Выбрать главу

Dimana knikte opzij om aan te geven dat ze hem even onder vier ogen wilde spreken. Gawein liep samen met haar een stukje over de Rozenmars en liet Kaisea op de grond achter.

‘Is ze een sul’dam?’ vroeg Gawein. ‘Of is ze een damane?’

‘Alle sul’dam kunnen leren geleiden,’ legde Dimana uit. ‘Elayne denkt dat dat feit hun hele cultuur zal ondermijnen als het bekend wordt, dus heeft ze ons aan het werk gezet om de sul’dam te leren omgaan met hun vermogens. Velen weigeren toe te geven dat ze de wevingen kunnen zien, maar een paar zijn eerlijk tegen ons geweest. Allemaal dringen ze erop aan dat ze damane moeten worden gemaakt.’

Ze knikte in de richting van Kaisea. ‘Zij is het lastigst. We denken dat ze met opzet de wevingen leert, zodat ze een “ongelukje” kan veroorzaken en onze eigen redenering tegen ons kan gebruiken. Als ze iets gewelddadigs doet met de Ene Kracht, kan ze beweren dat het verkeerd van ons was om haar vrijheid te geven.’ Een vrouw die kon worden opgeleid om te doden met de Ene Kracht, die niet gebonden was aan de Drie Geloften, én die vastbesloten was om te bewijzen dat ze gevaarlijk was? Er liep een rilling over Gaweins rug.

‘We zorgen er meestal voor dat ze wat dolkwortel in haar lijf heeft,’ zei Dimana. ‘Ik vertel u dit niet om u ongerust te maken, maar om u te waarschuwen dat haar uitspraken en handelen mogelijk onbetrouwbaar zijn.’ Gawein knikte. ‘Dank je.’

Dimana nam hem mee terug, en de sul’dam bleef op de grond liggen. ‘Hoe kan Kaisea u dienen, heer?’ Haar gedrag leek wel een parodie van Marilles onderdanigheid. Wat Gawein eerst had aangezien voor spot, was dat helemaal niet; het waren de hortende pogingen van een hooggeborene om een laaggeplaatste na te doen. ‘Heb je zo’n ding wel eens gezien?’ vroeg Gawein achteloos, terwijl hij het Bloedmes tevoorschijn haalde.

Kaisea zoog hoorbaar adem naar binnen. ‘Hoe komt u daaraan? Wie heeft het u gegeven?’ Ze kromp bijna meteen ineen, alsof ze besefte dat ze uit haar rol was gevallen.

‘Een moordenaar probeerde me ermee te doden,’ zei Gawein. ‘We vochten, en hij ontsnapte.’

‘Dat is onmogelijk, heer,’ zei de Seanchaanse vrouw, die haar stem weer in bedwang had.

‘Hoezo?’

‘Als u tegen een Bloedmes had gevochten, zou u dood zijn. Ze zijn de vaardigste moordenaars in het hele Keizerrijk. Ze vechten meedogenlozer dan wie ook, omdat ze toch al dood zijn.’

‘Zelfmoordtroepen.’ Gawein knikte. ‘Heb je inlichtingen over ze?’ Kaisea’s gezicht vertrok twijfelend.

‘Als ik zorg dat je de halsband om krijgt?’ vroeg Gawein. ‘Geef je dan antwoord?’

‘Heer!’ zei Dimana. ‘De koningin zou dat nooit toestaan!’

‘Ik vraag het haar wel,’ zei Gawein. ‘Ik kan niet beloven dat je beteugeld wordt, Kaisea, maar ik kan wel beloven dat ik een goed woordje voor je doe bij de koningin.’

‘U bent machtig en sterk, heer,’ zei Kaisea. ‘En heel wijs. Als u dat doet, zal Kaisea uw vraag beantwoorden.’ Dimana keek Gawein woest aan.

‘Vertel,’ zei Gawein tegen de sul’dam.

‘Bloedmessen leven niet lang,’ zei Kaisea. ‘Als ze eenmaal een taak hebben gekregen, rusten ze niet meer. Ze krijgen vermogens van de Keizerin, moge ze eeuwig leven: ter’angreaal-ringen waardoor ze grote krijgers worden.’

‘Die ringen vervagen hun gestalte,’ zei Gawein, ‘als ze in de buurt van schaduwen zijn.’

‘Ja,’ antwoordde Kaisea, en ze klonk verbaasd dat hij dat wist. ‘Ze zijn niet te verslaan. Maar uiteindelijk doodt hun eigen bloed hen.’

‘Hun eigen bloed?’

‘Ze worden vergiftigd door hun werk. Als ze een taak krijgen, gaan ze vaak niet langer dan een paar weken mee. Op zijn hoogst leven ze nog een maand.’

Gawein stak verontrust het mes omhoog. ‘Dus we hoeven alleen maar te wachten.’

Kaisea lachte. ‘Dat zal niet gebeuren. Voordat ze sterven, voeren ze hun taak uit.’

‘Deze vermoordt langzaam mensen,’ zei Gawein. ‘Elke paar dagen één. Een handvol tot nu toe.’

‘Probeersels,’ besloot Kaisea. ‘Op zoek naar zwakke en sterke punten, uitzoekend waar hij ongezien kan toeslaan. Als er nog maar een paar doden zijn gevallen, dan hebt u nog niet de volledige kracht van het Bloedmes gezien. Hij zal geen “handvol” doden achterlaten, maar tientallen.’

‘Behalve als ik hem tegenhoud,’ zei Gawein. ‘Waar liggen zijn zwakke punten?’

Kaisea lachte weer. ‘Zwakke punten? Heer, had ik niet gezegd dat ze de beste strijders in Seanchan zijn, versterkt en bijgestaan door de gunst van de Keizerin, moge ze eeuwig leven?’

‘Best. Hoe zit het dan met die ter’angreaal? Die helpt de moordenaar als hij in de schaduw staat? Hoe kan ik dat tegengaan? Misschien met een heleboel fakkels?’

‘Er is geen licht zonder schaduw, heer,’ zei de vrouw. ‘Als u meer licht maakt, maakt u ook meer schaduwen.’

‘Er moet iets op te vinden zijn.’

‘Kaisea is ervan overtuigd dat als dat zo is, heer, u het zult vinden.’ De vrouw klonk zelfingenomen. ‘Als Kaisea een voorstel mag doen, heer? Tel uw zegeningen omdat u een gevecht tegen een Bloedmes hebt overleefd. U bent dus niet zijn of haar werkelijke doelwit. Het zou verstandig zijn om u verborgen te houden totdat er een maand is verstreken. Laat de Keizerin – moge ze eeuwig leven – haar wil voltrekken, en zegen de voortekens dat u voldoende waarschuwing hebt gekregen om levend te ontkomen.’

‘Zo is het wel genoeg,’ zei Dimana. ‘Hebt u wat u wilde, heer Trakand?’

‘Ja, dank je,’ zei Gawein verontrust. Hij merkte het amper toen Kaisea opstond en de Kinsvrouw haar wegleidde. Tel uw zegeningen omdat u bet hebt overleefd... u bent dus niet zijn werkelijke doelwit...

Gawein woog het werpmes op zijn hand. Het doelwit was dan kennelijk Egwene. Waarom zouden de Seanchanen anders zo’n krachtig wapen inzetten? Misschien dachten ze dat met haar dood, ook de Witte Toren zou vallen.

Egwene moest worden gewaarschuwd. Al werd ze daarom boos op hem, al ging het tegen alles wat ze wilde in, hij moest haar deze kennis brengen. Het kon haar leven redden.

Hij stond daar nog steeds – overpeinzend hoe hij Egwene moest benaderen – toen een dienares in het rood en wit naar hem toe kwam. Ze had een dienblaadje bij zich met een verzegeld briefomslag erop.

‘Heer Gawein?’

‘Wat is dit?’ vroeg Gawein. Hij pakte de brief en gebruikte het Bloedmes om de bovenkant open te snijden.

‘Uit Tar Valon,’ zei de bediende met een buiging. ‘Hij is door een Poort gekomen.’

Gawein vouwde het dikke vel papier uit. Hij herkende Silviana’s handschrift.

Gawein Trakand, stond er. De Amyrlin was bijzonder ontstemd toen ze over uw vertrek hoorde. U bad geen opdracht om de stad te verlaten. Ze heeft me gevraagd u te vertellen dat u meer dan genoeg tijd hebt gehad om te luieren in Caemlin. Uw aanwezigheid wordt verlangd in Tar Valon, en u dient met spoed terug te keren. Gawein las de brief, en toen nog eens. Egwene schreeuwde tegen hem omdat hij haar plannen in de war gooide, smeet hem zo ongeveer de Toren uit, en was vervolgens ontstemd te horen dat hij de stad had verlaten? Wat verwachtte ze nu eigenlijk van hem? Hij lachte bijna hardop.

‘Heer?’ vroeg de bediende. ‘Wilt u een antwoord sturen?’ Er lag ook papier en een pen op het dienblad. ‘Ze gaven aan dat ze dat verwachtten.’

‘Stuur haar dit maar,’ zei Gawein, die het Bloedmes op het dienblad gooide. Hij was ineens zo boos dat alle gedachten aan terugkeren hem verlieten. Ergerlijk mens!

‘En zeg maar,’ voegde hij er na even nadenken aan toe, ‘dat de moordenaar een Seanchaan is. Hij draagt een bijzondere ter’angreaal die hem moeilijk te zien maakt in schaduwen. Ze kunnen beter extra lichten laten branden. De andere moorden waren probeersels om onze verdediging te beproeven. Zij is het werkelijke doelwit. Benadruk dat de moordenaar heel, heel gevaarlijk is; maar het is niet degene die zij dacht dat het was. Als ze bewijs nodig heeft, kan ze komen praten met de Seanchanen hier in Caemlin.’