen.’ Ze nam de twee vrouwen mee naar het paleis en liet Gawein ongerust wachten. Even later keerde Dimana terug, gevolgd door een lange vrouw in een lichtgrijs gewaad zonder borduursel of riem. Haar lange zwarte haar was gevlochten, en ze leek vastbesloten om exact één stap achter Dimana te blijven; iets wat de Kinsvrouw dwarszat, omdat ze probeerde een oogje op de vrouw te houden.

Ze kwamen bij Gawein aan en de sul’dam – hoe ongelooflijk ook -liet zich op haar knieën zakken en wierp zich op het pad, met haar voorhoofd op de grond. Haar buiging had een lenige sierlijkheid, maar om een of andere reden kreeg Gawein het gevoel dat hij werd bespot.

‘Heer Trakand,’ zei Dimana, ‘dit is Kaisea. Of althans, zo wil ze met alle geweld dat we haar nu noemen.’

‘Kaisea is een gehoorzame bediende,’ zei de vrouw vlak.

‘Sta op,’ beval Gawein. ‘Wat doe je?’

‘Kaisea heeft gehoord dat u de broer van de koningin bent. U bent dus van het Bloed van dit rijk, en ik ben een nederige damane.’

‘Damane? Je bent sul’dam.’

‘Niet meer,’ weersprak de vrouw. ‘Ik moet de halsband om, heer.

Wilt u zorgen dat dat gebeurt? Kaisea is gevaarlijk.’