‘Ik heb mijn bezwaren gestaakt omdat ik wel wat beters te doen heb,’ zei Perijn. ‘En ik geniét er niet van om het bevel te hebben. Ik doe het omdat ik moet.’
Gaul knikte alsof hij dacht dat Perijn het met hem eens was. Aiel, dacht Perijn. Hij zwaaide zich in het zadel. ‘Kom op. De rij komt in beweging.’
‘Wegwezen,’ zei Faile tegen Aravine. ‘Het leger vertrekt.’ Aravine maakte een knicks en liep weg om Failes bevelen door te geven aan de vluchtelingen. Faile wist niet zeker wat deze dag zou brengen, maar ze wilde dat de achterblijvers het kamp opbraken en klaar waren voor vertrek, gewoon voor het geval dat. Toen Aravine wegliep, zag Faile dat Aldin de boekhouder zich bij haar aansloot. Hij scheen de laatste tijd veel met Aravine om te gaan. Misschien had hij het eindelijk opgegeven bij Arrela.
Ze haastte zich naar de tent toe. Onderweg zag ze Vlan Barster, Jon Gaelin en Marek Cormer die hun boogpezen en de veren aan hun pijlen nakeken. Alle drie keken ze op en zwaaiden naar haar. Er leek opluchting in hun ogen te zien, en dat was een goed teken. Vroeger hadden die mannen bedrukt gekeken als ze haar zagen, alsof ze zich schaamden over Perijns schijnbare ontrouw met Berelain tijdens Failes afwezigheid.
Nu Faile met Berelain omging, en na de officiële ontkenning van de geruchten, begon het kamp ervan overtuigd te raken dat er niets ongepasts was gebeurd. Opvallend genoeg leek het erop dat Failes redding van Berelains leven tijdens de bel van kwaad de grootste invloed had op de veranderde denkwijze van de mensen. Ze namen door dat voorval aan dat er geen onmin tussen de twee vrouwen bestond. Natuurlijk had Faile haar leven helemaal niet gered, alleen maar geholpen. Maar de geruchten zeiden iets anders, en Faile was blij te zien dat ze voor de verandering eens een keer ten voordele van Perijn en haar waren.
Ze kwam in de tent aan en waste zich haastig met een vochtige doek bij hun waskom. Ze deed een beetje geurwater op en trok haar mooiste gewaad aan: een diepgrijs kleed met geborduurde klimop over het lijfje en langs de zoom. Uiteindelijk bekeek ze zichzelf in de spiegel. Goed zo. Ze verborg haar ongerustheid. Perijn zou zich wel redden. Echt.
Toch stopte ze een paar messen achter haar riem en in haar mouwen. Buiten had een verzorger Daglicht klaarstaan. Ze steeg op; ze miste Zwaluw, die was gedood door de Shaido. Zelfs haar mooiste gewaad had een split voor het rijden; ze zou verder niets meenemen. Haar moeder had haar geleerd dat niets de geloofwaardigheid van een vrouw bij soldaten zo snel om zeep hielp als wanneer ze met een dameszadel reed. En mocht het ondenkbare gebeuren en Perijn sneuvelen, dan moest Faile mogelijk het bevel over hun legers overnemen.
Ze draafde naar de voorhoede van het zich verzamelende leger. Perijn zat daar te paard. Hoe durfde hij zo geduldig te kijken! Faile liet haar ergernis niet blijken. Er waren tijden dat je een storm moest zijn, maar ook tijden dat je een lichte bries moest zijn. Ze had Perijn al onomwonden laten weten wat ze van dat rechtsgeding vond. Voorlopig moest ze hem steunen.
Ze kwam bij Perijn aan toen de Aes Sedai zich achter hen verzamelden, te voet, net als de Wijzen. Geen Speervrouwen. Waar waren die? Het was zeker belangrijk als hij hen bij de zitting weghield. Voor Sulin en de anderen was de bescherming van Perijn een plicht die hun door de Car’a’carn was opgelegd, en het zou een ernstige zaak van toh voor hen zijn als hij stierf.
Turend door het kamp zag ze twee gai’shain in witte mantels met kappen, die zich naar de voorkant van de rij haastten. Gaul, die naast Perijns paard stond, fronste zijn voorhoofd. Een van de gestalten boog voor hem en stak een handvol speren uit. ‘Pas geslepen,’ zei Chiad.
‘En pijlen met nieuwe veren,’ voegde Bain eraan toe. ‘Ik heb al pijlen en speren,’ antwoordde Gaul. ‘Ja,’ zei de vrouw, knielend voor hem terwijl ze haar gaven bleef uitsteken.
‘Wat is er?’ vroeg hij.
‘We waren gewoon bezorgd om uw veiligheid,’ zei Bain. ‘U hebt die wapens immers zelf voorbereid.’ Ze zei het ernstig, zonder enige spot of onoprechtheid. Maar de woorden zelf waren bijna een belediging. Gaul schoot in de lach. Hij pakte de wapens aan en gaf die van hem aan de vrouwen. Ondanks de zorgen van de dag glimlachte Faile. De gedragingen van de Aiel hadden een misleidende complexiteit. Wat Gaul in zijn gai’shain zou moeten bevallen, scheen hem vaak te frustreren, en dat wat beledigend had moeten zijn, werd met een lach ontvangen.
Terwijl Bain en Chiad zich terugtrokken, bekeek Faile het leger. Iedereen ging mee, niet alleen de kapiteins of een paar symbolische troepen. De meesten zouden de rechtszitting niet kunnen zien, maar ze moesten er toch bij zijn. Voor de zekerheid. Faile kwam naast haar man tot stilstand. ‘Er zit je iets dwars,’ zei ze regen hem.
‘De wereld houdt zijn adem in, Faile,’ zei hij.
‘Hoe bedoel je?’
Hij schudde zijn hoofd. ‘De Laatste Jacht is begonnen. Rhand is in gevaar. Meer dan ieder van ons is hij in gevaar. En ik kan niet naar hem toe. Nog niet.’
‘Perijn, ik volg je niet. Hoe weet je dat Rhand in gevaar is?’
‘Ik zie hem. Telkens als ik zijn naam noem of aan hem denk, verschijnt er een visioen van hem voor mijn ogen.’
Ze keek hem verbaasd aan.
Hij draaide zich naar haar om, en zijn gouden ogen stonden peinzend. ‘Ik ben met hem verbonden. Hij... trekt aan me. Maar goed, ik had me voorgenomen open tegen je te zijn over dit soort dingen.’ Hij aarzelde. ‘Mijn legers hier, ze worden opgedreven, Faile. Als schapen naar de slacht.’
Plotseling herinnerde hij zich zijn visioen uit de wolfsdroom. Schapen die voor wolven uit renden. Hij had gedacht dat hij een van de wolven was. Maar kon hij het mis hebben?
Licht! Daar had hij het mis over. Hij wist nu wat het betekende. ‘Ik voel het in de wind,’ zei hij. ‘Het probleem met de Poorten heeft te maken met iets wat gebeurt in de wolfsdroom. Iemand wil niet dat we van deze plek wegkomen.’
Een koude bries, vreemd in de warmte van de vroege middag, streek over hen heen. ‘Weet je dat zeker?’ vroeg Faile.
‘Ja,’ zei Perijn. ‘Vreemd genoeg wel.’
‘Zijn de Speervrouwen daar? Op verkenning?’
‘Iemand wil ons in de val laten lopen en aanvallen. Het is het meest logisch om ons te laten vechten tegen de Witmantels en dan te doden wie het heeft overleefd. Maar daarvoor zou een leger nodig zijn, waar geen spoor van te zien is. Alleen wij en de Witmantels zijn hier. Elyas is op zoek naar sporen van een saidinpoort in het gebied, maar hij heeft nog niets gevonden. Dus misschien is het wel niks en zie ik ze gewoon vliegen.’
‘De laatste tijd, echtgenoot, kunnen vliegende dingen vaak bijten. Ik vertrouw op je intuïtie.’
Hij keek haar aan en glimlachte. ‘Dank je.’
‘Dus wat gaan we doen?’
‘We rijden naar dat rechtsgeding,’ zei Perijn. ‘En doen wat we maar kunnen om te voorkomen dat we slag moeten leveren tegen de Witmantels. Vanavond ga ik kijken of ik dat ding kan tegenhouden dat de Poorten belemmert. We kunnen niet gewoon een eind wegrijden om eraan te ontkomen; dat ding is verplaatsbaar. Ik heb het op twee plekken gezien. Ik zal het op een of andere manier moeten vernietigen. Daarna ontsnappen we.’
Ze knikte, en Perijn gaf het teken voor vertrek. Hoewel de troepen achter hen nog altijd chaotisch leken – als een touw dat in de war was geraakt – zette alles zich in beweging. De verschillende groepen ordenden zich, ontwarden zich.
Ze reden het korte stukje over de Jehannaweg en naderden de wei met het paviljoen. De Witmantels waren er al en stonden in gelederen opgesteld. Het leek erop dat ook zij hun hele leger hadden meegebracht.
Dit zou een gespannen middag worden.
Gaul rende mee naast Perijns paard en leek niet ongerust, en hij droeg ook zijn sluier niet. Faile wist dat hij het eerbaar van Perijn vond om naar die rechtszitting te gaan. Perijn moest zich ofwel verdedigen, of zijn toh onder ogen zien en het oordeel aanvaarden. Er waren Aiel die uit vrije wil de beul tegemoet waren gelopen om hun toh in te lossen.