Выбрать главу

De bediende keek hem onthutst aan, maar toen hij verder niets zei, trok de vrouw zich terug.

Hij probeerde zijn woede te beheersen. Hij zou niet teruggaan, niet nu. Niet als het erop leek dat hij terugkroop op haar bevel. Ze had haar ‘zorgvuldige voorbereidingen en valstrikken’. Ze had gezegd dat ze hem niet nodig had. Nou, dan zou ze het een tijdje zonder hem moeten stellen.

34

Oordeel

‘Ik wil de verkenners op pad hebben,’ beval Perijn nadrukkelijk.

‘Zelfs tijdens het rechtsgeding.’

‘Dat zal de Speervrouwen niet bevallen, Perijn Aybara,’ zei Sulin. ‘Niet als ze daardoor de gelegenheid mislopen om de speren te dansen.’

‘En toch doen ze het,’ zei Perijn. Hij liep door het kamp met Dannil en Gaul. Achter hem liepen Azi en Wil Alseen, zijn twee wachters van vandaag.

Sulin keek Perijn onderzoekend aan, en toen knikte ze. ‘Het zal gebeuren.’ Ze liep weg.

‘Heer Perijn,’ vroeg Dannil, die zenuwachtig rook. ‘Waar gaat dit over?’

‘Dat weet ik nog niet,’ antwoordde Perijn. ‘Er klopt iets niet in de wind.’

Dannil fronste en keek verward. Nou, Perijn was ook verward. Verward en in toenemende mate overtuigd. Het leek een tegenstelling, maar het was zo. Het was druk in het kamp en zijn legers verzamelden zich voor een ontmoeting met de Witmantels. Niet zijn leger, zijn legers. Er was zoveel verdeeldheid tussen hen. Arganda en Gallenne streden tegen elkaar om een positie, de mannen uit Tweewater hadden een afkeer van de nieuwere troepen huurlingen, en de vroegere vluchtelingen zaten geplet tussen hen allemaal in. En natuurlijk de Aiel, die hooghartig deden waar ze maar zin in hadden. Ik ontbind ze, hield Perijn zich voor. Wat maakt het uit? Toch zat het hem dwars. Het was een wanordelijke manier om een kamp te bestieren.

Hoe dan ook, Perijns mensen hadden zich grotendeels hersteld van die laatste bel van kwaad. Geen van hen zou waarschijnlijk nog met dezelfde ogen naar zijn wapens kijken, maar de gewonden waren Geheeld en de geleiders waren uitgerust. De Witmantels waren niet blij geweest met het uitstel, dat langer had geduurd dan ze waarschijnlijk hadden verwacht. Maar Perijn had die tijd nodig gehad, om een aantal redenen.

‘Dannil,’ zei hij. ‘Mijn vrouw heeft je betrokken in plannen om me te beschermen, neem ik aan.’ Dannil schrok. ‘Hoe...’

‘Ze heeft haar geheimen nodig,’ zei Perijn. ‘De helft ervan ontgaat me, maar dit was zo klaar als een klontje. Ze is niet blij met dat rechtsgeding. Wat moet je van haar doen? Een of andere strategie om me samen met de Asha’man buiten gevaar te brengen?’

‘Zoiets, heer,’ gaf Dannil toe.

‘Ik ga wel mee als het misloopt,’ zei Perijn. ‘Maar spring er niet te vroeg in. Ik wil niet dat dit een bloedbad wordt omdat een van de Witmantels op het verkeerde ogenblik vloekt. Wacht op mijn teken, begrepen?’

‘Ja, heer,’ zei Dannil, en hij rook schaapachtig. Perijn wilde dit allemaal achter de rug hebben. Ervan verlost zijn. Nu. Want in de afgelopen paar dagen was het natuurlijk gaan aanvoelen. Ik ben maar een... Hij zette die gedachte niet door. Maar een wat? Een smid? Kon hij dat nog wel beweren? Wat was hij eigenlijk?

Verderop zat Neald op een stronk vlak bij het Reisterrein. De laatste paar dagen hadden de jonge Asha’man en Gaul op bevel van Perijn in verschillende richtingen verkend om te kijken of de Poorten wel werkten als je ver genoeg bij het kamp vandaan ging. En ja, dat bleek zo te zijn, hoewel je uren moest rijden om het effect achter je te laten.

Neald en Gaul hadden geen van beiden enige andere verandering waargenomen, behalve dat de weving voor Poorten daar weer werkte. Er was geen blokkade of zichtbare aanwijzing aan deze kant te zien, maar als Perijn het goed had, dan kwam het gebied waarin de Poorten niet werkten exact overeen met het gebied dat zich in de wolfsdroom onder de koepel bevond.

Dat was het doel van de koepel, en daarom bewaakte Slachter hem. Het ging niet om jagen op de wolven, hoewel hij daar beslist van genoot. Iets veroorzaakte zowel die koepel als de problemen met de Asha’man.

‘Neald,’ groette Perijn terwijl hij naar de Asha’man toe liep. ‘Ging de laatste verkenning goed?’

‘Ja, heer.’

‘Toen Gradi en jij me voor het eerst vertelden over de mislukkende wevingen, zei je dat het al eerder was gebeurd. Wanneer was dat?’

‘Toen we probeerden een Poort te openen om de verkenners uit Cairhien terug te halen,’ zei Neald. ‘Bij de eerste poging vielen de wevingen uiteen. Maar nadat we een tijdje hadden gewacht en het nog eens probeerden, lukte het wel.’

Dat was vlak na de eerste avond dat ik de koepel zag, dacht Perijn. Hij verscheen een tijdje, en verdween toen weer. Slachter probeerde hem toen zeker uit.

‘Heer,’ zei Neald, die dichterbij kwam. Hij was een fatterige man, maar hij was betrouwbaar gebleken als Perijn hem nodig had. ‘Wat is er gaande?’

‘Ik denk dat iemand een valstrik voor ons uitzet,’ zei Perijn zachtjes. ‘Ons inperkt. Ik heb anderen op zoek gestuurd naar het ding dat dit veroorzaakt; het is waarschijnlijk een of ander voorwerp van de Ene Kracht.’ Hij was bang dat het verborgen was in de wolfsdroom. Kon iets daar een effect bewerkstelligen in de echte wereld? ‘Maar weet je zeker dat je helemaal geen Poorten kunt maken? Ook niet naar plekken dichtbij, binnen het aangetaste gebied?’ Neald schudde zijn hoofd.

De regels zijn dus aan deze kant anders, dacht Perijn. Of, althans, het werkt anders in op Reizen dan op verplaatsingen in de wolfsdroom. ‘Neald, je zei dat je met de grotere Poorten – met gebruikmaking van een cirkel – binnen enkele uren een heel leger kon verplaatsen?’

Neald knikte. ‘We hebben geoefend.’

‘Daar moeten we klaar voor zijn,’ zei Perijn, kijkend naar de hemel. Hij rook nog steeds dat vreemde in de lucht. Een vage mufheid. ‘Heer,’ zei Neald, ‘we zullen ons daarop voorbereiden, maar als we geen Poorten kunnen maken, dan maakt het niet uit. We kunnen het leger wel naar een punt buiten het aangetaste gebied leiden en van daaraf ontsnappen.’

Helaas vermoedde Perijn dat dat niet zou gaan. Springer had dit een ding uit het verre verleden genoemd. Dat betekende dat de kans groot was dat Slachter samenwerkte met de Verzakers. Of hij was zélf een Verzaker. Perijn had daar nooit bij stilgestaan. Hoe dan ook, degenen die deze valstrik voorbereidden, zouden ongetwijfeld toekijken. Als zijn leger probeerde te ontkomen, zou de vijand de valstrik laten dichtklappen of de koepel verplaatsen.

De Verzakers hadden de Shaido misleid met die kisten en hadden ze hier geplaatst. En dan was er nog die tekening van hem die werd verspreid. Was dat allemaal onderdeel van deze valstrik, wat het dan ook was? Gevaren. Zoveel gevaren om hem heen. Nou, wat had je dan verwacht, dacht hij. Tarmon Gai’don is bijna aangebroken.

‘Ik wou dat Elyas terugkwam,’ zei hij. Hij had de man afzonderlijk op verkenning gestuurd. ‘Hou je gewoon klaar, Neald. Dannil, het is beter als je mijn waarschuwingen doorgeeft aan je mannen. Ik wil niet dat er ongelukken gebeuren.’

Dannil en Neald gingen ieder huns weegs, en Perijn liep naar de piketlijnen om Stapper te gaan halen. Gaul, stil als de wind, kwam naast hem lopen.

Iemand trekt een strik aan, dacht Perijn. Langzaam, stukje bij beetje, om mijn been. Waarschijnlijk wachtten ze tot hij tegen de Witmantels ging strijden. Naderhand zou zijn leger verzwakt en gewond zijn. Een gemakkelijke prooi. Het verkilde hem te beseffen dat als hij eerder al de strijd met Damodred was aangegaan, de valstrik misschien toen al was dichtgeklapt. Ineens werd dat rechtsgeding ontzettend belangrijk.

Perijn móést een manier vinden om een strijd uit te stellen totdat hij nog een keer naar de wolfsdroom kon. Daarin vond hij misschien iets om de koepel te vernietigen en zijn mensen te bevrijden. ‘Je bent aan het veranderen, Perijn Aybara,’ merkte Gaul op. ‘Wat zeg je?’ vroeg Perijn, die Stapper overnam van een verzorger. ‘Dat is goed,’ antwoordde Gaul. ‘Ik ben blij dat je niet langer ontkent dat je een leider bent. Het is fijner om te zien dat je van het bevelvoeren geniet.’